Terug naar de homepage van Henri Floor Het Solse Gat

Mysterieuze kuil op de Veluwe met opmerkelijke aantrekkingskracht op Fok!kers, zie ook Solse Gat , vooral bekend op Truth-forum.

Het Solse Gat, een drukkende plaats midden in het bos. Na een lange wandeling wijken de bomen plots van hun plaats. Een diepe kuil ontvouwt zich voor het oog. Wie je ook bent, waar je ook vandaan komt. Zo gauw je kijkt, weet je dat deze plaats IS. De vogels worden niet stiller, de bomen ruisen nog steeds, maar er is een element toegevoegd. Het zesde zintuig, het gevoel, wordt zich opeens gewaar dat zij leeft. Ze communiceert met een plek die door de duizenden legenden misschien zijn eigen oorsprong niet meer kent. Maar meer waarschijnlijk lacht zij, om al die mensen, die verbaasd in een gapend gat kijken, waar de aarde opgeslokt is, en een klein plasje achter heeft gelaten. Voor hen die zich willen verbergen... of misschien voor hen die een gemakkelijke weg naar boven zoeken...Sommige mensen denken dat het bijzondere energieeen heeft. Hiervoor is echter geen enkel bewijs.


De officiŽle legende

Midden op de Veluwe - in het bos tussen Putten, Garderen en Drie - ligt het Solse gat, een grote kuil tussen de heuvels. Daar stond eens een machtig klooster met veel torens. Het werd omgeven door een gracht en een brede, statige laan leidde naar de poort. Maar het was een boos klooster; de overste en alle monniken hadden hun ziel aan de duivel verkocht. Ze leidden een leven van overdaad en weelde. Midden in de nacht werd de zwarte mis gelezen waar alle heksen en spoken uit de omgeving aan deelnamen. Men dronk wijn uit emmers en de hele nacht werden er overvloedige maaltijden opgediend. De duivel zorgde ervoor dat de voorraad nooit opraakte en hij mengde zelf de wijn. Er werd gedanst, gezongen en gevloekt tot in de vroege morgen. Velen hadden 's nachts binnen het klooster vreemde en angstaanjagende geluiden gehoord en iedereen wist dat de hele nacht de vensters van alle zalen hel verlicht waren. Dat heeft geduurd, tot in een stormachtige Kerstnacht, nu al eeuwen geleden. De dorpelingen bleven tijdens die storm angstig in hun huizen en hoorden midden in de nacht plotseling ťťn hevige donderslag. De volgende ochtend kwam een jongetje het dorp binnenrennen en vertelde dat het klooster in het bos geheel was verdwenen en er op die plaats een ijzingwekkend diepe kuil ontstaan was. De bomen er omheen lagen ontworteld ter aarde. Alle bewoners wilden het wonder zien. Men vond nog een met klinkertjes geplaveid straatje en de brede, statige laan; dat was alles wat van het klooster restte.

De aarde had zich geopend en zich weer gesloten.

Sinds die tijd komt er om middernacht uit de diepte van het Solse gat een vreemd geluid. De klokken van het verzonken klooster beginnen onregelmatig en schor te luiden, alsof ze allen gebarsten zijn; eerst zacht, maar steeds harder en angstiger. Dan komen uit het duister van de brede laan de geesten van de monniken. Al klagend wandelen ze in een lange sombere rij: langzaam en gebogen gaan ze rondom het gat, waaruit een blauwe gloed opstijgt. Dan zweven ze allen rusteloos uiteen, om opnieuw uit de schaduw van de laan in een lange rij langzaam naar voren te treden. Dit gaat door tot aan het daglicht, dan vluchten ze plotseling jammerend weg in het diepste duister van de sombere kuil.

Zodra de zon schijnt, is het alsof er niets is voorgevallen.

Alles is er rustig en men zou er haast aan twijfelen, dat even tevoren de schimmen verdwenen zijn in het water midden in de kuil van het Solse gat...


