Grenslandpad: Sluis - Aardenburg

maandag 1 sep­tem­ber 2014

Op maandag sep­tem­ber 2014 be­gonnen wij met het Grenslandpad. Er was droog en redelijk warm weer voor­speld voor de hele week. Met de trein reden we via Utrecht naar Rotterdam. In Rotterdam stapten we o­ver op de trein naar Vlissingen. Het was in­mid­dels 9 uur geweest zo­dat we nu met 40% korting ver­der kon­den reizen. In Vlissingen na­men we de boot naar Breskens. Op de Westerschelde passeerde net een groot containerschip dat aan de naam van het schip te beoor­de­len uit China kwam. In Breskens na­men we bus 42 die als eindbes­temming het Belgische Brugge had. Maar wij stapten in Sluis uit. Hier was het officiŽle be­ginpunt van het Grenslandpad. In Sluis zochten we eerst een cafeetje op om een lekkere Latte Macchiato te drinken. We ko­zen cafť 't Lempereurke uit. Op weg naar het officiŽle beginpunt kwamen we nog langs het borstbeeld van Johan Hendrik van Dale. Omdat de achtergrond-informatie van meneer van Dale lang is, plaats ik dat onderaan dit verslag.

Om 12:50 uur be­gonnen we met de wan­de­ling. Eerst lie­pen we langs ka­naal Brugge/Sluis (ook wel Damse Vaart ge­noemd). We zagen in het ka­naal 2 zwemmers. Ver­der­op sta­ken we met een zelfbedieningspont het ka­naal o­ver. We be­von­den ons in­mid­dels in BelgiŽ.

Het gedeelte in BelgiŽ heette hier Meetjesland.

De oorsprong van de naam Meetjesland is voor heemkundigen al een mooie kluif geweest. De benaming werd voor het eerst teruggevonden in een achttiende-eeuws document. Rond de afstamming of etymologie ervan circuleren verschillende legendes en mogelijke verklaringen. Pastoor Duvillers schrijft de herkomst van het woord toe aan Keizer Karel die op doorreis de oude, spinnende vrouwen uit Zomergem meetjes noemde. De twee meest voorkomende verklaringen gaan enerzijds terug naar de Middeleeuwse turfgraverij (waar de blokken land voor ontginning ingedeeld werden in maten of meten) en anderzijds naar de achttiende eeuw, toen de streek gekend was voor zijn lijnwaad (mťtiers-land: het land der weefgetouwen).

Verder liepen we o­ver de Zeedijk, die gedeeltelijk onver­hard was en vol met plassen lag, kwa­men we na­bij Lapscheure. Daar­na voerde de rou­te o­ver dood&lo­pen&de asfaltwegen en onver­har­de wegen en -pa­den. We lie­pen nog een traject door een wei­land. On­derweg troffen we helaas geen bankjes aan. We passeerden toch een bankje, weliswaar zon­der leuning. Maar Coos stelde voor om toch door te lo­pen want iets ver­der­op kwa­men we langs CR De Schaapskooi dicht. Maar helaas, De Schaapskooi was dicht. We wa­ren wel geÔnformeerd dat dit soort ge­le­genheden op maandag en dinsdag dicht kon­den zijn, maar daar dachten we op dat moment niet aan.

Via kasteel Elderschans lie­pen we door naar Aar­denburg. In HCR 's Lands Welvaren was ons o­ver­nachtingadres. We wer­den door de eigenares heel vriendelijk en aardig ontvan­gen. Het was de­ze dag een droge en zonnige dag. 's-Avonds en 's-nachts re­gende het wat. Dit bleek later de e­ni­ge re­gen tij­dens de­ze vakantie te zijn.

Als Van Dale niet aan de pokken was gestorven, dan had hij zich zonder twijfel doodgewerkt." Dit schreef zijn leerling J. Manhave. Van Dale zelf schreef zijn werklust toe aan het feit dat hij als kind vaak weken ziek was geweest. Studeren vrolijkte hem juist op. Terecht kunnen we zeggen dat Johan Hendrik van Dale een aan werken verslaafd persoon was: in zijn korte leven publiceerde hij diverse boeken en honderden artikelen en werd hij vooral beroemd als schrijver van het bekende woordenboek. Maar dat woordenboek heeft hij zelf echter maar half voltooid en de roem heeft Van Dale in de eerste plaats toch te danken aan zijn leerling Jan Manhave (1850-1927).

Johan Hendrik van Dale werd op 15 februari 1828 geboren te Sluis in Zeeuws-Vlaanderen. Hij was een zoon van Abraham van Dale (1799-1837) en Pieternella Johanna du Bois (1802-1865). Zijn moeder was winkelierster, zijn vader eerst peperkoekenbakker, daarna landmeter, vervolgens hulponderwijzer en tenslotte militair. Johan Hendrik was elf jaar toen zijn vader stierf.

