Voor mijn kinderen:
Ruthy
André
Channa
Michel
Judith
Waarom zou ik naar de kerk gaan?
Ter inleiding
Directe aanleiding voor het schrijven van dit boekje was een artikel in het kerkblad van Culemborg van dominee Henri Veldhuis. Thema: gaan we morgen ook naar de kerk? Daarop werd gereageerd door zijn emeritus – collega (en gemeentelid in Culemborg) Maarten Hooimeijer en door gemeentelid Rien van der Veer. De correspondentie prikkelde mij om na te denken over mijn eigen motieven om naar de kerk te (blijven) gaan. Na lang wikken en wegen kwam ik tot een reeks van twaalf.
Het is alweer een generatie geleden dat de destijds zeer bekende Utrechtse theoloog A.A. van Ruler een gepassioneerd boek schreef waarin hij een hele serie redenen uitwerkte waarom wij de geregelde samenkomsten niet zouden moeten verzuimen. Of Van Rulers boek in die tijd veel mensen over de kerkdrempel heeft heen geholpen, valt nu moeilijk meer na te gaan. Maar het idee was goed. En misschien is het dat in 2004 nog steeds. In elk geval vind ik een aantal destijds genoemde redenen nog steeds de moeite waard en die komen dan ook in dit boekje terug. Maar ik noem ook enkele overwegingen die destijds klaarblijkelijk minder voor de hand lagen, maar in onze tijd wel degelijk tellen. In elk geval tellen ze voor mij! Het boekje heet dan ook, net als dat van Van Ruler destijds: waarom zou ik naar de kerk gaan? Maar om er niet helemaal een ego –document van te maken, heb ik bovengenoemde briefwisseling opgenomen en bovendien alle redenen die ik noem, voorgelegd aan de lezers van ‘De Kerk Roept’, een tweewekelijks verschijnend regionaal protestants kerkblad in de West Betuwe en aan de lezers van het Culemborgse kerkblad voor de verenigde protestantse kerkleden. Ik heb hen gevraagd, schriftelijk of per e-mail te reageren op de door mij aangedragen argumenten voor regelmatige opgang naar Gods huis en daar hun eigen redenen om te gaan (of niet te gaan) aan toe te voegen. Fragmenten uit die brieven heb ik toegevoegd aan mijn eigen overwegingen.
Het gesprek over de kerkgang is geruime tijd een nogal gevoelig thema geweest. Veel ouders die zelf nog ‘geleden’ hebben onder de dwang van de zondagse kerkgang, dikwijls gevolgd door een zondagsrust die saaier dan saai was, wilden hun kinderen er niet teveel mee lastig vallen. Ze (of we) hoopten dat ze vanzelf wel bleven meekomen, juist omdat er niet over gezeurd werd en het bovendien in de kerk veel leuker is dan vroeger. In het pastoraat gold hetzelfde: afdoende gewaarschuwd voor Maarten ’t Hart -achtige taferelen waagden maar weinig ouderlingen en predikanten het om mensen direct aan te spreken op hun zondagse gewoonten. Het stond ook haaks op de veelgeprezen mondigheid en autonomie van de mens, dus ook van de gelovige mens. Maar met het toenemende aantal lege plekken in de zondagse kerkdienst kunnen we toch geen vrede hebben. En als ik me niet vergis, ontstaat er een klimaat waarin we zonder ons te moeten verontschuldigen, gerust weer eens kunnen praten over wat Van Ruler in zijn boek ondermeer ‘een goede gewoonte’ noemde. Ik wil graag bijdragen aan dat gesprek over de kerkgang. Los van het ‘moeten’ van vroeger, los van de vooroordelen gewoon een aantal argumenten uitwisselen met elkaar. Aan tafel bijvoorbeeld. Tussen ouders en opgroeiende of reeds (bijna) volwassen kinderen. Want daar ligt momenteel in de mainstream van onze kerken wel de grootste pijn: vooral de leeftijdscategorie tussen de zestien en de dertig schittert door afwezigheid en volgens een in december 2003 gepubliceerd onderzoek is hier sprake van een structureel probleem dat alleen nog maar toeneemt in de komende jaren.’De klad zit in het geloof’, kopte TROUW tendentieus in het zaterdagbijvoegsel van 20 december 2003. Tweederde van alle twintigers beschouwt zichzelf als onkerkelijk, en nog 53% van alle dertigers. Nu ben ik heus niet zo dom dat ik denk dat geloof en kerkgang altijd (moeten) samenvallen, maar toch zou ik willen stellen dat veel mensen zichzelf wellicht te kort doen door te geloven zonder kerkelijke gemeente en zonder kerkdienst. En dat terwijl heel veel kerkelijke gemeenten alles in het werk stellen om van een versleten en star imago af te komen. Het is vaak ‘leuk’ in de kerk en in de diensten is in toenemende mate ruimte voor allerlei vormen van diversiteit. Er wordt hard gewerkt aan de preken en aan de vertaalslag tussen Bijbel en eigen tijd. Maar wie niet of zelden komt, weet dit niet!
Ik zou de kerkdienst niet graag missen. Er gaat veel van uit, vind ik. Er gebeuren veel mooie, waardevolle dingen. Vind ik. Tussen mensen onderling en, zo geloof ik en ervaar ik heel soms, ook tussen God en mens. Vanuit die positieve ervaring, die ik als gemeentepredikant en sinds enkele jaren vooral ook als ‘gewoon gemeentelid’ heb opgedaan, heb ik dit boekje willen schrijven. Ik merk daarbij op dat ik me heel goed kan voorstellen dat die positieve ervaring niet ieders ervaring is. De mensen die door toedoen van ‘de’ kerk ernstige emotionele kwetsuren hebben opgelopen, zijn niet op de vingers van een hand te tellen. Helaas. En het openbare spreken van ‘de kerk’ is ook lang niet altijd dusdanig, dat we daar blij verrast van ophoren. Ik moet ook eerlijk toegeven dat ik ook kerken en kerkdiensten ken, waar de preken een ware bezoeking zijn, de muziek letterlijk ten hemel schreiend en de sfeer verstikkend. Het is een wonder dat mensen daarbij het geloof weten te behouden.
Maar mijn insteek is vooral bepaald door het feit dat zoveel mensen min of meer geruisloos afhaken, zonder dat er dwingende redenen voor lijken te zijn. Dat zoveel kinderen van ‘gewone’ christelijke gezinnen niet meer naar de kerk gaan, zonder dat ze het geloof vaarwel zeggen. Ik vind dat jammer en ik weet dat heel veel ouders daar verdriet van hebben, maar niet goed weten hoe ze daarover moeten praten met hun kinderen zonder in allerlei valkuilen te stappen.
Ik heb dit boekje geschreven met de hoop dat het kan helpen, de kerkgang weer eens tot gespreksonderwerp te maken. Tussen vader en dochter, moeder en zoon, broer en zus, vriendin en vriend. Zonder dat het tot ruzie leidt. Uit werkelijke belangstelling voor elkaar. En ik hoop dat ik die dingen heb kunnen verwoorden, die veel ouders/ kerkgangers zo voelen, maar misschien voor zichzelf nog niet zo expliciet op een rijtje hadden gezet. Nog een paar slotopmerkingen. Allereerst, ik ben predikant, maar zonder gemeente. Dit boekje schrijf ik dan ook allereerst als kerkganger. In mijn geval is dat de hervormde gemeente van Culemborg. De protestantse nestgeur stijgt dan ook nadrukkelijk op uit de regels van dit geschrift. Maar ik denk dat dit gesprek over de volle breedte van de kerk gevoerd kan worden, inclusief de gemeenschappen van evangelische signatuur, waar een ‘tweede generatie –probleem, zo niet al aanwezig, toch niet lang op zich zal laten wachten. Tenslotte: Maarten Hooimeijer heeft de totstandkoming van dit boekje op de voet gevolgd, kritisch meegedacht en waardevolle aanvullingen geleverd, als theoloog en als vader. Van zijn hand is ook de bijlage waarmee dit boekje afsluit, zijn ‘afscheidsartikel’ in het Kerkblad van de SOW –gemeente Muiden, kort voor hij met emeritaat ging. Het schetst ontwikkelingen in kerk en samenleving, zonder welke dit boekje wellicht nooit ontstaan zou zijn.
Culemborg, zomer 2005
Henk Fonteyn
INHOUDSOPGAVE
Waarom zou ik naar de kerk gaan?
Inleiding
1. Om te leren leven bij waarden en normen.
2. Om in elk geval iets te snappen van wat anderen beweegt of bewoog.
3. Om met anderen samen te zingen.
4. Om niet dicht te slibben of af te stompen voor het wereldleed.
5. Om het geven niet te verleren.
6. Om cultuur op te snuiven.
7. Om er aardige mensen te ontmoeten.
8. Om te bidden.
9. Om de Bijbel te lezen en te horen uitleggen.
10. Om de ontmoeting met alle generaties.
11. Om te blijven beseffen dat ik niet de eerste en niet de enige ben.
12. Om steun te vinden in eeuwenoude rituelen.
13. Reacties van lezers.
14. Bijlagen
1. Om te leren leven bij waarden en normen
Ik trap een open deur in als ik zeg dat waarden en normen in onze dagen een gevleugeld begrippenpaar zijn. Al voordat premier Balkenende erin slaagde, deze woordcombinatie weer populair te maken (letterlijk: van het volk), had Europarlementariër Frits Bolkestein jaren daarvoor de knuppel al in het hoenderhok geworpen door te zeggen dat Nederland toe was aan herwaardering van een aantal oude christelijke deugden.
Reist u in gedachten even met me mee terug in de tijd, naar het begin van de jaren zestig. Ik groeide op in een degelijk gereformeerd milieu. Mijn grootouders moesten nog flink slikken toen hun jongste dochter in de jaren vijftig met een levenspartner van Nederlands Hervormde huize thuiskwam. Het is allemaal goed gekomen, maar ik maak me sterk dat oomlief door oma en opa streng ondervraagd is, voordat de ouderlijke zegen op deze verbintenis daalde. Maar dat was voor mijn tijd. Vast staat dat in dat gereformeerde milieu ook in mijn jeugdjaren nog een aantal duidelijke normen golden. Voor een belangrijk deel hadden die te maken met de manier waarop de rustdag geheiligd werd. Normen en waarden krijgen we allereerst thuis mee. Daarom eerst wat jeugdherinneringen.
Zondagsrust Op zondag bestond in mijn eerste tien levensjaren het enige uitstapje buiten de deur uit een ritje naar de kerk, gevolgd door het vaste tochtje naar mijn grootouders van moeders of mijn grootmoeder (die weduwe was) aan vaderszijde. De rest van die dag brachten we binnen door. Ik vond dat als jongen overigens geen ramp, want oma Fonteyn woonde vlak bij het Sparta –stadion in de Rotterdamse wijk Spangen, en wanneer Sparta thuis speelde kon ik me voor het raam eindeloos vermaken met het kijken naar de volle trams en de vele auto’s die zich richting ‘Het Kasteel’ bewogen. Als de wind goed stond, kon je je op het balkon ook een aardige indruk vormen van het verloop van de wedstrijd en na afloop viel aan de gezichten van de supporters te zien of Sparta gewonnen had of niet. Om half vijf luisterden mijn vader en ik naar Frits van Turenhout, die op gedragen toon de uitslagen van alle wedstrijden in de eredivisie voor ons oplas. Een prima zondagsrust vond ik dat, zeker als ik eraan toevoeg dat er op zondag door oma Fonteyn altijd uitgebreid gekookt werd, met soep, een royaal stuk draadjesvlees en een alle gaatjes vullend toetje.
Opa en oma aan moeders kant beschikten op hun beurt over een zeer goed gevulde boekenkast, waar ook voor een jongen van een jaar of tien voldoende boeiends in te vinden was. Zij hadden trouwens ook heel veel kerk en theologie in de kast staan, en toen ik een paar jaar ouder was, kon ik me ook daarmee heel goed vermaken. Maar buiten kwamen we dus weinig! Laat staan, dat op de zondag een zwembad of andere openbare ontspanningsgelegenheid bezocht zou worden. Ook voetballen, een sport die zoals uit het bovenstaande al duidelijk wordt, de gemeenschappelijke belangstelling van mijn vader en mij genoot, was niet iets dat ik als kind op zondag geacht werd te doen. Dat gold trouwens voor mijn vriendjes evenzeer. De teugels werden bij het voortschrijden van de tijd gaandeweg wel steeds ruimer, maar er waren grenzen. Bepaalde dingen deed je niet op zondag! Andere dingen wel en die andere dingen kun je samenvatten in kerkgang en het onderhouden van familiebanden.
Gereformeerde zeden Niet alleen de zondagsheiliging, met alle discussies en spanningen die dat vaak opleverde in gezinnen, was kenmerkend voor de gereformeerde way of life. Er was de duidelijke keuze voor de School met den Bijbel, de politieke voorkeur voor de Anti Revolutionaire Partij, overtuigde inzet voor het christelijke verenigingsleven en een sterk gevoel van verantwoordelijkheid voor kerk en maatschappij. Natuurlijk ging men stemmen. Natuurlijk zei men niet zondermeer nee, wanneer er vanuit de kerkenraad een beroep op je werd gedaan. Mijn vader was in een bepaalde periode van zijn leven zowel organist als diaken, en daarnaast voorzitter van de christelijke sportvereniging DOS ’32.
De christelijke en de nationale feestdagen werden in acht genomen, en over het koningshuis werd respectvol gesproken. Het gezag in de samenleving, of dat nu politieagenten of leraren waren, diende geëerbiedigd te worden en voor ouderen in de bus leerde je al jong opstaan. Milieubewustzijn was er nauwelijks, maar desondanks werd je bijgebracht dat je de schillen en de dozen niet achteloos in de struiken smeet na een dagje aangenaam verpozen in de natuur. Grote mensen werden met ‘u’ aangesproken en vloeken en grof taalgebruik werd niet geaccepteerd, waarbij moeder het gebruik van de groene zeep niet schuwde. Brutaliteit, vandalisme, stelen en liegen werd niet alleen afgekeurd, maar ook bestraft. Er waren duidelijke grenzen en het veronachtzamen daarvan had consequenties. Wij wisten, zonder het woord te kennen, al jong wat de normen waren waaraan we ons hadden te houden. Niet dat we dat altijd deden…Ik ging als puber een keertje zwemmen op zondag. In een echt zwembad, waarvoor je een toegangskaartje moest kopen. Mijn ouders wisten het niet. Ik dacht daarmee stoer en vrij te zijn, maar het lukte me niet om ook maar een seconde werkelijk te genieten. Ik wist me in overtreding. Niet zozeer ten opzichte van de Schepper van zon, lucht en water, maar wel ten opzichte van wat mijn ouders heilig en dierbaar was. Het gestolen genot smaakte als as in de mond.
Waarden van jan en alleman Is hier sprake van typisch gereformeerde waarden en normen? Ten dele wel, maar ten dele ook niet. Aan de Zestienhovensekade waar ik als jongen woonde, zou niemand op zondag z’n auto wassen, zelfs al ‘deed men nergens aan’. Omwille van elkaar hield men rekening met een aantal dingen. Naar mijn indruk werd de samenleving breed gedragen door waarden en daarop gebaseerde normen die niet typisch gereformeerd waren, maar tot de morele en sociale bagage van de meerderheid van onze bevolking behoorden.
Ik doe maar een greep:
- het eerbiedigen van mijn en dijn,
- respect voor ‘wie hoger geplaatst zijn’,
- respect voor ouderen,
- rekening houden met de buren en daarom je gettoblaster niet op vol volume buiten aanzetten,
- om diezelfde reden: je stoep sneeuwvrij maken en op zondag de was niet buiten (laten) hangen,
- zuinig zijn met wat van een ander is,
- zelf je rommel opruimen.
Allemaal zaken die voor veel mensen van mijn generatie nog altijd vanzelfsprekend zijn.
Ik wil ‘vroeger’ niet idealiseren. Ik kan ook verhalen ophangen over de kloof tussen de verschillende zuilen, de vertekende beelden die we over elkaar hadden, over het gelijkhebberige en dogmatische, over dwang en machtsmisbruik, over schijnheiligen en fatsoensrakkers en het zoeken naar de mazen in het normatieve net. Maar er bestonden waarden, die door de meerderheid onderschreven werden en op basis van die waarden waren er ook veel gemeenschappelijke normen. En dat zorgde er bijvoorbeeld voor dat je op school geen andere reactie hoefde te verwachten dan thuis of op de voetbalclub wanneer je in je gedrag over de schreef ging. De opvoeders trokken één lijn, zonder dat ze over die lijn met elkaar hoefden te overleggen. Wat thuis niet toegestaan was, werd ook op school of op het voetbalveld niet getolereerd. Derhalve: de draai om mijn oren van de meester ‘zou ik wel verdiend hebben’ (en doorgaans was dat ook zo!). Nogmaals, ik wil niet idealiseren. Maar het is klip en klaar dat er een soort grootste gemene deler bestond ten aanzien van wat goed en niet goed was, (sterk beïnvloed door het joods-christelijke gedachtegoed), waardoor we de speelruimte en de grenzen van ons leven en samenleven vrij nauwkeurig konden aangeven. Uiteraard was die speelruimte in onze beleving vaak te klein, uiteraard probeerden we de grenzen uit. Maar per saldo was de wereld vooral veilig en duidelijk.