Andere overleveringen

Het Solse gat dankt zijn naam aan de Germaanse Zonnegod Sol, die vereerd werd door de Germaanse bevolking die op dat moment in de omgeving van het gat leefden. In het Solse Gat offerden zij fruit. Drie, de plaats van een tempel niet veel verderop dankt zijn naam aan de Germaanse bosgod Thri.

Rond het begin van de zeventiende eeuw werden de bosbeheerders malenaars genoemd. De malenaars van de bossen rond het Solse gat hadden eigen jurisdictie over de bossen. Een tijd lang zijn de jaarlijkse vergaderingen bij het gat gehouden. Dan kon men het gekreun horen van de schuldig bevonden illegale kappers wier handen of vingers op overeenkomstige wijze werden verwijderd.


Het Ware Verhaal?

Het Solse Gat is een plek waar een laagte is in een heuvel. Op zich geen bijzondere plaats zou je zeggen, maar zo onverwacht in het landschap, er is hier toch iets. Het Solse Gat wordt overigens zelfs op ANWB-paddenstoelen aangegeven. Om deze bijzondere plek te vinden kun je vanuit Ermelo naar Drie rijden en te Drie de ANWB-paddenstoelen volgen. Het Solse Gat ligt ten zuidwesten van Drie. Drie is te vinden tussen Ermelo, Putten en Garderen. Op het plattegrondje is boven ongeveer het zuidwesten. Op het plattegrondje staan met enkele rondjes bomen aangegeven die in het Solse Gat staan of markant zijn. Een rondje met uitsteeksels is een boom met paddenstoelen op de stam. Tussen twee bomen loopt er een leylijn door die het hele Solse Gat doorkruist, maar niet in het midden. Er zijn drie leycentra te vinden in het Solse gat. Deze staan aangegeven met een bolletje op de lijn. Het Solse Gat bestaat uit drie delen, twee watertjes, en een droog derde deel dat veelal vergeten wordt, maar dat is niet voor niets, daar vraagt dit deel ook om. Dit droge deel heeft een leycentrum van vijf leylijnen, het middenstuk heeft negen/twaalf leylijnen door het leycentrum en het zuidelijke watertje herbergt een leycentrum van zes leylijnen.



Het Solse Gat is een erg energierijke plek en de bomen hebben ook veel energie door deze bijzondere plaats. De plek straalt een wijde afstand uit. Het oorspronkelijke beginpunt van deze plek was een heidens heiligdom. Hier heeft vrij dikke boom gestaan ongeveer op het middelste leycentrum. Deze boom stond hier een ruime tijd voor het jaar nul in een bos-kreupehoutomgeving. De mensen die hier kwamen herkenden deze boom als een heiligdom, op gevoel wisten ze dat dit een heilige plek was. Op deze plek legden ze dingen neer: fruit.

Rond het jaar nul kwamen hier magiŽrs in diep geheim bijeen om te spelen met de elementen. De elementen aarde en vuur. Omdat ze de elementen niet in balans hadden, ze wisten maar de helft van het verhaal, ging de aarde splijten en kwam hier langzaam aan een laagte.

In de zesde, zevende en achtste eeuw was er hier een klooster. Hier heeft men een klooster gebouwd omdat men wist dat dit een heilige plek was. In die tijd was het hier dicht bebost. De legende verhaalt dat het klooster verzonken is, maar dat is maar ten dele waar. Het klooster is voor een groot deel afgebroken, en slechts een klein deel van het klooster, zo ongeveer de fundering is verzonken. Er is meer afgebroken dan verzonken. Het klooster stond al lager dan van oorsprong. De bewoners van het klooster hebben de energie versterkt van de in onbalans zijnde elementen. Daarna is het alleen maar verder gaan verzakken. Na de tijd van het klooster zijn er hier ook nog magiŽrs geweest op deze plek.