Voor zijn tijd was Johan Hendrik een vrij lange man. Hij was 1,72 meter en had een lang aangezicht, een hoog voorhoofd, blauwe ogen, een grote neus, een forse mond, een ronde kin, blonde wenkbrauwen en blond golvend haar.

Deze beschrijving van Van Dale vinden we terug in een een certificaat van de Nationale Militie van de Provincie Zeeland, d.d. 17 oktober 1850. Van Dale kreeg toen overigens vrijstelling voor dienst bij de Nationale Militie vanwege "broederdienst".

Hij was net zestien toen hij zijn eerste onderwijsbevoegdheid haalde en meteen daarop werd hij aangesteld als ondermeester in Sluis. In de jaren daarna behaalde hij allerlei aktes: Frans, wiskunde, Engels, Duits, natuurkunde en landbouwkunde. Op eigen houtje leerde hij Latijn en Gotisch, terwijl hij zeer geÔnteresseerd was in het Middelnederlands.

In 1850 trouwde hij Jacoba Moens (1829-1891). Van Dale kreeg vier keer een zoon, die hij telkens Johan Hendrik noemde. Drie stierven voor ze vier waren, maar vanaf 1863 telde de wereld een tijdlang twee Johan Hendrik van Dale's.

In 1852 verscheen zijn eerste boek voor de hoogste klas van de volksschool. Daarna publiceerde hij ruim twintig andere boeken: meestal over de geschiedenis van Sluis of Zeeuws-Vlaanderen, en schoolboeken over zuiver schrijven, spraakkunst en zinsontleding. Deze schoolboeken waren weinig vernieuwend, maar werden toch door het hele land gebruikt, sommige zelfs tot in het eerste kwart van deze eeuw.

Vanaf mei 1854 was Van Dale hoofdonderwijzer aan de openbare school in Sluis. Vanaf oktober 1855 was hij stadsarchivaris van Sluis. Van Dale publiceerde ook honderden artikelen over historische en oudheidkundige onderwerpen, vanaf 1861 steeds meer over taalkunde.

In 1867 verscheen zijn eerste lexicografische werk: een bewerking van het Taalkundig handboekje (alfabetische lijst van alle Nederlandse woorden).

Eind 1867 werd Van Dale door uitgever Thieme gevraagd om het Nieuw Woordenboek te bewerken. Toen hij na anderhalf jaar besefte dat hij het woordenboek alleen nooit af zou krijgen, riep hij de hulp in van zijn leerling Jan Manhave. Drie jaar lang werkten ze samen. In februari 1872 verscheen de eerste aflevering van het Nieuw Woordenboek, vrijwel onmiddellijk gevolgd door de volgende vier - tot halverwege het trefwoord nonnenaap.

In de eerste week van mei 1872 kreeg Van Dale de pokken. Waarom Van Dale de pokken kreeg blijft overigens een raadsel, omdat de koepokinenting in zijn tijd verplicht was voor onderwijzers.

Op zijn sterfbed zei hij zijn vrouw dat hij wenste dat zijn leerling Jan Manhave het Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal (op dat moment in handschrift tot en met de y gereed) zou voltooien. Van Dale stierf op Pinksterzondag 19 mei 1872. Manhave werkte nog anderhalf jaar voort tot in maart 1874. Het woordenboek was toen klaar, een jaar later dan gepland.

Van Dale's borstbeeld werd onthuld op 3 september 1924. Meteen na de onthulling kwam er een discussie op gang over de vraag of het borstbeeld zijn voorkomen wel goed weergaf. De Ter Neuzensche Courant van 3 en 5 sept. 1924 meldt: "Zij, die Van Dale gekend hadden, zeiden dat hij met te dikke wangen was weergegeven, maar prezen de gelijkenis."

Bij de onthulling van het standbeeld bestreed H. M. Kerpenstein, toen hoofd van de openbare school, de geruchten dat Van Dale tijdens het werk aan het woordenboek zijn school zou hebben verwaarloosd. Ook dominee Janssen, Van Dale's beste vriend, schreef destijds dat "Van Dale de belangen zijner school niet verwaarloosde of zijne ziel aftrok van het onderwijs". De geruchten werden in 1983 nieuw leven ingeblazen door G. J. van Oorschot, oud hoofd van de J. H. van Daleschool in Sluis. Dergelijke geruchten zijn waarschijnlijk op de wereld gekomen door de onvoorstelbare hoeveelheid werk die Van Dale heeft verzet.

Van Dale zou zonder Manhave niet veel meer zijn geweest dan iemand die een half woordenboek samenstelde en zonder Manhave's inzet zou Sluis nu hoogstwaarschijnlijk geen Van Dalestraat, borstbeeld van Van Dale of Van Daleschool hebben gehad.


Klik HIER voor de betekenis van de buttons die boven aan dit verslag staan.

Henri Floor