De Tien Geboden Een en ander hangt onmiskenbaar samen met het feit, dat veel van de traditionele joods-christelijke waarden en normen stevig in onze samenleving verankerd waren. De Tien Geboden werden in de kerkdienst wekelijks gelezen. Dat was niet voor iedereen pure vreugde, vooral niet omdat in het gebed van verootmoediging, dat erop volgde, geconstateerd werd dat we natuurlijk allemaal in gedachten, woorden en werken al die geboden aan onze laars gelapt hadden. Dat was volgens het gereformeerd dogmatisch recept helemaal correct, maar ik denk niet dat veel mensen zich daar werkelijk in herkenden.
Hoe dan ook, de Tien Geboden werden gelezen. En ook al begrijp je daar als kind lang niet alles van, een aantal van die geboden snap je al heel jong en krijgen via je opvoeding plaats in je eigen leven. Niet stelen, niet liegen, respect voor je ouders, eerlijkheid. En natuurlijk ook het besef dat er een God is aan wie we ons hebben te verantwoorden. Wat op zondag in de kerk gelezen werd, kreeg vervolg op de School met den Bijbel (maar evengoed tijdens het godsdienstuurtje op de openbare lagere scholen, dat door de dominee of pastoor ter plekke werd verzorgd) en aan de huiselijke avondmaaltijd, waar steevast na het toetje de Bijbel op tafel kwam. Niet dat zich naar aanleiding van de gelezen perikopen altijd een boeiend leergesprek ontpopte, maar alweer: er werd ons iets bijgebracht, dat ondanks alle onbegrijpelijkheid van veel bijbeltaal in grote lijnen wel degelijk overkwam. Ik noem maar weer een aantal voorbeelden:
-Het eerste en grote gebod en het tweede, daaraan gelijk.
-De gulden regel: behandel anderen zoals u door hen behandeld zou willen worden.
-De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan als antwoord op de vraag ‘wie is mijn naaste?’
-De woorden van het Onze Vader, met het indringende ‘vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren…’
-Apostolisch vermaan als ‘ overwin het kwade door het goede’ of ‘laat de zon niet onder een uitbarsting van uw toorn ondergaan’ ( met andere woorden: ga niet slapen zonder te proberen, een ruzie bij te leggen).
Heel veel van die ‘oude’ waarden en de daaruit voortvloeiende normen zijn aantoonbaar heilzaam voor iedere samenleving en iedere vorm van samenleven daarbinnen. Ze voorkomen dat het recht van de sterkste overheerst en staan ervoor garant dat andere belangen dan het directe eigenbelang meegewogen worden in de keuzen en beslissingen die wij nemen. Wel moet in elke tijd een vertaalslag gemaakt worden en niet elke norm uit grootmoeders tijd verdient het om nog gehandhaafd te worden. Maar het besef dat er goede, heilzame waarden zijn om ons leven en samenleven op te baseren, opdat het ook werkelijk samenleven blijft, kunnen en mogen we niet verliezen. Een overtuiging die veel mensen van harte delen met Bolk en Balk.
Geheugensteun Naar de kerk ga ik om aan permanent aan die waarden herinnerd te worden. Om steeds weer dat geheugensteuntje te ontvangen dat me bepaalt bij een manier van leven die ruimte voor de ander laat. Dat me eraan herinnert, dat ‘diep’ belangrijker is dan ‘veel’. Dat me kritisch houdt ten opzichte van mezelf, maar evenzeer ten opzichte van de samenleving en de politiek. Want een beetje kerk durft ook de profetenmantel om te slaan en de vinger te heffen in de richting van politieke en maatschappelijke tendensen in eigen land of de wereldsamenleving.
En natuurlijk kunnen normen verschuiven. Sterker nog: dat is ook gebeurd. Wij doen op zondag dingen die mijn ouders niet deden. We denken liberaler over zaken als samenwonen, homoseksualiteit of het stemmen op een partij die niet expliciet van christelijke grondbeginselen uitgaat. Ik noem maar wat voorbeelden. Maar de onderliggende waarden staan nog altijd overeind. En in de kerkdienst en in het bijzonder in de prediking word ik geprikkeld om na te denken over de vertaalslag tussen oeroude waarden en de normen die ik daar vandaag aan ontleen. En bovenal word ik in de kerk steeds weer bepaald bij de persoon van Jezus Christus, bij de waarden waar Hij uit leefde en bij de leefregels die Hij zijn discipelen leerde. Ik blijf daar ver bij onder de maat, en soms word ik daar juist in de kerkdienst mee geconfronteerd. Maar tegelijkertijd bemoedigt de kerkdienst me vaak, het te wagen met die waarden en mijn leven op basis daarvan vorm te geven. En het bemoedigt me tegelijk, dat ik niet de enige ben die het daarmee wil wagen.
Daar komt dan nog eens bij, dat ik in de kerk een bondgenoot vind in de enorme verantwoordelijkheid, die het opvoeden van kinderen is. Ieder weldenkend mens wil graag dat zijn kinderen zich ontwikkelen tot goede, verantwoordelijk levende, plezierige mensen, die een zinvolle plaats in de samenleving willen innemen en in hun rugzak enige geestelijke bagage meenemen. Dankzij de kerkdienst en alles wat daaromheen wordt aangeboden, zowel aan activiteiten als aan goed materiaal, staan we als ouders voor die opdracht niet alleen.
2. Om in elk geval iets te snappen van wat anderen beweegt of bewoog
Wereldwijd door alle eeuwen heen Ik ben de eerste niet die gelooft. Ik ben de eerste niet die door het leven gaat met een rugzak, tot de rand gevuld met allerlei elementen uit de joods-christelijke traditie. Ik heb het van mijn ouders meegekregen. Zij kregen het van mijn grootouders, die het weer van hun ouders meegekregen hebben, enzovoorts. Ik sta met andere woorden in een traditie van eeuwen. Dat zou je de verticale lijn kunnen noemen. Er is ook een horizontale lijn: overal ter wereld gaan mensen naar de kerk. Overal ter wereld zijn mensen, die de zondag in elk geval gedeeltelijk op dezelfde wijze doorbrengen als ik. Ze kleden zich in hun zondagse pakje, moeten zich haasten aan het ontbijt en arriveren op enig moment op zondagmorgen in een gebouw, waarin men psalmen, gezangen en geestelijke liederen zingt, waar men bidt tot God in de naam van Jezus Christus en waar hetzelfde boek opengaat en wordt uitgelegd. Uiteraard zijn er talloze verschillen, zowel theologisch als cultureel, maar de grote lijn is overal gelijk.
Ik heb veel gereisd en ben getroffen door deze wereldwijde overeenkomst. Of ik nu ergens op het platteland van Ghana reisde, waar de doordeweeks zo sjofel geklede mannen op zondag in hagelwit overhemd en stropdas ter kerke gaan, - of in hun prachtige traditionele Afrikaanse kleding -, of in Transsylvanië, waar de mannen en vrouwen op zondag in stemmige donkere tinten gekleed gaan, de vrouwen een hoofddoekje dragen en de mannen een hoed, als ze naar de kerk gaan…overal ter wereld komen mensen op zondag samen als de klok luidt.
Bewogen mensen Wat beweegt al die mensen? Wat bewoog mijn grootouders? Wat bewoog mijn ouders? Wat beweegt mijn gelovige levenspartner? Wat beweegt de jonge mensen die naar EO- Jongerendagen of naar Taizé gaan en daar enthousiast vandaan komen? Wat bewoog Dietrich Bonhoeffer? Oscar Romero? Wat beweegt George W. Bush als hij zijn strijd voor westerse waarden verwoordt in bijbelse termen? Ik noem zomaar wat namen. Zonder dat ik bij voorbaat mijn instemming wens te betuigen met elke actie van wie dan ook die zich christen noemt, of baptist, of katholiek…En zonder dat ik bij voorbaat ervan uit ga dat ik me in iedere christelijke samenkomst even thuis voel…Maar de vraag blijft boeien: wat beweegt al die mensen? Waarom leven ze zoals ze leven, waarom denken ze zoals ze denken, waarom geloven ze zoals ze geloven, doen ze zoals ze doen? Kennelijk vinden en vonden zij in de kerk en wat in de kerk(dienst) verkondigd wordt, steun en houvast, inspiratie en uitdaging, richting en regel. Kennelijk ligt in die kerkdienst, in wat daar gelezen en gepredikt wordt, een verklaring voor wat ze op maandag en dinsdag en de rest van de week in hun leven wel en niet doen. Kennelijk kan ik op zondag in die kerkdienst te weten komen waarom ouders het zo belangrijk vinden dat hun kinderen de christelijke school in het naburige dorp bezoeken (drie kwartier fietsen) in plaats van de openbare lagere school op drie minuten lopen van hun woning. Kennelijk ligt in die kerk de verklaring voor het feit dat vader naast zijn drukke baan een kerkenraadfunctie bekleedt, die hem soms wel drie avonden per week opeist. Kennelijk ligt in die kerkdienst de verklaring voor het feit dat moeder ook aan het einde van de maand, als de huishoudportemonnee zo goed als leeg is, toch geen collectant met lege handen van de deur stuurt. Kennelijk ligt in de kerk de verklaring voor het feit dat er op verjaardagen en partijtjes altijd zulke heftige discussies losbarsten tussen opa en oom Piet. Waarom de buren aan de overkant zondags lopend naar de kerk gaan, de meisjes voorzien van een plastic tasje waarin zich een hoedje bevindt. Waarom de paus ten aanzien van het gebruik van voorbehoedmiddelen een in onze tijd weinig begrepen mening huldigt en waarom we in Nederland naast KRO, IKON en NCRV ook nog eens een EO kennen en in de politiek naast het CDA ook een SGP en een Christen - Unie. In de kerk vind ik wellicht de verklaring voor het feit dat de vergaderingen van het bestuur van mijn christelijke voetbalclub, waarvan mijn vader voorzitter was, met bijbellezing en gebed werden geopend. Kennelijk zagen zij verband tussen sport en religie, anders dan het kruisjes slaan na het scoren van een doelpunt.
Waarom doen ze wat ze doen? In de kerkdienst zoeken en vinden zoveel mensen hun inspiratie. Daar klopt hun hart. Daar gaat het over de dingen, die hen ten diepste bewogen houden. Waarvoor ze offers willen brengen en onbegrip en weerstand willen riskeren. Daar ligt de verklaring voor hun inzet in actiegroepen of hun lijdzame berusting in de status quo. Voor hun sociale betrokkenheid of voor hun wereldmijding. Voor hun bevlogenheid voor het werk van Amnesty International en voor de vele uren dat ze als onbetaald medewerker hun voetzolen verslijten in de Wereldwinkel. Voor het meelopen in anti –oorlogsdemonstraties of hun onvermoeibare inzet voor asielzoekers en vluchtelingen. Voor de felheid waarmee men voor de staat Israël is of juist voor de Palestijnen. Waarom men oecumenisch ingesteld of juist fel op de eigen kerkelijk identiteit gericht is. Daar ontdek ik waarom mensen zelfs in het aangezicht van de dood nog kunnen zingen en wel treuren, maar niet als mensen zonder hoop. Daar zie ik de tranen in de ogen van de man naast me in de kerkbank, als ‘Jezus neemt de zondaars aan’ gezongen wordt. In de kerkdienst ga ik wellicht ook beter de afkeer die sommige ex - gelovigen van de kerk hebben, begrijpen. Waarom een collega gaat vloeken als de EO -radio op kantoor aanstaat. Kortom: wanneer ik mijn medemensen, zeker die van de binnenste cirkel van familie en goede vrienden, werkelijk belangrijk vind, wil ik graag beter leren verstaan wat hen beweegt. En als ik iets wil snappen van de maatschappij en de rol die kerk en godsdienst daarin spelen, kan ik in de kerkdienst, in elke kerkdienst van welke geloofsrichting dan ook, heel veel wijzer worden. Ik word er ingewijd in een taal en cultuur, die wereldwijd en door de eeuwen heen van enorme betekenis en invloed zijn geweest op de wijze waarop mensen leven en werken. En dat is niet alleen verleden tijd.
Om wie ik liefhad… Tenslotte: in de kerkdienst vind ik het geheim van het geloofsvertrouwen en de levenskunst van zoveel mensen die ik in mijn leven liefgehad, gerespecteerd en bewonderd heb. Ik ga er mijn eigen ouders, mijn eigen opvoeding beter door begrijpen. En misschien ga ik zelfs wel niet in de laatste plaats trouw naar de kerk, omdat mijn grootouders en mijn ouders en mijn schoonvader dat ook deden. Ik had hen – hun gedachtenis zij tot zegen – zeer hoog staan en koester mijn herinneringen aan hen dankbaar. Zij leefden uit een diep geheim, dat ze op allerlei manieren beleefden en beleden, maar waar de kerkgang onlosmakelijk mee verbonden was. Door naar de kerk te gaan, treed ik in hun voetsporen, eer ik hun nagedachtenis, ga ik hun levensweg beter begrijpen en voel ik me met hen verbonden.
3. Om met anderen samen te zingen
Van zingen word je blij Een jaar of dertien was ik. De eerste tekenen van de aanstormende puberteit begonnen zich te manifesteren. Een van die tekenen was een groeiend schaamtegevoel. Hoewel de aanduiding ‘een watje’ nog niet gangbaar was, is dat wel een treffende omschrijving van wat ik als twaalfjarige, eersteklas middelbare school, per se niet wilde zijn. En het zingen in de kerk, dat ik lange jaren met een aandoenlijk jongenssopraantje spontaan had gedaan, hoorde bij de gedragingen waarvoor ik me begon te schamen. Zo zat ik op een zondagmorgen in de Maranatha -kerk tijdens het zingen nurks voor me uit te kijken met opeengeklemde kaken en het gezangenboekje weggestopt onder mijn linkerdijbeen. Na de eerste Psalm werd ik op de schouder getikt. Een oudere vrouw, die schuin achter me zat, reikte me een gezangenboekje aan en zei: ‘Wil je niet meezingen? Van zingen word je blij!’. Ik kreeg een rode kop, had het lef niet om het zo vriendelijk aangereikte boekje af te slaan en zong de rest van de dienst gehoorzaam alle liederen mee. Ik schud deze herinnering, nu ruim vijfendertig jaar geleden, moeiteloos uit mijn mouw. Dat moment is me intens bijgebleven. Ik kan niet meer vertellen hoe die mevrouw eruit zag, maar wat ze zei staat me in het hart gegrift.
Ezra Het is helemaal goed gekomen met me. Toen ik de ergste puberteitsstormen had doorstaan, raakte ik betrokken bij een christelijke jeugdgroep. Daaruit ontstond al vrij snel een zanggroep, Ezra genaamd, onder bezielende leiding van een jonge, muzikale onderwijzer die christelijke teksten heel aansprekend op muziek wist te zetten en te arrangeren. Hij speelde voortreffelijk gitaar, maar kon dat niet combineren met het dirigeren van het koor, dat al snel een uitgebreid repertoire opbouwde en bijna wekelijks een of tweemaal optrad in jeugddiensten en evangelisatiesamenkomsten. Men trok over de grens voor een lang weekend optreden in Duitsland en uiteindelijk werd er zelfs een grammofoonplaat geproduceerd ( dat is een zwarte platte schijf van vinyl, ter grootte van een pannenkoek. Een zogenaamde ‘platenspeler’ met een arm, waaraan aan diamanten naaldje was bevestigd, ‘las’ de groeven van de schijf die ronddraaide op een draaitafel en produceerde via een geluidsbox de muziek). Omdat ik ook een paar gitaargrepen beheerste en bovendien vlot ‘boer daar ligt een kip in’t water’ op de piano kon spelen, werd ik uitgenodigd om mee te komen zingen en spelen bij Ezra. Het werd een van de mooiste perioden uit mijn jeugd. Het zingen van teksten waar ik achter stond, die we vaak eigenhandig schreven en van muziek voorzagen, het samen met anderen zingen, in kerken, in de open lucht, in zorgcentra, in de gevangenis… Het was pure vreugde en bovendien grensverleggend. Die vreugde heb ik eerlijk gezegd bij het zingen in de kerkdienst niet altijd bij anderen geproefd en ook niet altijd zelf ervaren. Veel psalmen zijn vrijwel niet te zingen, en van veel gezangen moet helaas hetzelfde gezegd worden. Gelukkig blijft er dan nog genoeg over en dan beperk ik me alleen nog maar tot het Liedboek voor de Kerken. Daarnaast is het in toenemende mate gangbaar aan het worden, dat in kerkdiensten allerlei liederen uit andere bronnen worden gezongen, zeker nu het produceren van een liturgie een betrekkelijk eenvoudig stukje huisvlijt is geworden. Zelf ben ik heel erg geraakt door de muziek uit de oecumenische broedergemeenschap van Taizé, maar ook veel liederen van Huub Oosterhuis met hun vaak zo verrassende taal op melodieën van Antoine Oomen zing ik graag. Overigens kan ik me er wel iets bij voorstellen dat veel jongeren niet opspringen van enthousiasme bij het horen van orgelklanken. Misschien een kwestie van wennen? Evangelische gemeenten hebben in dat opzicht muzikaal gezien voor jonge mensen meer te bieden.