Deze plek heeft ook gediend als een vergaderplaats voor de inwoners van een verloren dorp Drie dat veel groter is geweest. De mensen na deze tijd vonden/vinden dit een bijzondere plek en bleven/blijven hier komen. Nu is het tevens een plek van natuurwezens.



(met dank aan Tha_BlonT)

Sagen & Legendes; De legendes van het Solsche Gat

Ten noorden van de provinciale weg Putten-Otterlo, nabij het dorp Garderen, ligt temidden van eeuwenoude beuken in het Sprielderbos, een brede inzinking van 40 bij 20 meter. Een bekoorlijk plekje, geliefd bij omwonende Veluwers en bij vakantiegasten uit binnen- en buitenland.

Deze grote kuil, misschien ontstaan bij de bouw van de eerste dorpswoningen van Drie, staat bekend als het Solsche Gat. Een plaats waar in vroeger tijden de Germaanse volksstammen hun godin Sol de offers kwamen aanbieden. Hier ook stichtten de eerste Christenen een kapelletje, dat echter reeds lang verdwenen was toen men onder het nabijgelegen Drie een nieuwe bouwde.

Het Solsche Gat was in de Middeleeuwen een uitwijkplaats voor de bewoners van Putten, toen rondtrekkende roversbenden het dorp in brand staken. Minstens twee maal in de geschiedenis vluchtten de boeren de bossen in. Later werd het Solsche Gat de verzamelplaats van de zigeuners, die er hun tenten opsloegen en vandaar strooptochten ondernamen.

Geesten waren rond in het Solsche Gat

Hier ook vonden vroeger de beroemde klopjachten plaats op heidenen, die hetzij bewoners van het verre land waren, dan wel hun geloof op andere wijzen beleden dan het door de overheid gewenst werd geacht. In latere tijden was het Solsche Gat vaak de vergaderplaats van de maelmannen van het Sprielderbos, die onder het oude geboomte hun belangen behartigden. Geen wonder, dat het Solsche Gat door zijn mysterieuze oorsprong een bron werd voor sagevorming, die zich alle eeuwen heen tot op heden wist te handhaven. Talrijk zijn de legendes, die in omloop zijn.


Het verzonken klooster. Toen de Frankische koning Clovius zich tot het Christelijke geloof bekeerde, beval hij zijn onderdanen hetzelfde te doen. Dat gebod gold in het bijzonder de priesters van de vele heiligdommen, die in zijn rijk waren gevestigd. Niet iedereen kon zich daarmede verenigen en zo ontstond er in dat Frankische rijk de eerste geloofsonrust. Er waren priesters, die heimelijk dieper de bossen introkken en daar hun oude zonnendiensten voortzetten. Anderen daarintegen, vooral veel jongeren, namen opgewekt het nieuwe geloof aan en verkondigden dat aan alle bewoners van de streken waarheen zij werden uitgezonden. Hoe stond dat met de priesters van het heilige woud rond 't Sol bij Thri (Drie)? Hun opperpriester besloot te blijven en het nieuwe geloof te aanvaarden. Hij gaf zijn priesters de opdracht de oude offerplaats te reinigen van al wat nog aan Sol herinnerde. En toen de evangelieverkondigers door Liafwin, apostel der Veluwe, uitgezonderd van Wardlo (Garderen), 't Sol bereikten, vonden zij daar de priesters bereid het nieuwe geloof uit te dragen. Zij stichtten een kappel en een klein klooster. In de avonduren, als het werk rustte, werden zij onderwezen in al hetgeen de Bijbel leerde. Enkele jaren gingen voorbij en de vroegere priesters toonden zich goede monniken. Zij onderwezen de bewoners van Wardlo, Puthen, de Pol en Sprielre en hielpen bij ziekte en stervensnood.

t Oude geloof

Op zekere dag stierf de abt Johannes. Zijn medemonniken bleken niet zo vast in het christelijke geloof te zijn, zoals zij zich steeds hadden voorgedaan. Zij vereerden in het geheim de erediensten van de zonnegod nog steeds. Uit het midden kozen zij zich nu een nieuwe opperpriester en hoewel zij hun pijen aanhielden, gedroegen zij zich weer als vroeger. Hun drinkgelagen werden weldra weer in de hele streek berucht. De bewoners van Wardlo, Puthen, Sprielre, Thri en de Pol werden door hen uitgebuit en in plaats van zieken te bezoeken, dwongen zij de mensen nu een groot deel van de opbrengst van akkerbouw en vee af te staan. Zo gingen maanden voorbij en bij het naderen van de winter besloten de ontaarde monniken weer het midwinterfeest te vieren. Ze zongen de oude zonnenliederen en het gerstebier vloeide rijkelijk. De duisternis viel in en boven het Sprielderwoud was een prachtige sterrenhemel zichtbaar. Maar plotseling klonk het gerommel van een naderend onheil. De dorpelingen schrokken op en zagen dat een zware onweersbui uit het "niets" was opgekomen. Met bange harten kropen zij weg in hun schamele hutten.


Het Solsche Gat

Terwijl het klokje van het klooster luidde, brak plotseling een orkaan los en scherpe bliksemflitsen doorkliefden de lucht. De regen stroomde neer en het gedonder echode door het woud. Toen klonk een zware slag en terwijl de aarde beefde trok de duisternis weg. Het werd stil en een prachtige sterrenhemel werd weer zichtbaar.

De andere dag trokken de bewoners van Wardlo, Sprielre, Thri en Puthen Het Sprielderwoud in en vonden het klooster niet meer. Van de palissaden van hout en aardewal was niets meer te vinden. De vroegere Solsche offerplaats was een diepe kuil geworden, brokkelig en precies waar eens de palissaden hadden gestaan, lagen nu hellingen van het Solsche Gat. Het godsgericht had gesproken. De zware eiken waren gewoon naar beneden gezonken en lieten hun bladerdak over de plaats des onheils hangen. En men zegt dat de dorpelingen nog lang ter middernacht het kloosterklokje hebben gehoord. Wie zich dan in het duistere woud waagden zag in het Solsche Gat een rij van monniken schuifelen en hoorden gezangen opklinken, vol spijt en rouwbeklag..................

Dan ineens schiet de sterrenhemel door en is de kuil weer stil, somber en verlaten.


De vermoorde koopman

Het was omstreeks het jaar 1205, toen een Saksische koopman de jaarmarkt in Tricht (Utrecht) bezocht en met een zwaar beladen mars naar 't Sticht getogen was. Hij had daar goede zaken gedaan en keerde nu te voet, met een lege mars, doch met een welgevulde buidel terug naar zijn vaderland. De koopman had daarbij zijn weg gekozen via Amersfoort naar Putten, met de bedoeling vandaar Staverden te bezoeken en zo verder naar Zutphen te reizen op weg naar zijn vaderland. Onder Putten dwaalde hij in de bossen en hij kwam al wandelend bij het Solsche Gat aan. Hier besloot hij enige tijd te rusten en het meegebrachte voedsel, gekocht in de herberg "De Kruuk" te nuttigen. Nauwelijks gezeten hoorde hij een belhamel naderen en zag weldra de driefscheper uit Putten met zijn kudde schapen verschijnen. De herder, Teunisz was zijn naam, zette zich naast de marskramer in het gras neer en weldra ging het gesprek over oorlog en vrede, over nijverheid en handel, kortom over alles waarin mannen ook toen reeds belangstelden. De marskramer vertelde argeloos dat hij uitstekende zaken had kunnen doen in de bisschopsstad en nu met een grote buidel huiswaarts kon keren. De driefscheper hoorde de oude man aan en langzamerhand verscheen er een flikkering in zijn ogen, die weinig goeds voorspelde. Nog had de koopman daar weinig erg in.