Zingen schept ruimte Zoals in zoveel liturgische kwesties in kerkelijk Nederland zijn er uiteenlopende voorkeuren onder de gelovigen. Van alleen Psalmen, het liefst gezongen op hele noten (en dat kan behoorlijk indrukwekkend zijn, weet ik uit ervaring) tot het eigentijdse opwekkingslied, geprojecteerd op een overheadscherm, en van Johannes de Heer tot Huub Oosterhuis. Smaken verschillen en ik maak er geen geheim van, dat ik af en toe maar met moeite bepaalde regels door mijn strot krijg, waarbij het soms de melodie en soms de tekst is, die me de lust beneemt, of de combinatie van die twee factoren. Dat alles neemt niet weg, dat ik het samen zingen in de kerkdienst tot een van de meest kostbare belevenissen reken. Vooral als het er werkelijk toe doet. Laat ik een voorbeeld geven. Op de laatste zondag van het kerkelijk jaar, als de gestorvenen uit de gemeente van dat afgelopen jaar herdacht worden, zal de liederenkeuze uiteraard afgestemd zijn op de aard van deze zondag. In die dienst komen veel herinneringen aan recentelijk of langer geleden overleden dierbaren naar boven. Er zijn mensen aanwezig die overduidelijk verdriet hebben. En dan samen zingen, dwars door alle tranen heen elkaar dragen, elkanders geloof en elkanders verdriet dragen in een lied! Dat is een intense ervaring! Of in een volle kerstnachtdienst de oude kerstliederen uitjubelen, inclusief het ‘Ere zij God’. Het is misschien een draak van een melodie. Maar het is fantastisch om het met zoveel mensen samen te zingen in het donker van de wereldnacht. Of met elkaar het ‘Christus, onze Heer verrees’ uitjubelen op de morgen van Pasen! Of zomaar op een ‘gewone’ zondag, als een preek of een ander moment in de dienst iedereen raakt. Dan kan een lied stem geven aan wat je met elkaar voelt en beleeft en misschien niet met woorden kunt uitdrukken. Samen zingen is iets dat mensen met elkaar verbindt. Zingend geef je jezelf bloot aan elkaar en zingend ga je de schaamte voorbij: je belijdt en verwoordt in een lied wat je niet zomaar even aan elkaar durft en kunt vertellen. Soms is het ook zo dat een lied de ontroering losmaakt, die je anders misschien zou verbergen en verdringen. Zingen maakt ruimte voor onze kwetsbaarheid, maakt het kind in ons open. En wat je in de kerk zingt, blijft vaak doorzingen in jezelf, zodat je op allerlei momenten in je leven verrast, getroost of bemoedigd kan worden door een lied dat in je zingt. En te merken dat datgene wat ik in mijn geestelijke rugzak meedraagt, op belangrijke momenten ineens mij draagt.
Het lied als boodschap Heel veel belangrijke woorden en begrippen uit de kerkelijke traditie zijn lastig overdraagbaar en moeizaam uit te leggen. Maar op het moment dat een begenadigde dichter ermee aan de gang gaat en een even begenadigde musicus er de juiste melodie voor weet te vinden, wint de boodschap enorm aan zeggingskracht en baant zich een weg naar ons hart. Alle eer ook aan Hanna Lam en Wim ter Burg die in dit opzicht pioniers waren voor het goede eigentijdse kerkelijke kinderlied. Persoonlijk geniet ik in de kerkdienst ook nog eens van goed orgelspel, maar eerlijk is eerlijk: ook met de begeleiding van een opwekkingsbandje met een keyboard, een drumstel en een basgitaar kan heerlijk gezongen worden. Of a capella. Of op het ritme van Afrikaans slagwerk.
Jarenlang heb ik meegezongen met de zanggroep van de hervormde gemeente van Tricht, waar ik zeventien jaar predikant geweest ben. In toga schaarde ik me tussen de bassen en genoot van het samenspel der stemmen in drie - of vierstemmige zangstukken. Van alles hebben we gezongen, in alle mogelijke talen. Klassiek, spirituals, kerkmuziek, volksliedjes. En telkens, of het nu tijdens de repetities of tijdens de uitvoering was, was er –wanneer het goed ging –een door allen ervaren vreugde en verwondering, dat je met elkaar zoiets moois kon bereiken. Zingen heeft bovendien een heilzaam ontspannend effect op ademhaling en spieren. Allerlei spanning in je lijf baant zich zingend op plezierige wijze een weg naar buiten en na twee uur koorrepetitie voelde ik me vaak stukken fitter dan daarvoor. Met de zanggroep hebben we veel reizen naar Hongaarstalige partnergemeenten in Hongarije en Transsylvanië gemaakt, waar we mochten ervaren hoe muziek en zang ook een voortreffelijk middel zijn om taal - en cultuurbarrières te doorbreken. Kortom, de kerk is een wereldwijde zingende gemeenschap en van zingen word je blij! Of ontroerd, ook niet verkeerd.
4. Om niet dicht te slibben of af te stompen voor het wereldleed
Is er nog koffie? Wij proberen klaar met ons avondeten te zijn voor het jeugdjournaal begint. Dat zien niet alleen de kinderen graag, ik zelf geef er ook de voorkeur aan. Het is zoveel liever dan het acht uur –journaal. Er wordt aandacht geschonken aan de verhuizing van een nijlpaard naar zijn nieuwe bassin of de actie van een groepje basisschoolleerlingen in Nergenshuizen om de burgervader te bewegen tot het aanleggen van een speeltuintje. De dagelijkse portie ellende en leed wordt gedoseerd en met ingehouden beelden geserveerd. In combinatie met krant en autoradio weet ik dan wel weer genoeg en laat het grote mensennieuws later op de avond meestal schieten. Teveel ellende, te gruwelijke beelden, teveel politici met de bekende blabla. Je moet tenslotte ’s nachts nog slapen ook.
Hoewel, dat lukt eigenlijk doorgaans met opmerkelijk minder moeite dan de gruwelijkheden die in onze wereld geschieden, doen vermoeden.
Ik heb me vaak afgevraagd waarom mensen pas echt geschokt zijn, wanneer het leed in hun eigen levenscirkel binnendringt, maar moet in alle eerlijkheid constateren dat het voor mezelf niet anders is. Zolang de aardbevingen in Iran plaatshebben en aids vooral in Afrika heerst, kan ik in belangrijke mate ongestoord opgaan in mijn eigen zaken. Ik roep natuurlijk ‘ach’ en ‘wee’, maar drink er geen kop koffie minder om en het feit dat mijn auto op een koude wintermorgen niet wil starten, betekent een grotere aanslag op mijn gevoel van welbevinden dan al het vreselijke dat ver van mijn bed plaats heeft. Dat is beschamend. Jawel, maar tot mijn verdediging – en die van 99% van mijn medemensen – wil ik wel opmerken, dat we deze vorm van oppervlakkigheid (want dat is het toch eigenlijk) misschien toch nodig hebben. Wie zich dagelijks werkelijk helemaal zou openstellen voor al het leed en onrecht onder de zon, zou ’s nachts geen oog meer dicht doen en overdag niet meer weten waar hij het zoeken moest. Blijkbaar zijn we zo toegerust, dat we in staat zijn om een scherm op te trekken tussen de nieuwsfeiten en onze diepste emoties. Dat kan niet anders zijn dan een instinctieve vorm van zelfbehoud. We moeten overleven. We moeten morgen gewoon weer aan het werk en de afwas staat er ook nog.
Dit maakt ons nog geen onmenselijke egoïsten. Aan de door de televisie gepresenteerde nieuwsfeiten kunnen we immers zo bitter weinig veranderen. We krijgen beelden van wat al gebeurd is. We zien de doden en gewonden. We konden het niet voorkomen. We weten dat de wereld vaak rot en gemeen is, maar het is toch niet allemaal onze schuld? En gelukkig, er wordt een gironummer genoemd! We haasten ons om een bedrag uit te schrijven op giro 555 of 999. Maar wat kunnen we verder doen? Is er nog koffie?
Overkill en machteloosheid Feit is dat de overkill aan slecht nieuws en rampspoed via de eigentijdse media een verlammend effect kan hebben. Het is misschien niet eens zozeer een uit egoïstische motieven ingegeven neiging om ons te pantseren, meer een reactie die voortkomt uit de machteloosheid die je kunt ervaren bij de enormiteit van rampspoed en onrecht van onze wereldsamenleving. Soms lijkt het alsof twee tendensen elkaar versterken: naarmate de wereld meer en meer ‘global village’ wordt, lijken mensen zich steeds meer terug te trekken in kleine, ‘behapbare’ levenskringen (hoewel ook binnen die ‘behapbare’ levenskring de problemen soms huizenhoog kunnen rijzen!). En toch kan het niet de bedoeling zijn dat we niet verder kijken dan onze neus lang is. In de kerk is door alle eeuwen heen het besef aanwezig geweest, dat we er niet zijn om het met elkaar knus en goed te hebben, maar dat de gemeente van Jezus Christus een gemeente met een missie in de wereld is, tot de einden der aarde. En ook al zijn regelmatig onderwerpen aan de orde, waarop de meningen sterk uiteen gaan, vooral daar waar de kerkelijke betrokkenheid bij de wereldproblemen mensen tot politieke keuzen noopt, feit is dat geen christenmens zal willen ontkennen dat het evangelie een horizontale vertaalslag vergt in de vorm van inzet voor een betere, meer rechtvaardige samenleving. Er bloeien dan ook duizend diaconale en missionaire bloemen op het kerkelijke erf en de gemeente is in topvorm als het gaat om het voeren van fondswervende acties voor de noodlijdende naaste in de wereld. Het is verrassend en indrukwekkend wat er vanuit kleine gemeenschappen vaak wordt opgebracht en ingezet. Zo vormen talrijke kerkelijke gemeenschappen in ons land al lange jaren een partnerschap met een zustergemeente in voormalige Oostbloklanden als Hongarije en Roemenië. Kerkelijke vrijwilligers stonden direct na de val van de Muur aan de grenzen van onze voormalige ideologische vijanden, met vrachtauto’s vol hulpgoederen. Zij waren de eersten, hadden trouwens al lang voor de Wende vaak contacten onderhouden met geloofsgenoten en geestverwanten in de landen achter het IJzeren Gordijn. Talloze mensen steken nog immer heel veel tijd, energie en eigen geld in het onderhouden van de band met Oost-Europese partnergemeenschappen. En dat is maar een voorbeeld. Talentenjachten, concerten, rommelmarkten en sponsorlopen worden georganiseerd om fondsen te werven voor allerlei zinvolle en noodzakelijke dingen, overal ter wereld, van Moldavië tot Zimbabwe. Daarbij worden culturele, raciale en allerlei andere grenzen overschreden en staat de bijbelse naaste centraal.
De kerk in actie Al die mensen kennen het voorbeeld van de druppel op de gloeiende plaat.
En allemaal zullen ze hun momenten kennen, waarop ze denken: waar doe ik het allemaal voor? Maar ze gaan door, ze weten dat hun geloof vraagt om die vertaalslag naar inzet voor de medemens. Ze weten dat ze zichzelf niet meer eerlijk in de spiegel kunnen aanzien, wanneer ze het bijltje erbij neergooien. Ze weten dat de zegen niet ontvangen kan worden zonder de verplichting, zelf tot een zegen te willen zijn. En ze geloven bovendien dat de mens mag zaaien en dat het God is die de wasdom geeft. Ze werken niet vanuit de kramp dat wij, goedwillende christenen, eventueel samen met alle mensen die van dezelfde goede wil zijn, deze wereld zullen moeten herscheppen tot het koninkrijk der hemelen. Ze geloven – op hun beste momenten althans – dat alles wat uit liefde voor God en de naaste wordt verricht, door God zelf als bouwsteen wordt gebruikt in zijn rijk en dat geen goede daad op aarde tevergeefs gedaan is. Bovendien zijn ze bereid, zich steeds opnieuw weer te laten aanspreken. Er zal niet zo snel gezegd worden dat het nu wel genoeg is, dat we aan onze limiet zitten. En zo kom ik naar de kerk om diaconaal wakker te blijven. De wekelijkse diaconale collecte herinnert me er steeds weer aan dat ik misschien niet van, maar wel in deze wereld ben! De regelmatige Avondmaalsvieringen leren me steeds weer het gebaar van breken en delen. De ‘gebeukten en gebukten’ komen steeds weer binnen mijn vizier, in Schriftlezing, prediking, liederen en gebeden. En al dreigen zulke termen soms ook niet meer door te dringen, steeds is er in de kerkdienst ook een concretisering daarvan. Er moeten bloemen bezorgd worden bij zieken, er liggen brieven voor Amnesty International om te ondertekenen, er wordt hulp gevraagd voor een inzamelingsactie en de commissie Zending en Werelddiaconaat vraagt aandacht voor het werk onder voormalige kindsoldaten in Liberia. Als ik al de neiging zou hebben om af te stompen, dan zal ik daar in de kerk toch niet zo heel snel de kans voor krijgen. Bovendien ken ik die meneer die daar op het podium voorin de kerk zo onbeholpen maar zichtbaar bewogen vertelt over die kindsoldaten. Zelfs al zouden die kindsoldaten me volstrekt koud laten, dan nog zou ik mijn hart laten spreken omdat die meneer op het podium me niet koud laat. Dichtslibben en afstompen lukt niet zo gemakkelijk als je in de kerkdienst je oren en ogen openhoudt. En geld, via de kerkelijke kanalen gegeven, blijft niet zo snel aan allerlei strijkstokken hangen en er wordt altijd keurig verantwoording afgelegd van de uitgaven, zowel van de kosten van beheer en bestuur als van de diaconale gelden.
In het juiste perspectief Ook niet onbelangrijk is, dat in de kerk het wereldleed in het perspectief van de hoop wordt geplaatst. Het mooiste bijbelse beeld als het om het zuchten der schepping gaat, is dat van Paulus die het vergelijkt met een vrouw in barensnood. Het is ach en wee, maar uiteindelijk loopt het uit op nieuw leven, verlossing. In de kerkelijke verkondiging worden we er aanhoudend bij bepaald, dat het laatste woord niet aan de pijn, de vergeefsheid en de vruchteloosheid is, maar aan de genezing en de heelheid en de zin. Hoewel het niet meevalt, om dat visioen vast te houden als het heden erg veel zeer doet, is het wel fundamenteel, want alleen hoop doet leven.
Overigens: ook in de kerk kennen we geen naadloos sluitend antwoord op de universele vraag van de mensheid: hoe rijmen we het lijden van de schepping met het bestaan van een goede en liefdevolle Schepper? De kerkdiensten waarin men pretendeert, op die vraag een vlot en allesomvattend antwoord te kunnen geven, kunnen beter gemeden worden!
Wel is het zo, dat we in de kerk samen worstelen met die vraag. Samen met psalmdichters, samen met de schrijver van het boek Job, samen met Jezus en Paulus. En al krijgen we dan geen sluitende antwoorden, we weten ons herkend in onze vragen, we weten ons herkend in onze twijfel, zelfs in onze opstandigheid. En we proberen elkaars lasten mee te dragen en te verlichten. En we belijden tegen de klippen op dat we geloven dat God het laatste woord heeft.