Maar nauwelijks maakte hij zich gereed zijn weg te vervolgen, die hem door de herder was uitgelegd, of deze door hebzucht bezeten, sprong hem op de rug en stak hem met een vlijmscherp mes overhoop. Hij rukte de buidel tussen de kleren uit. De goudstukken rammelden tussen de vingers. Zijn hond, die gromde en de dode besnuffelde, werd met een harde schop verwijderd. Snel groef de scheper een kuil en smeet het lijk van de koopman erin. Nadat de schapen bij elkaar gedreven waren, verliet hij het bos.

Welstand

Niemand in Putten begreep hoe scheper Teunisz, tot voorheen nog schapen van een ander hoedend, nu zo snel tot welstand gekomen. Hij had een eigen kudde aangeschaft en in het dorp een boerderijtje laten bouwen. Op zekere dag stierf de scheper na slechts enkele dagen ziek te zijn geweest. Een vreemde ziekte sloopte zijn gestel. Teunisz was een geziene dorpeling geworden, zodat bijna het gehele dorp uitliep om de man een laatste eer te bewijzen. In de kerk werd een uitvaartdienst gehouden en op het kerkhof werd het stoffelijk overschot van de scheper teraardebesteld met alle eer aan een gezien dorpsgenoot verplicht. Zou ooit het mysterie van zijn leven geopenbaard worden? Vreemd keken de dorpelingen op, toen de andere dag het graf was opengewoeld en de lijkkist recht overeind stond. Angstig en bedeesd vroegen zij zich af, wat dat te beduiden had. De doodgraver was niet bang en begroef de kist opnieuw.

Maar toen de volgende dag het kerkhof weer hetzelfde beeld vertoonde, kreeg ook hij de schrik in de benen. Weg, weg van dat vreemde graf. Spoedig van de schrik hersteld, ging hij mijnheer pastoor om raad vragen. Deze kreeg een ingeving wat hem te doen stond. Voor een landbouwslede werden twee jonge trekossen gespannen, die zonder bestuurder hun weg zouden moeten vinden. De kist werd op de slede geplaatst en 't was of de duivel de dieren op de hielen zat. Ze sloegen op de vlucht en begaven zich de bossen in. De boeren en de geestelijke konden de ossen nauwelijks bijhouden. Een merkwaardige stoet verscheen bij 't Solsche Gat, waar de ossen nog snuivend en briesend stonden te wachten. Mijnheer pastoor gaf last op deze plaats het lijk te begraven. En nu werd het stoffelijk overschot gevonden van de vermoorde koopman. Zijn half vergane buidel lag erbij.


Geen rust

Nu gingen de ogen van de dorpelingen open en begrepen zij hoe Teunisz tot zijn welstand was gekomen. Zijn lijk werd in het gat geworpen en de stoffelijke resten van de Saks meegenomen naar het dorp, waar het met alle eer werd begraven in gewijde aarde. De rust op het kerkhof en in het dorp was weergekeerd. Maar in het Sprielderbos klonk des nachts het klaaglijk geroep van de scheper, wiens geest nu ronddoolt door het Solsche Gat, omdat zijn ziel geen rust meer kan vinden en wacht op de jongste dag............

Wanneer men in het donkerste uur van de nacht rond het Solsche Gat vertoeft, hoort men de schepersstem en klinkt zacht de bel van de belhamel. Schimmen lopen door de diepe kuil, het zijn de schapen van de scheper, die hem nu nog vergezellen, omdat hem 't anders moeilijk zou zijn. Een korte blaf weerklinkt...... Het is de hond, waarna alles weer in nevelen opgaat...........


De laeck wegh

Het moet zo'n duizend jaar geleden zijn gebeurd. het dorp Puthen (Putten) bestond nog maar uit een stuk of vijf boerderijen. En vlak daarbij lagen de buurtschappen De Brink en De Pol, samen niet veel groter. Maar De Pol was eigenlijk veel kleiner. Ook de boerenhuizen waren kleiner van formaat. Daartussen lagen de kotten voor schapen en varkens. De dorpers en buurters hadden het er wel naar hun zin. Ze waren weliswaar niet rijk, maar ze verbouwden op de Eng toch heel wat veldgewassen. En dat deed het jagersvolk dat zich in het Puthreholt, het Sprielreholt en het Speulderwolt had gevestigd vaak naar de markt gaan. Daar deden zij gewiekst als ze waren goede zaken; de dorpers en de buurters overigens ook niet uitgesloten.. Ze konden het dan ook wel goed met elkaar vinden. Men vond de jagers een ruw volkje, maar ze werden in de bossen wel geduld. De jagers, waren dus bosbewoners en leefden in kleine, schamele tenten, tussen de bomen gespannen gedroogde huiden. Maar dat was heus niet altijd hun schuld.


De pol brand

Maar op een morgen, het was al klaar dag, gebeurde er iets, wat de streek nooit meer zou vergeten. Het was die dag dat er zwervers waren gesignaleerd. Dorpers, buurters en jagers hadden het niet op hen begrepen. Het was een zeer ruw onbeschoft volk, ze hadden geen moraal of goede zeden. Ze geloofden niet in Donar, Wodan, Irmin, Thri en andere Germaanse goden. Waar ze zaten in het oerwoud was nog niet bekend. Maar misschien trokken ze ook wel om hun streek heen. Maar neen, het zal rond acht uur zijn geweest, dat boer Claes, plotseling twee jonge zwervers zag wegdraven met een aantal schapen bij zich. In woede stoof de boer er op af, zag de dunne twijg niet, die de zwervers op het pad hadden aangebracht en kwakte met z'n zware lichaam op de grond en verloor het bewustzijn...........

Brand, brand, ging de roep door de buurtschap De Pol. Geen wonder, want toen de zwervers met de schapen verdwenen hadden ze nog net een boerderijtje in brand kunnen steken. De boerderijtjes die allemaal van leem, takken en heideplaggen waren opgebouwd, waren vooral bij droog en winderig weer snel een prooi van vuur. Voordat boer Claes was bijgekomen was de buurt al een smeulende puinhoop, waar mens en dier verdwaasd doorheen liepen.

Klopjacht

De dofheid was na felle uitspraken van boer Claes spoedig verdwenen en besloten werd een klopjacht te houden. Ook de dorpers en de Brink-buurters zouden van de partij zijn. Spoedig drongen de boeren het woud in. Het duurde ook lang voordat de boeren bij het beekje de Laeck kwamen. Ze besloten halt te houden en enkelen begaven zich te rusten, toen plotseling een der jonge boeren geritsel had gehoord en op korte afstand van hem een zwerver had waargenomen in de beek. Op zijn vreugde kreet rende de man door de beek weg. Goede raad was duur. De oudere boeren voelde er niet veel voor zo maar het Sprielderholt in te stappen. Het was hun eigendom niet en ze hadden aan de bewoners van Huenen en Sprielre toch goede buurtgenoten. Ze zouden een hunner eerst naar Sprielre sturen om toestemming te vragen. Maar de jongeren konden niet wachten en renden met haatgevoelens de zwerver na. Ten zuiden aan het beekje lag verscholen tussen zwaar eikengeboomte een plas die het Solsche Meertje werd genoemd. Hier hadden de zwervers hun onderkomen gemaakt. Dat waren holen in de grond. Met takken goed afgedekt en vaak zelfs door jagers niet te vinden. Nog voor dat de zwerver in een der holen was verdwenen rukte men hem aan de benen weer terug het bos in. Men ondervroeg hem maar de man die wel wat gewend was gaf geen antwoord. Dat werd de jongeren te dol en ze trokken en sleurden hem aan de haren in het rond. Dat gebeurde niet bepaald zachtzinnig. De man sloeg door en vertelde waar de schapen waren, en ook de holen wees hij aan.

Wraak, wraak...