5. Om het geven niet te verleren
Drie collecten per dienst
Kan het niet wat minder? Het is elke zaterdagavond weer een enorme klus om genoeg kleingeld bij elkaar te harken om op zondagmorgen voor mijn vrouw en mij en de drie kinderen die (nog) meegaan, voldoende collectegeld in handen te hebben. Doorgaans is de eerste collecte voor de kerkvoogdij, de tweede is diaconaal en de derde varieert van bloemenpotje tot restauratiefonds. Vijf maal drie betekent minimaal vijftien muntstukken, en omdat mijn vrouw alles beneden de vijftig cent als een onwaardige bijdrage betitelt, betekent een morgentje kerkgang dat we al gauw minimaal zevenenhalve euro achterlaten in de kerk. Toen ik heel jong was, werden dubbeltjes en kwartjes apart gelegd en kregen we zondagmorgen thuis ons deel toegemeten. Als jongens zaten we daar tijdens de preek eindeloos mee te spelen, en de kans dat de helft van het collectegeld onder de verkondiging van de predikant onder de kerkbank belandde, was voorspelbaar groot. Tegenwoordig hanteren we in ons gezin een centrale kerkportemonnee, waar we in de loop van de week af en toe alvast iets instoppen en waaruit mijn vrouw op het moment van de collecte uitdeelt. Drie zakken passeren ons iedere zondagmorgen. En wie in de kerk goed om zich heen kijkt, ontdekt nog meer busjes en potjes waar de gulle gever zijn bijdragen kan deponeren voor de zending, voor het onderhoud van het orgel en nog veel meer.
Het is het bekende gezegde van de vele kleintjes die samen één grote maken, dat hier wekelijks met succes ten uitvoer wordt gebracht. De collecte is een wekelijkse oefening in geven. Hoewel ‘offeranden’ misschien een iets te groot woord is voor wat de kerkganger op een doorsnee zondag in het zakje deponeert, gaat het vooral om het gebaar! Je opent je portemonnee en staat vrijwillig iets af voor een goede zaak. Elke kerkdienst weer. Je leert zo ongemerkt rekening te houden met het feit dat er in de kerk niet alleen iets gehaald mag worden, troost of inspiratie of spirituele ervaring of bijbeluitleg, maar dat je er ook iets dient achter te laten. En als je daar iets langer over nadenkt, ga je grotere verbanden zien. Dan zie je in de obligate kerkvoogdijcollecte hoe onze voorouders in hun tijd ook al hebben bijgedragen opdat het kerkgebouw (als je het geluk hebt om in zo’n mooi middeleeuws gebouw te kerken gaat zo’n gedachte heel sterk leven!) niet alleen voor hun eigen generatie, maar ook voor hun kleinkinderen en achterkleinkinderen in stand zou blijven. Opdat de prediking en het pastoraat en het diaconaat kunnen blijven doorgaan. Mijn euro is een schakeltje in een lange keten die niet bij mij moet eindigen! En wat voor de collectezak opgaat, geldt natuurlijk ook voor de actie Kerkbalans. Overigens vind ik twee collecten per dienst (en liever dan geen uitgangscollecte als klap op de vuurpijl) meer dan genoeg.
Geven is meer Maar geven is meer dan alleen geld in een collectezak of op een bankrekening deponeren. De kerk is een plaats, waar op allerlei wijzen een beroep op mensen wordt gedaan om (iets van) zichzelf te geven. Dat begint in mijn eigen gemeente al helemaal aan het begin van de dienst, als er gevraagd wordt wie de bloemen uit de kerk wil wegbrengen. Wie daarop zijn vinger opsteekt, weet dat hij of zij straks na de dienst iets van de eigen zondagsrust moet inleveren door ergens in een zorgcentrum een bezoekje te brengen. Zo’n bezoekje kan een heel verrijkende ervaring worden, maar dat weet je niet van tevoren. Maar je kunt je er hoe dan ook niet van afmaken door aan de voordeur het boeketje te overhandigen. Het betekent vaak even binnenkomen, een praatje maken, een kopje koffie meedrinken. Voor je het weet loopt het tegen enen en dan is ‘je eigen zondag’ al een heel eind voorbij! Je geeft iets van je tijd en aandacht aan een ander. Hetzelfde geldt voor alle mogelijke kerkelijke activiteiten waarbij een beroep wordt gedaan op de tijd, energie en talenten van gemeenteleden. Of het nu om een taak in de kerkenraad of in een van de talloze commissies gaat, er wordt gevraagd of je iets van jezelf wilt geven. En dat ‘iets’ kan uitgroeien tot heel veel. Heel veel tijd, heel veel energie. Het kan ook betekenen: heel veel teleurstelling, heel veel ontnuchtering. Maar gelukkig ook: heel veel diepgang, heel veel verrijkende ontmoetingen en ervaringen, heel veel innerlijke groei.
Als gemeentepredikant ben ik diep onder de indruk geraakt van wat mensen bereid waren, te geven. En ook van het vele dat mensen te geven hebben! Wat een talenten, wat een levenswijsheid, wat een geduld en wat een doorzettingsvermogen heb ik gezien. Mensen geven in het kerkenwerk vaak het mooiste en beste van zichzelf. Vrijwillig en zonder enige geldelijke vergoeding.
Tijd geven aan God Er is nog een heel andere kant aan het verhaal. Ik kan heel zelfverzekerd vertellen dat ik me altijd en overal tot God kan wenden. Dat Hij niet gebonden is aan het tijdschema dat we in de kerk hebben ontworpen, zeg maar van 10.00 tot 11.15 op zondagmorgen. Dat Hij bovendien veel te groot is om opgesloten te kunnen worden in onze kerkgebouwen en kerkdiensten en orden van dienst. Bidden kan overal. In de auto, (ogen wel open houden!), op de fiets, tijdens het joggen of achter het aanrecht. En de Bijbel ligt op het nachtkastje en ik kan er ongehinderd in lezen, zo vaak en zo lang als ik wil. Bovendien is er een scala aan theologische lectuur beschikbaar voor iedereen die zich spiritueel wil ontwikkelen. Allemaal prachtig, maar als ik heel eerlijk ben moet ik erkennen dat daar allemaal niet zo gek veel van terechtkomt in het dagelijkse leven in een doorsnee week. De drukte van gezin en werk en allerlei sociale activiteiten staan maar al te vaak lelijk in de weg. Bidden lukt inderdaad nog wel eens in de auto, maar dan moet het verkeer om me heen zich wel even aanpassen aan mijn behoefte aan rust. Voor de rest schiet er maar karig tijd voor God over. Ik hoop dat u er niet van schrikt. En van mijn kant waag ik de stelling dat dit voor de meeste mensen niet anders is. Nu zouden we – terecht – kunnen stellen dat we daarmee allereerst onszelf te kort doen. Enig evenwicht tussen actie en meditatie zou ons ongetwijfeld veel goed doen. Ik ga niet voor niets graag een paar dagen naar Taizé, waar ik driemaal per dag in de kerk zit om niets anders te doen dan te zingen en te bidden. Geweldig vind ik dat. Daar knapt mijn ziel van op en de rest van mijn ik ook. Maar behalve dat we zelf dringende behoefte aan een evenwichtig geestelijk leven hebben, is het misschien ook niet verkeerd als we de vraag stellen of God misschien ‘behoefte’ aan onze aandacht heeft. Zou je mogen zeggen dat we in ons hectische bestaan verschrikkelijk moeten uitkijken dat we God niet tekort doen? Want als we Hem God noemen, en als we Hem zelfs onze God durven noemen, dan heeft Hij toch recht op onze toewijding, onze aandacht, onze lofzang? En daarom is de stelling ‘geloven doe je in de kerk’ zo gek nog niet. Want de kerkdienst biedt me de kans om mezelf, met mijn stem, mijn gebed, mijn eerbied en mijn vertrouwen aan God te geven. Door tenminste dat ene uurtje per week op zondagmorgen apart te zetten, wil ik ook welbewust tot uiting brengen dat ik mijn hele leven aan God wil geven. Niet alleen dat uurtje, maar juist ook dat uurtje, waarin niets anders mijn aandacht vraagt of opeist. Natuurlijk hoop ik ook de overige zes dagen van de week aan God te denken, te bidden, te mediteren, maar zoals gezegd, dat komt er lang niet altijd van. Daarom is het fijn dat ik naar de kerk kan gaan. Daar word ik tot bidden en meditatie gestimuleerd en gaat de voorganger mij daarin voor. Natuurlijk, ik weet wel dat je op allerlei andere manieren en op allerlei plaatsen je hart tot de hemel kunt verheffen, maar deze vorm ligt al voor me klaar, ik hoef alleen maar aan te schuiven in de bank! Een uurtje per week, op een dag waarop ik niet hoef te werken. Behalve dan als ik zelf voorga…
6. Om cultuur op te snuiven
Van Bach tot Benschop Misschien dat dit argument verbazing wekt. Is de kerk juist niet het instituut waar de kunstenaar veel te weinig ruimte krijgt? Waar vrije expressie ingeperkt wordt door vaste vormen en orden? Inderdaad, er valt op dit gebied nog heel wat te verbeteren. Lang niet alle zintuigen komen aan bod en ons verstand wordt vaak sterker aangesproken dan ons gevoel. Maar helemaal terecht is het verwijt toch niet. De kerk heeft zich historisch gezien als geen andere instelling altijd een sterke begunstiger van de kunst getoond. Kunst in allerlei vormen. In dienst van de verkondiging weliswaar. Maar toch. Om te beginnen is er natuurlijk de bouwkunst. Talloze kerken zijn indrukwekkende demonstraties van architectuur. Niet alleen de Sint Pieter in Rome, maar evenzeer de Sint Pieter van het Betuwse dorpje Tricht. De NCRV heeft niet voor niets jarenlang enorme successen geboekt met het project Kerkepad. Tienduizenden genoten op zaterdag van een educatieve tocht langs historische kerkgebouwen in ons land. Maar ook moderne kerkgebouwen zijn vaak indrukwekkende artistieke bouwwerken, waar je niet een twee drie op uitgekeken bent, zeker niet wanneer je wat tekst en uitleg krijgt bij datgene wat de ontwerper tot uiting heeft willen brengen. Ook in het kerkinterieur is veel te bewonderen, zowel maaksels van professionele kunstenaars als van bezielde amateurs. De kerk is ook door de eeuwen heen de hoedster en bron van allerlei gewijde muziek geweest. Het Gregoriaans, de muziek van Bach, de Geneefse Psalmen, maar ook de Gospel en het Opwekkingslied. Kerkkoren en cantorijen hebben daarin een sleutelrol vervuld, samen met cantors en organisten. En steeds vaker krijgt in onze tijd ook ander muzikaal talent de kans om bij te dragen aan de kerkdienst. Een andere kunstvorm die in de kerk altijd belangrijk is geweest, is die der welsprekendheid. Het is vast geen toeval dat veel beroemde entertainers in ons land hun wieg in een pastorie hadden staan. Ze hebben van jongs af aan kennis gemaakt met het verschijnsel van een spreker en toehoorders, een entertainer (verkleed in toga) en publiek. Ook de beeldende kunst is niet denkbaar zonder kerk(gebouwen). Gebrandschilderde ramen, de veertien statiën in de lijdensweg van Jezus, kunstig vormgegeven kerstgroepen, hongerdoeken, schilderijen en beelden van heiligen, apostelen, het laatste oordeel, taferelen uit het evangelie en noem maar op, van Rembrandt van Rhijn tot Marc Chagall, van Salvadore Dali tot Michelangelo. Ook schrijvers en dichters hebben in de kerk altijd ruimte en inspiratie gevonden. Psalmberijmingen, gezangen, allerlei religieuze poëzie, het kan en kon bloeien in de kerk. Van Barnard tot Benschop. Wie er oog en oor voor heeft, vindt in de kerkdienst en in het kerkgebouw sporen van eeuwen terug. Kunst met diepgang. Woorden, beelden, kleuren en symbolen die een verhaal vertellen. En waar in toenemende mate niet meer uitsluitend de dominee en de organist de toon van de kerkdienst zetten, krijgen we de kans om te genieten van de talenten en mogelijkheden van mensen in alle leeftijdsgroepen. Iemand met een mooie solostem, een meisje dat prachtig dwarsfluit speelt, een vrouw die een gedicht zo kan voordragen dat je er kippenvel van krijgt, een cantorij die muzikale stukken met diepgang ten gehore brengt. Ad maiorem gloriam Dei en om onze ogen en oren te strelen.
Traditie en fatsoen Cultuur is echter meer dan kunst. Onder cultuur vallen ook tradities, taal, omgangsvormen, en nog veel meer. En zonder hierbij voor de kerk een unieke positie te willen claimen, denk ik dat in de kerk een heleboel waardevolle cultuurschatten gehoed en gekoesterd worden. Goed verzorgd taalgebruik bijvoorbeeld. Niet die platte en grove wijze waarop we in deze samenleving vaak met en over elkaar spreken, daarin voorgegaan door radio - en televisiepresentatoren. Niet die banale humor ten koste van anderen. En goede omgangsvormen, hoe simpel ook. Je wenst de mensen naast je in de kerkbank goedemorgen en aan het einde van de dienst een goede zondag. Kerkgangers zijn fatsoenlijke mensen. Dat kun je haast niet horen zonder meteen een burgerlijke spruitjeslucht in de neusgaten te voelen prikkelen. Maar ik bedoel het volstrekt positief. In de kerk gaat men doorgaans fatsoenlijk, wellevend en correct met elkaar om. Zoals het fatsoenlijk is om je voor de kerkgang iets zorgvuldiger te kleden dan in de zaterdagse vrijetijdskleding. Al was het maar om anderen niet nodeloos te ergeren. De negatieve tegenhangers laten zich her en der in de samenleving waarnemen. Crematieplechtigheden waar de aanwezigen in T-shirt en spijkerbroek hun opwachting maken, het zelfgenoegzame eindeloze geschetter van radio DJ’s, de verruwing langs de lijn en op het sportveld etc. Ook op het punt van traditie kun je in de kerk heel wat leren. Uiteraard allereerst over de kerkelijke traditie. Steeds meer mensen hebben geen flauw idee meer van de inhoud van Pasen, laat staan van Hemelvaart en Pinksteren. Maar trouwe kerkgangers leren ongemerkt nog heel wat meer dan dat. Over allerlei liturgische momenten in het kerkelijke jaar. Over de betekenis van liturgische kleuren. Over de kerkgeschiedenis en de geschiedenis der dogmatiek. Zelfs als je als kerkganger misschien op gespannen voet met een aantal oude christelijke dogma’s leeft, weet je er in ieder geval wat van en weet je iets van de rol die deze leerstellingen in de loop van de geschiedenis gespeeld hebben, zoals je ook op de hoogte bent van de invloed van de bijbelverhalen op onze taal, in de vorm van allerlei zegswijzen. En je moet wel uiterst bot zijn om niet af en toe geraakt te worden door de schoonheid van de bijbeltaal. De prachtige beeldspraak die door de profeten wordt gebezigd, de indringende poëzie van het boek Job en de Psalmen, de humor die in zoveel bijbelverhalen verscholen ligt, de wijsheid van Prediker en de onuitputtelijke dubbele bodems van de gelijkenissen van Jezus. Kerkgangers zijn over het algemeen redelijk tot goed op de hoogte van een heleboel onderwerpen die met religie te maken hebben. Wie ogen en oren de kost geeft, krijgt wekelijks de kans om die kennis te verrijken. Daarnaast is de kerk beslist ook de plaats, waar allerlei nationale tradities op een evenwichtige manier, zonder nationalistisch te worden, in ere worden gehouden. In de kerk zullen nationale gedenkdagen nooit achteloos worden overgeslagen. In de kerk wordt op gepaste momenten het volkslied nog eens gezongen. Het staat zelfs in het Liedboek. Waar leer je dat nog op school?
7. Om er aardige mensen te ontmoeten
De meeste mensen zijn aardig ‘De meeste mensen zijn aardig’, luidt de titel van een alweer bijna vergeten bundeltje columns van voormalig Trouw - columnist Bert Klei. Ik denk dat dit gelukkig waar is. Overal in de samenleving, op alle niveaus, in binnen - en buitenland, heb ik in de vijftig jaar van mijn eigen aardse bestaan altijd meer aardige, behulpzame, geïnteresseerde en beleefde mensen ontmoet dan proleten en ploerten. We moeten ons ook niet laten wijsmaken dat het anders is, al kan een slechte ervaring met een bumperklever of een pokhouterige ambtenaar achter een loket je geloof in de mensheid soms een lelijke knauw bezorgen.
Ik durf de stelling van Klei wel uit te dragen. Nog altijd, al hoor je aan alle kanten dat het in onze samenleving hard bergafwaarts gaat met waarden als respect, wellevendheid en vriendelijkheid. En natuurlijk draag ik ook geen roze bril en zie en hoor ik af en toe dingen, die ons terecht grote zorgen baren. Maar laten we niet al te overijld tot totaal pessimisme vervallen. Het is ook altijd nog eens zo, dat wie goed doet, goed ontmoet en beleefdheid en vriendelijkheid werken nog altijd ontwapenend, juist op mensen die op dat punt weinig illusies koesteren en zich bij voorbaat al verdedigend of juist aanvallend opstellen.
Tot zover de samenleving grosso modo. En als het nu ondanks bovengenoemd optimisme toch eens anders uitpakt en ik in een week meer onvriendelijke, lompe en slechtgehumeurde mensen heb ontmoet, dan is het extra verkwikkend om naar de kerk te gaan. Immers, daar ontmoet je altijd wel aardige mensen, welwillende mensen, mensen die het goed bedoelen met elkaar. Mensen die elkaar vriendelijk groeten en een pepermuntje door de rijen laten gaan. Mensen die hun best doen om met elkaar mee te leven en belangstelling voor elkaar te tonen. Ik weet wel, dit klinkt allemaal niet erg opwindend en als enige argument om naar de kerk te gaan, is het zelfs mager. Want ook mijn sportkameraden van het zaalvoetbalteam waar ik in speel zijn aardig en belangstellend en ik verheug me er wekelijks op, hen weer te zien. En ook mijn collega’s op de kazerne zijn me zeer sympathiek en met elkaar hebben we als militairen ook weer een heel speciaal wij -gevoel. Daarom wil ik nadrukkelijk stellen dat aardige mensen niet uitsluitend in de kerk te vinden zijn en dat je in de kerk ook zemels en zeurkousen tegenkomt. Maar doorgaans tref je er aardige en vriendelijke mensen, die elkaar ontvankelijk tegemoet treden en er niet op uit zijn, elkaar het leven zuur te maken. Ik weet heus ook wel dat er binnenskamers op kerkenraadsvergaderingen en in kerkkoren soms behoorlijke spanningen kunnen oplaaien. Maar per saldo slaat de balans naar het positieve uit. Men is niet uit op blijvende conflicten en probeert uit alle macht personen en zaken te scheiden. En een enkele keer ontmoet je mensen, die zelfs meer dan alleen maar aardig zijn, mensen die een blijvende indruk achterlaten.
Een van die mensen wil ik graag hier portretteren. Ik wens iedereen geluk, die dergelijke mensen tegenkomt. Ze zijn het zout der aarde.
Tante Zus *
*Dit verhaal is een bewerking van het verhaal ‘ Grijs en wijs en rijk in God’ , dat eerder gepubliceerd werd in het boek ‘De gevreesde ziekte en andere verhalen’ – uitgave Merweboek)
Zus heette eigenlijk Jantje Eva, maar haar hele leven was ze Zus. De enige dochter in een boerengezin met daarnaast twee ongetrouwde zoons. Zus werd geacht, zo ging dat vroeger op het platteland, haar leven op te offeren. Eerst als dochter haar ouders aan het einde te brengen, daarna Zus en niets anders dan Zus te zijn voor de beide broers. Toen ik predikant werd in Tricht, bracht ze een prachtig geborduurd wandkleed, met vogels en de datum van mijn intrede in kleurige zijde. Het heeft alle jaren in de hal van de pastorie gehangen.
Zus woonde met inmiddels haar enige broer op een oude boerderij. Zus had in haar jongere jaren een verkering moeten afbreken omdat de traditionele verwachtingen die aan haar gesteld werden, niet gedoogden dat zij haar rol als Zus opgaf. Menig mens zou bitter, scherp en zuur geworden zijn op een levensweg als de hare. Maar zij heeft de verzoeking daartoe altijd weten te weerstaan. Niemand had het vreemd gevonden als ze als een verbitterde vrouw door het leven was gegaan. De verontschuldigingen lagen bij tientallen voor het grijpen. Maar zij was zo vroom om te onderkennen dat bitter worden ook een keuze kan zijn en ze besloot het beste deel te kiezen, het deel van Maria. Iemand die leefde van de woorden van Jezus. Zo’n mens was Zus. Zij had zich met haar bestaan verzoend, ook met de donkere kanten daarvan. Ze had de losse eindjes en niet voltooide puzzels een plaats gegeven en liet haar innerlijke vrede er niet meer door verstoren. Bij Zus was altijd bezoek. Vogels van allerlei pluimage vlogen er binnen. Kinderen, volwassenen, jonge mensen, mensen in de midlife –fase. Vermoeide moeders, die even de drukte van het gezinsleven wilden ontvluchten, werden er vertroeteld met aandacht, een geschild appeltje of een kopje chocola. De dominee en de dokter liepen er regelmatig binnen, omdat Zus soms op discrete wijze een bescheiden advies kon geven om eens bij mevrouw Die of Die binnen te lopen. Mijn eigen ervaring is, dat ik –gehoor gevend aan zo’n advies - altijd ‘als geroepen’ kwam. Tientallen jaren heeft Zus het beste wat ze had ingezet in zondagsschoolwerk. Ik bezit uit haar nalatenschap een aantal papieren, waarop ze met dat ouderwetse handschrift dat vroeger op school werd geleerd, haar aantekeningen heeft gemaakt voor de preek die ze moest houden op het kerstfeest van de zondagsschool. Het zijn geen originele gedachten – hoe zou dat ook kunnen in een kerstpreek? Maar elk woord is met zorg en liefde gekozen en er klinkt een warm hart in mee voor de kinderen die op dat kerstfeest bijeen kwamen. Het zijn ontroerende woorden, geschreven en gesproken door iemand die zelf uit eigen ervaring wist dat alleen het licht van Christus onze duisternis kan verdrijven. Zus was zoals de meeste autochtone inwoners van ons dorp Nederlands Hervormd, maar voor haar was dat nooit een reden om haar aandacht en belangstelling en meeleven te beperken tot mensen van die kerkelijke kring. Toen zij overleed, zat de kerk vol. Oud-gereformeerden naast rooms-katholieken, notoire agnostici naast gereformeerden, hervormd – op – wieltjes naast de gereformeerde bonder, van zwaar tot licht, van fijn tot niets, kinderen en ouderen. En allen getuigden door hun aanwezigheid in deze rouwdienst van hun genegenheid en liefde en dankbaarheid voor deze mens, die als een zus van Jezus en een kind van God geleefd had en had laten zien hoe diep en rijk zo’n leven kan zijn.
En als ze niet aardig zijn?
Maar wat nu als er alleen maar nurkse en stugge mensen in de kerkbank zitten? Gesloten rijen en gesloten gezichten, waar geen lachje of knikje af kan? Het komt voor natuurlijk. In de anonimiteit van een grote stad waar mensen meer dan ze zichzelf vaak bewust zijn, een levensstijl ontwikkeld hebben volgens het motto ‘ik bemoei me niet met jou, doe jij het dan ook niet met mij’. Maar ook in de kleinschaligheid van een dorpsgemeenschap kan het voorkomen dat je er als vreemdeling ‘niet tussen komt’. Men heeft je als ‘import’ herkend en kijkt langdurig de kat uit de boom alvorens men de gelederen voor je opent. In zulke omstandigheden is het niet gemakkelijk om trouw naar de kerk te blijven gaan. Maar als je ‘erin wilt komen’, moet je het wel doen want niet gaan zal in elk geval zeker niet tot het gewenste effect leiden. Enige moed om vol te houden is daar wel voor nodig. En misschien een bijbels –theologische overweging in gedachten houden op die momenten dat het echt niet mee valt. Deze overweging namelijk, dat het Christus is die mij en al die anderen samenroept en samenbindt. Dat kerk een oud Grieks woordje is dat ‘van de Heer’ betekent. Al die mensen zijn mijn vrienden niet, hoeven dat ook niet te zijn of te worden, maar Christus noemt hen (en mij) wel zijn vrienden, en dat moet mij dan maar de moed geven om het er uit te houden, ook als een kort knikje vooralsnog mijn magere welkom in de kerkbank is. En soms is een beetje anonimiteit ook wel prettig.
8. Om te bidden
Ademnood Het is onder ‘geven’ al opgemerkt: van bidden komt niet altijd evenveel in het leven van alledag. Mijn agenda vertoont veel ‘to do’ – onderwerpen en laat weinig ruimte voor momenten van meditatie en gebed. Ik ben zo vrij te veronderstellen dat dat voor heel wat mensen geldt. Zelfs kinderen hebben het druk, van wie zouden ze dat hebben? Tijd voor gebed met gesloten ogen is schaars, al let niets en niemand ons om te bidden ‘met de pet op’, zoals dat in de Betuwe genoemd wordt. Onze samenleving is prestatiegericht. Al vraag je je regelmatig af wat al die miljoenen, die elke dag de snelwegen verstoppen, nou eigenlijk aan het doen zijn, ik behoor ook tot hen en ik weet heel goed wat mijn agenda voor die dag me voorschrijft. Input en output, prestatie –indicatoren en meer van dit soort kreukelig management –idioom zijn de woorden waar we mee moeten leren leven. Het is erg nodig dat we op dit terrein een heleboel ballonnen durven lek prikken, maar onwillekeurig hebben we toch snel een tik van de molen te pakken. En doen we mee met het jagen en razen. En zijn we op vrijdagmiddag zowel mentaal als fysiek volslagen leeg. En dreigt onze ziel in ademnood te geraken! Nu is de ziel een zeer bescheiden stem in ons bestaan. Zij is een verlegen minnares, die wel veel aandacht nodig heeft, maar er niet snel luidkeels of opdringerig om zal vragen, laat staan dat zij eist… Ons uitzakkende lichaam en ons rokershoestje dwingen ons vroeg of laat, al dan niet op doktersbevel, vanzelf naar de fitnessruimte of de sportzaal. Maar onze ziel bezit haar ziel in lijdzaamheid en wacht tot we acht slaan op haar stille stem. Soms moet ze zolang wachten, dat ze in ademnood geraakt. En dan komen we met schrik tot ontdekking, dat we bezig zijn om niet heel, maar slechts half of gedeeltelijk te leven.
Ons geestelijk leven Anders gezegd: het is belangrijk dat we geestelijk blijven ademhalen. En bidden maakt daar wezenlijk deel van uit. Bidden is praten met God, leerde ik ooit. Er zijn ongetwijfeld meer doordachte definities, maar deze omschrijving zegt toch wel wat. ‘Praten met God’ is meer dan praten in onszelf of tegen onszelf, het is ook meer dan praten met andere mensen, laat staan praten over andere mensen. Als het goed is praten we in het gebed met God over onszelf en over andere mensen. En delen we de last die andere mensen wellicht voor ons vormen. Of de last die we met onszelf hebben. De zorg en de onmacht om allerlei zaken in de samenleving en in de kring van familie en gezin. In de kerk is ruimte om te bidden, ruimte voor onze ziel om op adem te komen. Ruimte voor inkeer, bezinning en reflectie, voor dankzegging en lofzang. Ruimte in twee opzichten: ten eerste deugt het kerkgebouw bij uitstek voor godsdienstoefeningen. Er kan ook wel eens een gezellige rommelmarkt gehouden worden, er kunnen uitgeprocedeerde asielzoekers geherbergd worden, maar in de regel benutten we een kerkgebouw toch allereerst voor de vormgeving en expressie van ons geestelijk leven. De kerk is een huis des gebeds. Daar is het op gebouwd. Daar is het op ingericht. Spijtig genoeg zijn de meeste van onze kerkgebouwen niet non stop geopend, maar idealiter is dat wel waarvoor ze hun prominente plaats in stad en dorp innemen. En het siert elke locale parochie of gemeente, wanneer men initiatieven ontwikkelt in deze richting, al is het maar met een van het schip der kerk afgescheiden ‘dagkapel’ of een stiltecentrum in een hectisch winkelcentrum of een ziekenhuis. Er is veel behoefte aan gelegenheden om in alle rust te kunnen bidden, al dan niet vergezeld van het opsteken van een kaars. Als protestant kan ik jaloers toekijken hoe bijvoorbeeld in de Sint Jan in Den Bosch de Maria -kapel vrijwel permanent bezet is met voorbijgangers, die even binnen lopen voor een Weesgegroetje en het opsteken van een lichtje. Maar er is in elk geval elke zondag weer gelegenheid om waar dan ook naar de kerk te gaan. En zelfs al zou er van alles in de kerkdienst zijn, dat me niet raakt, ik krijg er in elk geval de ruimte om te bidden. Om in stilte (al duurt die soms niet lang genoeg!) mijn eigen woorden te zoeken, om mee te bidden met een kyrie of een schuldbelijdenis, om te danken en voorbeden te doen voor mensen en omstandigheden die me ter harte gaan. En mocht ik dat wensen, dan is het mogelijk dat een ander met mij of voor mij bidt. Ook het samen bidden met anderen, in het bijzonder het samen bidden van het ‘Onze Vader’ ervaar ik als iets waardevols, iets dat ons samenbindt boven alle verschillen uit. Overigens komt een eerder genoemde reden om naar de kerk te gaan, hier weer terug: in de voorbeden en in het smeekgebed wordt de hele wereld en haar nood binnen mijn vizier getrokken. Dichtslibben of afstompen gaat niet samen met oprecht gebed. Als Protestant ben ik gewend aan bidden in eigen woorden. Vaak wordt in het protestantse of evangelische milieu het bidden van al door anderen geformuleerde teksten als een zwaktebod ervaren. Maar ik heb in de loop der jaren ook geleerd, dat anderen vaak al onder woorden hebben weten te brengen, wat in mijn hart nog om woorden vraagt en ervaar tegenwoordig veel ‘formuliergebeden’ als een verrijking van mijn persoonlijke gebeden. Ook in dat opzicht verrast de kerkdienst telkens weer opnieuw.
9. Om de Bijbel te lezen en te horen uitleggen
Abracadabra Eerlijk gezegd is dit argument voor mij persoonlijk niet zo heel erg relevant. Als theoloog behoort de Bijbel nu eenmaal tot mijn Persoonlijke Standaard Uitrusting en vanzelfsprekend ben ik er in de loop der jaren behoorlijk in thuis geraakt. Maar ik wil dit argument toch niet overslaan, omdat ik weet dat het voor heel veel mensen misschien wel een van de hoofdredenen is waarom men naar de kerk gaat. Vaak wordt dan gezegd: voor de preek. Maar een goede preek is uitleg en toepassing van het Bijbelgedeelte en daar zit volgens mij dan ook de kneep. We hebben behoefte aan uitleg en toepassing, domweg omdat de Bijbel een moeilijk boek is, waarbinnen we weliswaar een aantal toegankelijke en aansprekende teksten kennen die ons zeer na staan, zoals Psalm 23, 1 Korintiërs 13, Romeinen 8:31-39, de Bergrede en de gelijkenissen, maar waarin – laat ik voorzichtig schatten – toch wel driekwart abracadabra en hocus-pocus voor ons is. Hoe eerbiedig we er ook tegenover staan. Trouwe bijbellezers – waar wordt overigens nog dagelijks uit de Bijbel gelezen - behelpen zich dikwijls met een bijbels dagboek of iets dergelijks. Maar dat neemt de behoefte aan uitleg en toepassing niet weg, stimuleert dat verlangen veeleer. Ieder gelovig christen is ervan overtuigd, dat de Bijbel niet weg te denken is uit ons leven. Grondslag, fundament, richtsnoer, noem het maar.
Is de preek uit de tijd? De preek komt er in onze tijd niet best vanaf. Welke moderne Nederlander, die gemiddeld ruim twee uur per dag TV kijkt, daarnaast op het wereldwijde web surft, DVD’s bekijkt en in enkele uren naar een ander werelddeel vliegt, kan het nog opbrengen om twintig minuten stil te zitten en alleen maar te luisteren? Iedere moderne docent of voorlichter komt gewapend met een laptop en een powerpoint -presentatie, voorzien van bewegende beelden, verrassende effecten en zelfs bijpassende geluiden voor het front van de groep. Elke school heeft een mediatheek, een computerlokaal, de lessen zijn interactief en zelfwerkzaamheid wordt op allerlei manieren aangeprezen. Alleen in de kerk wordt nog van mensen gevraagd, zich twintig (soms dertig, veertig, vijftig zelfs) minuten koest te houden, geen vragen te stellen of te interrumperen en toch bij de les te blijven. Kan dat nog? Lopen we daarmee niet hopeloos achter?