Het waren voornamelijk de buurters van De Pol die in wilde woede ontstaken en de holen verwoestten, waarbij man, vrouw of kind, niets bespaard bleef. Toen de boosheid wat bedaard was togen de buurters en de dorpers weer terug, naar de bewoonde wereld.

Tegen de avond naderde vanuit de richting Thri een klein groepje zwervers het kampje. Ze waren ontdaan toen ze de verwoestingen zagen. En zworen wraak bij het zien van de doden. Maar hoe zou zij die wraak over de dorpers en buurters kunnen uitroepen.....? Eťn van hen, Ewoud genaamd, zoon van de hoofdman, wist het. Ze zouden met z'n allen in de bootjes het meertje op gaan, en dan de Germaanse goden vervloeken en na een drinkgelag de bewoners van het dorp Puthen en de buurtschap De Pol over de klink jagen.... Aldus werd besloten. In een ritueel feest werden eerst de doden te rusten gelegd op het nabij gelegen veld. Daarna werden hierop heuvels aangebracht. Vervolgens werd het geheel met een bierfeest afgesloten. Maar al zo vaak heeft de geschiedenis geleerd, dat bij veel drinken van gerstenat, de geest behoorlijk beneveld raakt. Dat was ook het geval bij de zwervers, die met hun benevelde koppen besloten dat het uur der wrake was gekomen.

De Laeck is weg

Men ging met bootjes het meer op. Ewoud de jonge hoofdman, zou daar de toverformules uitspreken en dan zou men met de bootjes het beekje de Laeck afvaren om de dorpers en buurters een snelle maar doeltreffende les te leren.. Ewoud stond midden in het bootje, toen hij de wraakroep uitschreeuwde. Blijkbaar te dronken wist hij niet goed meer wat hij deed. Nauwelijks had hij de woorden uitgesproken, of een ontzettend onweer brak los. Het Sprielreholt daverde van donderslagen, die steeds maar opnieuw met bliksemflitsen werden afgewisseld. Toen sloeg de bliksem in. Hij trof het bootje van Ewoud, en in de golfslag die daarbij ontstonden sloegen alle bootjes om. Het hemelvuur was zo heet, dat binnen enkele minuten het water verdampte. Het Solsche Meertje was verdwenen, en daarmee ook het beekje....


Het Solsche Gat

Toen enkele dagen later een oude jager die het vreselijke gebeuren alles met eigen ogen had waargenomen, met zijn volk nog eens naar het beekje en het meertje gingen kijken, was een en ander al aardig opgedroogd. Maar als je in de kleine bron die over was gebleven met een tak ging porren, drongen kwalijke dampen omhoog, die knetterend branden als je er vuur bij hield. Dat was hemelvuur en dus gevaarlijk.....


De Laeckwegh

De maelmannen van het Puthreholt, het Sprielreholt en het Speulderwolt besloten van het voormalig beekje maar een zandweg te maken. Dat kon best als grens dienst doen. Zo ontstond de Laeckwegh. Maar de maelmannen van het Puthreholt kwamen er toch niet zo gemakkelijk vanaf. Vanwege hun aandeel in de verwoesting van het zwerverskamp moesten zij als noordelijke grens met de Irminloseheide, een traa graven, want hier was niet alleen het beekje verdwenen, maar ook de bedding.


Grubbenbeecke

Een honderdtal jaren later, toen boer Grubben op zijn erfje aan de Irminlose heide, een waterplaats ging graven voor zijn schapen, ontdekte hij per toeval het verloren beekje weer. Het lag enige meters diep verzonken in de bodem. Maar nauwelijks was het beekwater bevrijd of het vloeide weer rijkelijk naar de zee. Boer Grubben had nu niet alleen goed drinkwater voor mens en dier, maar tevens voldoende water om met een waterval molens in beweging te brengen, waarmee hij het koren kon malen. Veel buurtgenoten hebben daarvan kunnen profiteren. De beek werd alras de Grubbenbeecke genoemd, en diende later ook nog tot energiebron voor de vervaardiging van papier.

naar de top van deze pagina