Nog afgezien van het feit dat ook de rest van de kerkdienst het natuurlijk qua amusementswaarde ook niet haalt bij de bewegende beelden op de beeldbuis of het scherm van de PC. Ik moet eerlijk zijn: deze vragen snijden hout. En waar allerlei evangelische en Pinksterkerken in dit opzicht niet te angstig zijn om vrijmoedig gebruik te maken van allerlei moderne media en mediatechnieken om de eredienst een meer eigentijds en vooral ook op jongeren gericht karakter te verlenen, blijven vooral de traditionele kerken daarin ver achterop. Wel wordt er in bijzondere diensten meer en meer geprobeerd en geëxperimenteerd, maar dat blijven toch doorgaans bijzondere diensten. Het zijn randverschijnselen die toegelaten, mogelijk zelfs gesteund en aangemoedigd worden, waar enthousiaste mensen zich het vuur voor uit de sloffen lopen, maar het blijven randverschijnselen. De gewone kerkdienst is op onderdelen wellicht veranderd, maar nauwelijks zoveel, dat onze voorouders uit, pak weg, de negentiende eeuw zich onwennig zouden voelen in onze diensten. Nu behoor ik persoonlijk niet tot de mensen die dat erg vinden. Ik denk dat het verstandig is om in dit opzicht ook een zekere continuïteit met het verleden te bewaren, al was het alleen maar omdat deze vorm al zolang zijn kracht bewezen heeft en veel eigentijdse trends ook niet meer dan eendagsvliegen blijken te zijn. Natuurlijk ben ik als vader dolblij dat er steeds vaker ruimte voor de kinderen in de eredienst is, in de vorm van een gesprek op kniehoogte, een kinderlied, een kort stukje verbeelding of toneel, tekeningen, een dans. Zoals ik blij ben met het feit dat niet langer de predikant per definitie elke punt en komma van de liturgie voor eigen rekening neemt, maar dat je steeds vaker meemaakt dat de ouderling van dienst voorgaat in een gebed, dat een gemeentelid een Schriftlezing verzorgt etc. Een wekelijkse orde van dienst op een A - viertje opent bovendien de mogelijkheid, eens iets te zingen dat ‘niet in het Liedboek staat’. Prima allemaal! Maar er blijven een aantal elementen in de kerkdienst aanwezig, die volgens mij moeilijk te missen of te vervangen zijn. Zingen, bidden, geven, delen, lezen en leren zijn werkwoorden, die op de een of andere wijze in elke kerkdienst weer vervoegd moeten worden. Anders is het geen christelijke kerkdienst meer. En ik heb al eerder opgemerkt: de Bijbel is een moeilijk boek dat om uitleg, toelichting en toepassing vraagt. Dat kan op allerlei manieren, maar de preek is er in elk geval een van. Dat er echter aan die preek heel wat gedaan kan – en ook moet – worden om deze vorm van communicatie niet in ruis en storing te laten verongelukken, ligt voor de hand. En even voor de hand liggend is, dat een goede inhoud in een onverzorgde verpakking net zomin te wensen valt als een slechte inhoud in een mooie verpakking.
Acteren Ik denk dat in dit opzicht de dominee verplicht in de leer moet bij
de theaterman (of –vrouw). Hij (of zij) is een acteur en moet dus acteren! Met de inhoud van de preek zit het vaak behoorlijk goed. Zeker met zoveel mondige gemeenteleden in de kerkbank die hun boeken lezen en hun talen spreken, kan geen predikant zich veroorloven om knollen voor citroenen te verkopen. Maar op het punt van vorm zijn vooral de protestantse voorgangers vaak nog uiterst onbeholpen bezig. Schriftlezingen worden dikwijls gortdroog en eentonig verricht, zo niet afgeraffeld, de mogelijkheden van stem, mimiek en gebaar veel te weinig benut. En datzelfde geldt voor de preek. Alsof men nooit van een spanningsboog gehoord heeft, proberen predikers de gemeente twintig minuten of langer dezelfde mate van concentratie af te dwingen met een grote brok zwaar geladen tekst. Dat gaat niet, zeker niet bij het onrustige type mens dat wij in onze samenleving geworden zijn. De prekende dominee moet ook een schouwspel opleveren, en de inhoud, hoe serieus ook, dient af en toe een adempauze te bieden in de vorm van een verhaal, een anekdote, een grap, een woordspeling, een vraag aan de toehoorders. Ik ben zelf predikant en beken eerlijk dat het me ook lang niet altijd lukt, maar ik ben me ervan bewust dat een gedegen voorbereiding van de vorm niet minder belangrijk is dan zorg dragen voor een doortimmerde inhoud. Dat alles gezegd hebbend, herhaal ik dat de preek wat mij betreft zijn tijd nog lang niet gehad heeft. Dat is trouwens iets dat door het merendeel van de kerkgangers wordt onderschreven. Heel veel mensen gaan voor een goede preek. En zoals al eerder opgemerkt, daaronder ligt de grote behoefte aan uitleg en toepassing in het hier en nu van die oude, vaak ontoegankelijke bijbelverhalen. En ja, goede preken kun je ook voor de radio horen, of in prekenbundels lezen. Maar het samen luisteren, actief luisteren, en niet zelden er ook samen over doorpraten, - zoals vroeger bij opa en oma onder koffie en sigaren de preek werd ‘nabetracht’ – heeft een eigen meerwaarde boven het thuis aanhoren of lezen van preken. Vraag maar aan al die mensen, die noodgedwongen door ziekte of andere vormen van overmacht niet meer naar de kerk kunnen gaan.
10. Om de ontmoeting met alle generaties
Van geslacht op geslacht Onze samenleving valt uiteen in allerlei subculturen. Of we daar nu om vragen, of niet, feit is dat er gesproken wordt over ‘de’ jeugd, allochtonen, senioren, moslims, ouderen etc. Soms moet dat ook wel om duidelijk te maken waarover we het hebben. Maar soms suggereert het ook, dat onze maatschappij in allerlei aparte segmenten is opgedeeld, die weliswaar met elkaar de ene samenleving vormen, maar verder in eigen werelden leven. Dat is voor een gedeelte misschien ook wel daadwerkelijk het geval en niet altijd te vermijden. Maar het gebod ‘eert uw vader en uw moeder’ en de prominente rol die de ‘ouden’ of ‘oudsten’ in de Bijbel spelen, wijzen ons erop dat we niet goed bezig zijn wanneer we het gesprek tussen de generaties niet meer kennen. Want leven is een zaak van doorgeven en overdragen. Van geslacht op geslacht. En de kerk is een plaats waar de generaties elkaar kunnen ontmoeten, met elkaar in gesprek kunnen komen, met elkaar van hetzelfde brood en dezelfde beker delen, waar de stemmen zich paren tot samenzang.
Uit de kindermond Voor zover ik op mijn vijftigste over enige wijsheid beschik, heb ik het leeuwendeel daarvan verworven door contacten met oude en heel jonge mensen. Van de kinderen heb ik de verwondering geleerd (en ik blijf in de leer!). We zaten aan tafel met een nichtje en haar twee dochtertjes. Voor het eten bad ik een gebed in de stijl van ‘Here, zegen deze spijze, amen’. Ik vind het zelf ook een wat mager gebedje, maar op dat moment had ik kennelijk niet meer in huis. De kleine Hanna keek me na het gebed met grote ogen aan en vroeg: ‘wat is dat eigenlijk, zegen?’ Mijn antwoord herinner ik me niet meer, maar het was ongetwijfeld inferieur aan de vraag. Met kinderogen kijken en met kinderoren luisteren is levenskunst. Verwondering leidt tot het stellen van de goede vragen en die vragen prikkelen tot het zoeken naar goede antwoorden. Ik vind het een zegen (!) dat tegenwoordig in heel veel kerkdiensten werkelijk ruimte voor het kind is. Dat er af en toe goede inhoudelijke gesprekken met hen gevoerd worden en dat hun reacties en antwoorden serieus genomen worden. Als predikant heb ik meermalen het gevoel gehad dat de essentie van mijn preek al verwoord was door een van de kinderen, die vlak voor mijn preek naar de kindernevendienst gingen. Ze misten dus niets… Kinderen zijn ook hierom zo kostbaar, dat zij mij als volwassenen telkens blijven herinneren aan het kind dat ik ooit zelf was en dat hopelijk nog niet helemaal gestorven is in mij.
Rijk in jaren Helemaal aan het andere eind van de schaal bevinden zich de ouderen. De mensen van ‘voor de oorlog’. Mensen die al zoveel gezien en meegemaakt hebben. Die zich nergens meer over verbazen, maar zich in veel gevallen nog wel weten te verwonderen! Die zolang geleefd hebben, dat ze niet langer slaaf hoeven of willen zijn van de dwang van het ‘hebben’. Zij weten dat ‘zijn’ belangrijker is. Hun vaarwater is misschien stukken smaller dan het mijne, maar het is vaak zo geweldig diep. Ik gun ieder kind grootouders, en logeerpartijtjes bij opa en oma, zoals ik ze zelf vroeger heb mogen genieten. Veel beter dan ouders zijn grootouders in staat om een kind in zijn eigen waarde te laten en serieus te nemen. Net als de ouders hebben ze een overmaat aan liefde te bieden, maar op de ouders hebben ze voor dat ze daarbij ook een zekere distantie kunnen bewaren. De kramp die je als ouders zo vaak wel hebt in de opvoeding, is er bij hen doorgaans uit. Ze weten dat kleintjes groot worden, ze weten dat er een heleboel mis kan gaan in de opvoeding, maar ze weten ook dat dat gelukkig in de meeste gevallen niet tot dramatische ontknopingen hoeft te leiden.
Er bestaan zure en verbitterde oude mensen die denken dat de wereld om hen draait, maar ze vormen gelukkig een minderheid. De meeste ouderen hebben de wijze kunst van het relativeren geleerd. Het relativeren van zichzelf, van allerlei veranderingen en van modieuze verschijnselen. Ze verstaan de kunst om hoofd - en bijzaken te scheiden. Ze weten dat een mens niet alles kan vasthouden in zijn leven, ze weten dat loslaten pijn doet, maar niettemin geleerd moet worden. En door hun leeftijd overzien ze zoveel meer! Ik heb ontzettend veel te danken aan de oude mensen in mijn leven. Als jong predikant hebben ze me zovaak voor valkuilen gewaarschuwd. Soms stapte ik er in mijn jeugdige overmoed toch in, maar in andere gevallen leerde ik mijn lesje tijdig en plukte daar de vruchten van.
En al wat ertussen in zit De pubers, de jongvolwassenen, de jonge ouders, de middelbaren, de jonge senioren, heel dat scala aan leeftijden, elk met een eigen kijk op de wereld, een eigen beleving van de werkelijkheid. Met eigen vragen en zorgen, eigen idealen en bevlogenheid. De kerk is een smeltkroes, waar dat allemaal samenkomt en met elkaar communiceert, tenminste…die mogelijkheden zijn er volop. En wat valt er dan veel te leren van elkaar. Ik ervaar het als een geweldige rijkdom, dat de kerk die mogelijkheid biedt. En ik ervaar het als een geweldige rijkdom, wanneer al die leeftijdsgroepen samen in de kerk eten van hetzelfde brood, drinken van dezelfde beker, samen het Onze Vader bidden en samen zingen. Daarmee delen we iets heel kostbaars, dat verbindt ons ook doordeweeks, zelfs als we weer allemaal in ons eigen segment van de samenleving bezig zijn.
11. Om te blijven beseffen dat ik niet de eerste en niet de enige ben
Mondige mensen Wanneer ik zondag de deur achter me dichttrek en op mijn fietsje stap en me richting Barbara - kerk haast, voeg ik me in een stoet pelgrims die al duizenden jaren door de wereld gaat. Ik fiets naar de kerk, maar ik zou ook kunnen zeggen: ‘ik ga op naar Gods huis.’ Op zondag ben ik een pelgrim, ik ga op bedevaart, zoals tallozen voor mij dat deden en zoals tallozen dat nog altijd met mij doen.
Ik vind dat nog altijd een mooie gedachte, die verbondenheid met ‘de gemeenschap der heiligen’ van alle tijden en plaatsen. Maar het is ook een bemoedigende gedachte: ik ben de eerste niet en ik ben de enige niet.
Onze tijd kenmerkt zich onder andere door een sterke nadruk op eigen verantwoordelijkheid, persoonlijke keuzevrijheid, de mondigheid van het individu. Daar is op zichzelf niets mis mee. Dat heeft ertoe geleid dat gezag niet langer een vanzelfsprekend gegeven is dat gezagsdragers op de automatische piloot kunnen uitoefenen. Het heeft tot de emancipatie geleid van allerlei groeperingen in onze samenleving. Het heeft opgeleverd dat allerlei vanzelfsprekendheden van een gezond vraagteken zijn voorzien. Oude rolverdelingen zijn op de schop gegaan. En in allerlei beroepen worden de werknemers gestimuleerd om toch vooral zelfstandig na te denken, zelfs in beroepsgroepen waarin gehoorzaamheid en een duidelijke bevelsstructuur onmisbaar zijn, zoals de krijgsmacht. Niet langer is het woord van pa, de dominee of de rector onbetwist het laatste woord, zeker niet als pa, dominee of rector menen dat de argumentatie ‘omdat ik het zeg’ toereikend is.
De keerzijde Dat deze algemene emancipatie ook keerzijden heeft, ligt voor de hand. Zeker onder de allochtone bevolking van ons land gelden vaak nog heel andere patronen en leidt vaak tot geweldige spanningen in de gezinnen van deze mensen. Ook danken we er helaas een behoorlijke erosie van omgangsvormen aan. Iedereen kan door iedereen zomaar gejijd en gejoud worden. Een uniform dwingt niet bij voorbaat respect af en agenten, conducteurs en militairen moeten dat primair door hun gedrag afdwingen, wat hun werk stukken moeilijker maakt. Evenals dat van docenten, hulpverleners en geestelijken. Daar valt niets op af te dingen, maar het heeft de samenleving wel wat ingewikkelder gemaakt. Als jongens doken mijn vriendjes en ik automatisch weg als we de dorpsagent op zijn fiets zagen naderen, zelfs wanneer we op dat moment niet verwikkeld waren in enige vorm van kattenkwaad. Die reactie is niet gezond, maar de grote bek die tegenwoordig a priori wordt opgezet wanneer een geüniformeerde beambte zich ergens in mengt, lijkt me ten opzichte van vroeger toch geen wezenlijke vooruitgang. Zomin als het een vooruitgang is dat leraren bedreigd worden, treinconducteurs belaagd, ambtenaren over de balie van hun loket getrokken en artsen afgebekt. Natuurlijk zijn dit excessen, maar ze passen in een cultuur waarin iedereen (zogenaamd) mondig is en zijn rechten (?) meent te moeten laten gelden.
Van collectief patroon naar individuele behoefte Ook op de kerkelijke betrokkenheid heeft de ontwikkeling naar een hoogst geïndividualiseerde samenleving zijn invloed gehad. Terugkijkend op mijn eigen jeugd constateer ik dat in mijn gezin van herkomst kerkgang tot het vaste gezinspatroon op zondag behoorde. We gingen als gezin naar de kerk, want we hoorden als gezin bij de kerk. Mijn ouders hadden daar ook nog eens een belofte voor afgelegd toen ze hun kinderen lieten dopen en ze gaven die belofte gewetensvol gestalte door ons van jongs af aan mee te nemen naar de kerk. Er waren geen speciale activiteiten voor kinderen, geen kindernevendiensten of kindergesprekjes tijdens de dienst. Je zat bij je ouders, later bij je vrienden, je zat de preek gelaten uit, daarbij geholpen door een regelmatige aanvoer van dropjes en pepermuntjes, die mijn vader de zaterdag voorafgaande altijd kocht bij de kapper/sigarenboer bij ons aan de overkant. Zelf wist ik me bovendien vrij goed te vermaken met het kerkboek, waarin achterin allerlei formulieren stonden, die ik weliswaar nauwelijks begreep, maar die me toch boeiden. Over de afsnijding van weerspannige gemeenteleden bijvoorbeeld, een formulier dat ik tot mijn spijt nooit in de praktijk heb horen voorlezen. Zondags gingen we naar de kerk. Ik kan me niet herinneren, daarover ooit een discussie gevoerd te hebben. Afgezien van het feit dat ik de uitkomst daarvan wel had kunnen voorspellen…die discussie was domweg niet aan de orde. Niet in ons gezin, niet bij mijn vriendjes. Met elkaar ging je naar de kerk. Of we daar allemaal nou altijd zoveel aan hadden, is een andere kwestie. Maar kerkgang maakte deel uit van de manier waarop we als gezin in de wereld stonden. ‘Je moet niet, je mag’, was het klassieke antwoord op de vraag die we natuurlijk als kind wel eens stelden. En daarmee was de kous af. Tegenwoordig zouden we al heel snel spreken van gedwongen kerkgang, maar zo heb ik dat toch niet beleefd. Leuk of niet, het hoorde bij de manier waarop we als gezin de zondag doorbrachten.
Tegenwoordig hoor je nogal eens dat mensen naar de kerk gaan ‘als ze er behoefte aan hebben’. Dat is dan bijvoorbeeld in de kerstnacht of bij andere bijzondere gelegenheden. Vaak wordt er verdedigend aan toegevoegd dat je toch niet naar de kerk hoeft om te geloven? Een vraag die je uitsluitend met sussende geluiden kunt beantwoorden, want natuurlijk is dat niet het geval. Maar het criterium ‘als ik er behoefte aan heb’ is zo typisch iets van onze tijd, een zo trendy reactie, dat ik geneigd ben die sterk te wantrouwen op elk moment dat ik zelf constateer, meer behoefte aan uitslapen dan aan kerkgang te hebben. Zoals ik deze reactie wantrouw uit de mond van mensen, die een wekelijkse behoefte aan tot ver na middernacht uitgaan in het weekeinde hebben en daar zondagmorgen van moeten bijkomen. Ik geef toe, dit is een beetje flauw. Maar ik vind dat ook redelijke, oprecht gelovige, serieuze en zeer sociaal betrokken mensen die de kerkgang er om allerlei redenen aan geven en daar vaak ook een heel duidelijk verhaal bij hebben, zich moeten afvragen of ze zichzelf en anderen daar recht mee doen. Dat God deugt, maar zijn grondpersoneel stukken minder, weten we allang. Maar zodra we ons van het grondpersoneel distantiëren, doen we tegelijk heel veel mensen tekort. We ontzeggen hen in elk geval onze eigen voortreffelijke inbreng, die het geheel wellicht op een hoger plan zou kunnen brengen. Ik merk dat het sarcasme nu in mijn pen kruipt, en dat wil ik eigenlijk niet, maar hier verraadt zich nog een stukje frustratie uit mijn tijd als gemeentepredikant. Ik heb nogal wat mensen ontmoet, die zichzelf profileerden als gelovig – en ik had geen enkele reden dat te betwijfelen – maar die over de kerk spraken als over een vermolmd en stervend instituut uit een grijs verleden, waar zij hun eigen spiritualiteit op geen enkele wijze meer meenden te kunnen voeden. Ik was dan zo eigenwijs om te denken dat het in onze kerkdiensten nog zo vermolmd niet was en dat als ik er zelf met vele andere mensen van deze tijd spiritueel nog heel wat aan wist te beleven, ik me niet kon voorstellen waarom zij daar een uitzondering op zouden moeten vormen. Zo’n gesprek hielp natuurlijk ook niet om het tij te keren, maar ik voelde me vaak gekwetst en in een hokje geplaatst met een air van superioriteit dat me kwaad maakte. Er waren natuurlijk ook mensen die ernstig gewond waren geraakt door de grofheden en oneerlijkheden van Gods grondpersoneel en om die reden de kerk de rug toe hadden gekeerd. Maar bij dergelijke verhalen bespeurde ik onder de bitterheid altijd een grondtoon van oprecht verdriet en spijt. Helaas was de drempel door de jaren heen hoger en hoger geworden, maar men miste wel degelijk iets wezenlijks.
Samen Ik pleit voor een herwaardering van de kerkgang, naast allerlei andere redenen, omdat het zo goed en nodig is dat we tegenwoordig als mensen het besef levend houden dat we bij elkaar horen, dat we een samenleving vormen. Maatschappelijk gezien is dat besef zeer gewenst, maar ook op geloofsgebied hebben we dit nodig. Een hernieuwd besef dat we er met elkaar iets van moeten maken. Dat we elkaar nodig hebben op allerlei terreinen. Dat we met elkaar verbonden zijn en om Christus’ wil met elkaar te maken hebben. Om met elkaar die verbondenheid zichtbaar te maken in de wereld, aan elkaar en aan allen die daaromheen staan. Om allerlei waardevolle dingen, tradities, waarden en gewoonten die onze voorouders ons hebben overgeleverd, op onze beurt ook weer te kunnen overdragen. Om zondags onze plaats in te nemen in een eeuwenoude traditie van geslacht op geslacht en zo te voorkomen dat deze traditie verleden tijd wordt. Wat vroeger gewoon en gewoonte was, een vast patroon, is dat voor velen niet meer. Uit gewoonte gaan heeft zelfs een negatieve klank gekregen. En natuurlijk, als het niet meer is dan een uiterlijk gebeuren, is dat onvoldoende. Maar juist in deze tijd, nu we niet meer gaan vanwege de sociale druk van onze omgeving, onze ouders, onze buren, nu we niet meer gaan omdat we anders binnen de kortste keren een ouderling op de stoep hebben, juist nu zouden we moeten overwegen om opnieuw deze gewoonte in ons weekpatroon te integreren, als een goede gewoonte. Waarmee we ons voegen in een stoet van eeuwen, wereldwijd.
12. Om steun te vinden in eeuwenoude rituelen
Zomaar een zondagmorgen In gedachten wandelen we een doorsnee –protestantse kerk binnen. Als u het als lezer anders gewend bent, geldt dat u even een kleine vertaalslag moet doen, maar op hoofdlijnen zal er voldoende herkenning zijn. Het is vijf voor tien. Er klinkt orgelmuziek, veel mensen zitten genoeglijk met elkaar te keuvelen, op de tafel voorin staat een prachtig boeket bloemen, er brandt een kaars. Als de klok tien slaat, komt een groepje mensen ergens van achteruit het gebouw in ganzenmars naar binnen, waaronder iemand, vaak een man, soms een vrouw, in toga. Die toga kan zwart zijn, maar ook wit, grijs of beige, en heel vaak heeft de predikant om de hals ook nog een gekleurd soort sjerp hangen.
Na wat huishoudelijke mededelingen begint de dienst met de eeuwenoude woorden: ‘Onze hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw houdt tot in eeuwigheid en niet laat varen wat zijn hand begon’. En vervolgens klinkt de groet en wordt ons namens die Heer genade en vrede toegewenst. Zware woorden, maar wat zeggen ze veel! Het is alsof ons in de vrieskou een warme mantel wordt aangereikt. Hierin mogen we ons geborgen weten. We worden omgeven door liefde en trouw, wat er ook gebeuren mag. Een eerste eeuwenoude rituele formule, waaraan mensen in alle eeuwen troost en bemoediging ontleend hebben.
Kind, wij geven je uit handen En zo wordt er van alles gezegd en gedaan in een kerkdienst, dat generaties voor ons ook al hebben gezegd en gedaan. Natuurlijk, daarbij dreigt altijd het gevaar dat voorganger of gemeente ‘m op de automatische piloot zetten. Maar groter dan dit gevaar is toch de kracht van al die eeuwenoude woorden en gebaren. Door de herhaling worden ze deel van je eigen levensprogramma, ze belanden op de harde schijf van je innerlijke leven en vormen bronnen waaruit je kunt putten. Naast allerlei rituele formuleringen en gebaren kennen we in de christelijke traditie de sacramenten. Zeven bij de rooms-katholieken, twee in de protestantse traditie. Ik beperk me tot de twee die de protestantse traditie kent: doop en avondmaal. Sacramenten, eeuwenoude rituelen met water, brood en wijn, waarin ik steun vind. Om te beginnen de doop. Het is een voorrecht om vader van een aantal kinderen te zijn. Ik mag daar uit ervaring van spreken en kan zonder overdrijving zeggen dat mijn kinderen mijn leven, mijn gedachten en mijn emoties in hoge mate in beslag nemen. Hun welzijn, hun toekomst, hun geluk, hun levensvreugde, hun ontwikkeling, hun veiligheid…dergelijke dingen staan hoog op de prioriteitenlijst van mijn eigen leven. Hun zorgen zijn ook mijn zorgen, hun verdriet het mijne. Alles zou je willen geven voor het geluk van je kinderen. Voor elk gevaar en elke misstap zou je ze willen behoeden. Elke kwetsuur ze willen besparen. Tegelijkertijd weet je dat je als ouder al direct na de geboorte de kunst van het loslaten moet leren overmeesteren. De eerste stapjes van de peuter zijn een feest, maar tegelijkertijd ervaar je indringend dat vanaf dat moment jouw kind zijn eigen richting gaat kiezen, op eigen benen gaat staan en gaan. Loslaten, aanvaarden dat je kinderen zelfstandig mens worden, hun eigen weg gaan, hun eigen fouten maken, hun eigen lessen moeten leren, is een zware taak. Want als volwassene weet je van alle gevaren van de wereld. Ik herinner me de dagelijkse afscheidsgroet van mijn moeder als ik op mijn brommer naar school scheurde: ‘doe voorzichtig!’ Dat vertederde en irriteerde me altijd tegelijk. Ik proefde de liefde onder die waarschuwing, maar achtte mezelf als zestienjarige natuurlijk volstrekt onkwetsbaar. Intussen zeg ik al jaren precies hetzelfde, wetend dat ook mijn kinderen die waarschuwing natuurlijk volstrekt overbodig vinden. In de kerk worden kinderen gedoopt. Daar vallen allerlei diepe betekenissen aan te hechten, het Griekse woord voor dopen, baptizein, hangt taalkundig ook samen met het woordje ‘diep’. Voor mezelf heb ik er vooral die betekenis aan gehecht, dat ik bij de doop mijn kinderen in Gods handen leg, loslaat, uit handen geef, vanuit het vertrouwen dat zelfs in de diepste diepten Gods handen hen dragen. Dat geeft steun, troost en moed om hen los te laten en de ruimte te geven, je onmacht te aanvaarden en tegelijk ook zelf in Gods naam hen te blijven omgeven met je liefde.
Heel bijzonder zijn in mijn beleving ook die diensten, waarin volwassen mensen, van achttien tot tachtig, gedoopt worden. Zij komen op eigen benen, hebben zelf de keuze gemaakt om door de knieën te gaan en hun leven onder Gods gezag te stellen. Daar kan een heel levensverhaal aan voorafgaan. En wat is het indrukwekkend om een groot mens zichzelf vrijwillig te zien buigen. Daar wordt iedereen even een beetje klein en stil van.
Doorgeven en delen Het Avondmaal, of de Eucharistie, of hoe u het ook wenst te noemen, is in de protestantse kerkdiensten dikwijls een enigszins geladen gebeurtenis. Dat heeft deels te maken met allerlei theologische erfenissen uit het verleden. Ik weet niet of ik dat aan de generaties na mij nog kan uitleggen, maar er is in de kerkgeschiedenis een lange periode geweest, waarin veel mensen het Avondmaal ‘meden’ (dat heet dan ook: Avondmaalsmijding). Dat vluchtgedrag had vooral te maken met een bepaalde interpretatie van uitspraken van de apostel Paulus. Wie deelneemt aan het Avondmaal, dient dat volgens de apostel ‘waardig’ te doen. Veel mensen legden dat ‘waardig’ uit als ‘ zonder spoortje twijfel in je geloof en zonder wanklank of smet in je leven en je gedrag’. Wie zijn eigen leven langs deze meetlat legt, zal altijd ontdekken een stukje tekort te komen. En uit angst ‘zich een oordeel te eten en te drinken’ (ook Paulus) deed men dan maar liever niet mee, bleef zitten als de anderen naar de Avondmaalstafel liepen, of bleef maar liever thuis als er Avondmaal gevierd werd in de kerk. Men sprak doorgaans over het Heilig Avondmaal en dat woordje ‘heilig’ bevorderde natuurlijk ook niet dat men onbekommerd aanschoof. Katholieken hadden en hebben van dit alles minder last, maar in protestantse kerken kan men tot op de dag van vandaag mensen ontmoeten, die -vaak tot hun eigen verdriet - de drempel naar het Avondmaal nooit hebben weten over te steken. Ik moet er nog een notitie bij maken: het Avondmaal was in de protestantse kerken lange tijd voorbehouden aan die leden, die niet alleen gedoopt waren, maar ook openbare belijdenis van hun geloof hadden gedaan. Kinderen kwamen dus niet aan het Avondmaal, als ze er al waren tijdens een Avondmaalsviering (een extra lange dienst, dus moeder bleef nog wel eens thuis met de kinderen als het Avondmaal was!). Er is intussen op veel plaatsen wel het nodige veranderd in de beleving van het Avondmaal, en dat heeft vooral te maken met het feit dat er bijbels –theologisch eigenlijk niet echt gegronde redenen te bedenken zijn waarom niet ieder gedoopt gemeentelid, jong of oud, aan het Avondmaal zou mogen deelnemen. Hernieuwde bezinning op dit thema heeft ertoe geleid dat in een toenemend aantal kerkgemeenschappen ook de kinderen en de ‘niet - belijdende’ leden (d.w.z. die geen openbare belijdenis hebben gedaan) deelnemen aan de viering. Het is duidelijk dat daardoor de sfeer van die viering aanmerkelijk verandert Het geheel wordt meer laagdrempelig, minder stijf, minder ‘plechtig’, feestelijker, en toch niet minder stijlvol en serieus. Het besef blijft terdege aanwezig dat we deze symbolische en rituele maaltijd vieren om te denken aan Jezus Christus en zijn ‘Laatste Avondmaal’, vlak voor Hij het laatste traject van zijn lijdensweg inging. Maar dan weten we ook dat Hij bij die laatste rituele maaltijd de tekenen van brood en wijn uitdeelde aan een stelletje losers die Hem stuk voor stuk in de steek lieten, op de vlucht gingen, Hem verraadden of verloochenden, hun geloof kwijtraakten of hevig aan het twijfelen sloegen. Met andere woorden: lager kan de drempel haast niet.
Erbij horen Als ik naar de kerk ga en Avondmaal vier, ervaar ik dat ik erbij mag horen. Bij de family of God, en meer in het bijzonder bij dat groepje familie, dat op dat moment in Culemborg in de Barbara -kerk bijeen komt. We staan en zitten in een paar grote kringen in het schip van de kerk, zingen samen, bidden hand in hand het Onze Vader, en reiken elkaar het brood en de wijn aan. Hoewel wij Nederlanders altijd een beetje ongemakkelijk zijn bij dit soort ceremoniële gebeurtenissen en daarna graag weer ‘gewoon doen’, ervaar ik toch dat dit kostbare momenten van verbondenheid zijn, die ver uitstijgen boven leeftijd, maatschappelijke positie, sekse, huidskleur en andere zaken waardoor we ons van elkaar onderscheiden. We horen bij elkaar en we horen met elkaar bij de Heer die dit ritueel heeft aangereikt om te blijven voltrekken ‘totdat Hij komt’. En behalve deze kerkelijke Avondmaalvieringen heb ik in mijn herinnering een aantal kostbare momenten opgeslagen, waarop we het Avondmaal vierden in een kleine kring. Bij een ernstig zieke vrouw in het ziekenhuis, omringd door haar meest geliefde mensen, een dag voor haar overlijden. In een internationale ontmoeting met christelijke militairen uit de hele wereld. In Hongarije en Roemenië, waar ik naast mijn lokale Hongaarstalige collega, gehuld in een geleende traditionele zwarte toga, het brood mocht uitreiken aan de gemeenteleden, slechts een paar jaar nadat het IJzeren Gordijn was weggeschoven en iedereen nog in een lichte roes van verwondering leefde omdat dit soort ontmoetingen nu zomaar mogelijk waren geworden. In de kerkdienst vieren we de verbondenheid van mensen in Jezus’ naam. En is er een beter ritueel denkbaar dan een maaltijd om die verbondenheid gestalte te geven?
Maxima, Claus en Juliana Een enkele keer gebeurt het, dat vrijwel heel Nederland virtueel ter kerke gaat. Dat is het geval als in de koninklijke familie een heuglijk of droevig feit plaatsheeft. De bruiloft van prins Willem Alexander en Maxima (met dominee Carel ter Linden), de begrafenisplechtigheid van prins Claus (met Huub Oosterhuis), die van koningin Juliana (met domina Hudig) en die van prins Bernard werden door talloze mensen gevolgd. En unaniem oordeelt het Nederlandse volk positief over dergelijke diensten. Dat is niet alleen omdat deze diensten een hoog gehalte aan royalty-watching bieden, het is wel degelijk omdat mensen geraakt worden door deze plechtige godsdienstoefeningen. Door de zorgvuldige en stijlvolle woordkeuze van de predikanten in gebeden en prediking, door een mooi ritueel (zoals het aansteken van de kaarsen rond de kist van koningin Juliana onder het uitspreken van een bijbeltekst door de kleinkinderen) en door een lied dat zeggingskracht en geloofsovertuiging uitdraagt ( A Toi la Gloire). De kerk is goed in dit soort dingen. De kerk heeft op het terrein van rituelen voor trouw en rouw en andere hoogte - en dieptepunten in het leven een heleboel woorden en gebaren in huis. Een heleboel mooie liederen en oratoria, prachtige, passende en bemoedigende teksten, het Onze Vader, de zegen, de psalmen, de paaskaars, het wijwater (herinnering aan de doop) en noem maar op. En je hoeft niet van koninklijken bloede te zijn om met die kant van de kerk in aanraking te komen. Zo ergens, dan laat de kerk zich vaak in tijden van trouw en rouw van de beste zijde zien. Ook bij nationale rampen, waar we er helaas in de afgelopen jaren de nodige van gezien hebben ( de Bijlmerramp, Enschede, Volendam) of bij internationale crises kan de kerk met een know how van eeuwen zinvol en zegenrijk aanwezig zijn. Op die momenten, dat de vreugde te groot is om voor jezelf te houden, en op die momenten dat het verdriet ons zwaar en stil maakt, ben ik dankbaar dat er een plaats is, waar woorden en liederen en gebeden zijn waarin ik mezelf kan vinden of hervinden. En waar, als ik niet meer kan zingen, anderen de toon blijven zetten en voor mij uitspreken wat ik op dat moment misschien niet kan, maar waar ik me aan vasthoud en waardoor ik vastgehouden word.
13. Reacties van lezers
In ‘De Kerk Roept’, regionaal kerkblad voor het Gelderse Rivierengebied, en in het Culemborgse kerkblad, dat bij hervormde, gereformeerde en lutherse kerkleden maandelijks in de bus rolt, heb ik een oproep geplaatst waarin ik mensen om reacties vroeg op de vraag ‘waarom zou ik naar de kerk gaan?’
Diverse mensen namen de moeite om te reageren. Velen mondeling, anderen met een brief of een e-mail. Hartverwarmende en vaak heel persoonlijke reacties waren dat. Uit de schriftelijke reacties heb ik de nu volgende bloemlezing bijeengebracht. Een hoofdstukje getuigenissen, van mensen die nog, of weer, of niet meer gaan.
Ik heb heel veel verdriet, maar na een goede preek kom ik weer getroost en vol goede moed thuis. Samen luisteren en vooral er ook over napraten en van gedachten wisselen is heel belangrijk…Vooral als nieuw- ingekomene ( ik ben na het overlijden van mijn man naar een verzorgingshuis verhuisd) is het fijn om via de kerkgang contact te krijgen met mensen die mij als hun zuster zien. Een vriendelijk woord maakt dan dat je weet: ‘ik hoor erbij’. Ik ga naar de kerk om steeds weer opnieuw de verkondiging van Gods Woord te horen en temidden van een gehaast leven even tot bezinning te komen...Als ik het even niet meer zie zitten, kan ik meteen contact opnemen met mijn predikant. Hij en ook goede kerkenraadsleden zijn heel belangrijk voor een goed gesprek, bijbellezing en persoonlijk gebed.
Huisvrouw, 80 jaar
Ik ga naar de kerk om te bidden en te danken, de bijbel te lezen en voor de uitleg. Vroeger hadden mijn vader en moeder graag dat we zondags thuiskwamen en ik denk dat onze Vader in de hemel er net zo over denkt. Want als er op de kachel geen kooltjes worden gedaan, gaat hij uit.
Huisvrouw, 72 jaar
Waar kun je in deze hectische wereld ( waan van de dag )mensen ontmoeten om samen te zingen, stil te staan bij de dingen die in deze wereld gebeuren? Waar kun je samen bidden, werken aan "derde" wereldprojecten en waar krijg je nog de zegen? Kortom, het naar de kerk kunnen gaan ervaar ik als een stukje genade. Het boven de waan van de dag uitkomen en de innerlijke rust vinden om ook iets te doen aan deze wereld. Samen lichtpuntjes ontdekken en die zijn er vele...
Man, vijfig plus, vader
Ik ben opgegroeid binnen de katholieke traditie waarin een der kinderen priester zou moeten worden en dat in een periode dat de tweede wereldoorlog volop woedde (ik was ruim zeven toen deze oorlog uitbrak).Van jongs af, zolang ik mij iets kan herinneren, was ik daartoe bestemd. Want het is toch mooi om priester te zijn. We gingen zelfs dagelijks naar de kerk. Maar ik wil praten vanuit mijn ervaring van de afgelopen vijfentwintig jaar waarin ik toch feitelijk iedere zondag naar de kerk ga. Toentertijd deed ik namelijk de ontdekking dat ik leegte ervoer en nauwelijks meer toekwam aan religieuze zelfreflectie. In mijn dagelijks werk met studenten deed ik vrij veel aan zelfreflectie binnen het kader van de supervisie, over het werk en over henzelf (studenten van de dagopleiding) en mijn betrokkenheid daarbij. Met de post - H.B.O.- studenten
( mensen die al jaren in het vak zaten) deed ik dat ook en dat was vanwege hun ervaringen vaak heel indringend en confronterend. Maar wat ik miste was een vorm van toetsing van mezelf. Ik miste letterlijk de toetsing aan een bron van inspiratie, die ik wel altijd in de religie had gevonden Het was het moment dat ik ging shoppen in de kerk op zoek naar oude maar vooral ook naar hedendaagse waarden en normen, op zoek naar “Iets” dat mensen en derhalve ook mijzelf kon inspireren. Ik was gestopt met mijn werk voor de parochieraad in de katholieke kerk. De toentertijd dienstdoende pastoor was een hele lieve en aardige man die met name voor de kinderen leuke en lieve verhaaltjes uit zijn missiepraktijk (27 jaar China) kon vertellen, maar weinig inspiratie bood hoe kerk te zijn in het postconciliaire tijdperk. Ik had daar echt behoefte aan op basis van mijn voorgeschiedenis. Onze kinderen die toen regelmatig naar de zondagschool gingen, kwamen met vragen en de dominee gaf daar weinig of geen antwoord op. Mijn vrouw ( kerkenraadslid) kwam in aanvaring met eerwaarde heren die haar ‘als vrouw in het ambt’ geen hand konden geven voor de dienst. Ik was boos, letterlijk ver-ont-waard-igd en de ‘broeders’ waarmee ik in gesprek ging, trokken zich in hun egelstellingen terug. Na wat omzwervingen ( o.a. bij ds. X. te Y.) kwam ik bij een dominee terecht, die me vanaf het eerste moment aansprak. Indringend, confronterend, exegetisch, vragend, tot keuzes uitnodigend, in spannende en mooie taal, maar vooral viel het me op dat hij steeds ontwapenend zichzelf was, met humor en ernst, met alle gaven voor samenlevings - (gemeente)opbouw, pastoraal open en betrokken, en mensen aansprekend en wervend voor de vele initiatieven en mogelijkheden die hij zag en inspirerend er bij hield, met oog voor kleine attenties en details om het gaande te houden.
Inderdaad leerde hij me zien, wat hem bewoog en hoe hij dat in praktijk bracht. Moeilijke onderwerpen over dood, lijden, dodelijke ziekte, verdriet, eenzaamheid, ging hij niet uit de weg. Maar hij sprak ook over de rijkdom van de Geest, de vreugde van het samen kerk - zijn op zovele niveaus. Zijn belezenheid, zijn heldere beelden. Daarom ging ik bij hem naar de kerk omdat ik antwoord kreeg op mijn zoeken en verwachtingen die ik zelf als beginnend priester in het conciliaire tijdperk koesterde, maar die ik binnen die RK kerk zag afbrokkelen, omdat ik mensen niet tot de sacramenten mocht toelaten, eenzamen, hulpelozen, in ellende verzeilde vrouwen en mannen, die ik het gevoel wilde geven, dat ze zoals ze waren, erbij mochten horen en verdienden geholpen te worden. Kinderen er bij betrekken en catechese heel dicht bij hen te brengen door de schepping met hen te dansen en verbeelden i.p.v. onze dogmatische abstracties te moeten overhoren. Natuurlijk heb ik toen en nu me afgevraagd of ik niet te veel daarin aan deze predikant als persoon gebonden was. Dat ben ik ook, alleen ik vind dat de kerk mede in hem gestalte kreeg en nu blijf ik er niet meer voor weg bij anderen, bij wie dat weer anders vorm krijgt. Ik blijf natuurlijk wel kritisch, maar binnen die ruimte kan ik ook me zelf wel blijven vasthouden en binnen die anderhalf uur op zondagmorgen doe ik inspiratie op, hetzij samen met anderen, of ondanks mijzelf en anderen. Ik kan mezelf toch confronteren aan het Woord, de discipline opbrengen daar regelmatig mee bezig te zijn en te groeien…. Dat ik niet als een eenling en alleen van eigen gelijk vervuld doordram, doch objectiverend met anderen ‘het geven niet wil verleren’…Binnen de kerkelijke traditie ligt een geweldige rijkdom vervat aan Woord, gebed, tekst en uitleg, aan symboliek en rituelen, vieringen, en prachtige muziek. Hoeveel schoonheid, kunst en cultuur is er door die traditie heen inspiratiebron geweest. Dat snuif ik inderdaad met graagte op en hoe heerlijk is het dan om dat samen met anderen te doen. Daar is die plek toch voor gemaakt, daar ontmoet je toch mensen, vanuit die zelfde traditie en cultuur, daar leer je en wil je toch graag bidden, mediteren, stil worden en zijn, gevoed en hernieuwd geattendeerd worden op verrassende nieuwverworven inzichten, aansluitend op de nood van de wereld. En dat in ontmoeting met alle generaties. Hoe kan ik intens genieten en verrast worden door spontane kinderantwoorden, wat heb ik veel geleerd van de oudere leden van het leerhuis, van mijn schoonvader, van de jeugd met wie we de musical Esther hebben opgevoerd. Gemeenteavonden, vrijwilligersbijeenkomsten, fietstochtjes, Paasontbijt, acties etc... Voor mij is die bijbel het grote verhaal van iedere mens, dus ook vooral van mij. Van mijn wordingsgeschiedenis tot aan mijn verwachting over de grens van mijn leven heen. Van Zon, Warmte, Hoop, Leven, Liefde, Pijn, Verdriet, Eenzaamheid, Dood, Opstanding, Kracht, Verlossing, Acceptatie, Strijd, stil bidden en jubelend zingen als Godsvolk onderweg. Daar heb ik de kerk als leefplaats voor nodig en niet als een instituut dat mij de enige rechte en zuivere leer voorhoudt, het alleenrecht op het grote gelijk van binden en ontbinden en de abstracties van een maakbare God. Liever het instituut waar ik leef met vallen en opstaan, waar ik genade en troost vind, waar die kerk een beroep op me doet voor elkaar zo goed als God te zijn. Want de Kerk is Zijn Verhaal met ons onderweg door dik en dun en is dat niet mysterieus?…Inderdaad heb ik het besef nodig dat ik niet de eerste en enige ben die de moeizame wegen van de kerk bewandel. Neen, daarom sta ik al te lang in die traditie met de kerk die mensen uit haar midden roept tot vervulling van het ambt en kerk zijn door te participeren. Ik houd van de dienende kerk en ik ben allergisch geworden voor de machtige leiderspositie. Ik realiseer me dat er spanning bestaat tussen dienen en leidinggeven, doch ik zie liever de manier van de synode die zoekt, argumenteert, ruimte laat en mensen niet verkettert om ze binnen haar gelederen te houden, mensen in ieder geval niet uit te sluiten, hoe moeizaam ook. We waren zo goed onderweg, zegt Simonis, met de oud-katholieken, maar nu ze de vrouw in het ambt hebben aanvaard, staan we weer bij af. Want dat is principieel. Hoe kijkt hij nu naar zijn eigen kerkprovincie? Wat betekent dit voor al die vrouwen die op dit moment zo een grote bijdrage leveren juist aan die kerk. Ik heb niet de wijsheid in pacht om leiding te geven, ik weet van binnenuit hoe moeilijk dit is, maar heb je dan nooit van ontwikkeling gehoord? En wil je je dan niet verdiepen in het gegeven waartoe en met welke redenen zij daar wel toe besluiten? Klaarblijkelijk snap ik iets niet van die hogere kerkorde, maar ik heb wel die kerk steeds nodig om de al vele genoemde redenen. Maar ik wil inderdaad het kind niet in mij verliezen, ik wil groeien, ook nu nog steeds en mij verwonderen over de vitaliteit van de kerk of het gebrek daaraan. Spankracht zoek ik in die kerk, antwoord willen zijn om mensen te blijven boeien. Omdat ik voortdurend op anderen ben aangewezen en ik samen met al die mensen de inspiratie van onze God levend wil houden in een wereld waarin mensen elkaar op grond van’religieuze argumenten’ naar het leven staan, terreur plegen en geestelijke leiders zich niet verzetten tegen deze vormen van fascisme. Ik voel me niet door ‘het hogere’ aangeraakt en heb als zodanig geen boodschap te brengen. Wel heb ik de onuitwisbare indruk dat waar mensen in naam van de (gepraktiseerde) Liefde samen zijn, God echt bestaat en aanwezig is…Als ik een wens zou mogen doen, is het dat de volgende Paus zou zeggen: ‘weet je wat, jongens? Wij stellen al onze schatten van de traditie ter beschikking en we maken er een groot museum van; we richten op een met elkaar ( en dan bedoelt hij: ‘met alle grote Godsdiensten ter wereld’) te bepalen plaats een centrum in waar we gaan zoeken naar wat ons bindt en niet van elkaar vervreemdt.’ Zo kunnen we werkelijk GODS VOLK ONDERWEG worden. Maar dat heet Utopia, geloof ik.
Man, zestig plus, gepensioneerd universitair docent
U had ook kunnen vragen: waarom zou ik NIET naar de kerk gaan? Als je sportman bent en lid en nooit naar de club gaat, dan raakt het gedaan met je sport en club. Maar in de kerk komt er iets moois bij. Het geloof is heel belangrijk voor mij en voor velen. Dan is toch de zondagsdienst het mooiste van de week. Samen met de gemeente. Ook al valt de prediking soms niet goed. Je bent toch samen. Daarom nogmaals: waarom zou ik NIET naar de kerk gaan?
Huisvrouw, zeventig plus
Ik ga niet meer naar de kerk. Daar kijk je misschien niet zo van op, daar er velen zijn die wel geloven maar niet meer naar de kerk gaan. Waarschijnlijk komt dit door het instituut kerk. De kerk staat zo ver af van wat in ons dagelijks leven gebeurt. En toch zijn er wel kerken waar ze de vorm om samen te bidden, te zingen en met elkaar in gesprek te zijn, hebben gevonden…In mijn jeugd moest ik twee keer per zondag mee naar de kerk. Ik heb het heel lang nog volgehouden om een keer per zondag te gaan. En ik ben ook heel lang graag gegaan. Veel werk verzet binnen de kerk, samen met mijn man. Maar toch zo teleurgesteld in de kerk, wie dat dan ook zijn, dat ik nog steeds de weg niet terug gevonden heb. Sinds 1996 ben ik al niet meer regelmatig gegaan…Er leeft wel een verlangen in mij, maar ik heb nog geen actie ondernomen om toch weer samen te bidden en te zingen. Wie weet word ik nog eens aangeraakt door ‘het hogere’. Ik blijf zoeken!
Vrouw, veertig plus, moeder, verpleegkundige
Waarom zou ik naar de kerk gaan?... De vraag veronderstelt dat er een aantal redenen dan wel argumenten op te sommen zijn die de (kerk)gang rechtvaardigen. Dan kan, maar dan is het vizier wel erg gericht op de mondige gemeente die zelf bepaalt. Er is ook een andere zijde. God die bouwt aan zijn koninkrijk en mensen rekruteert, inzet en trekt, ondanks hun eigen inbreng. De kerk is geen piste waar wij vermaak zoeken, maar wellicht meer een arena waar wij zelf moeten vermaken op leven en dood. De vrijblijvendheid tegenover de noodzaak. De sigaar en een glas cognac tegenover de hunkering. Wat te denken van kinderen die het woordje ‘argument’ niet kennen? Gaan wij pas wat doen als ons duidelijk voor ogen staat waarom we iets doen? Waar zit het impulsieve, het raadsel willen ontwarren wat en wie God is, maar ook het willen dienen.
Het waarom beantwoorden voor je zelf verarmt het; of we een splintertje traceren en de balk over het hoofd zien.
De kerkdienst is een moment tussen twee werelden. Een week die voorbij is en een die komt. Ontlading en opladen, een oud en nieuw gevoel. Al met al een kruitvat vol gedachten komt daar in zo’n kerkdienst samen, waar een dominee losse flodders op loslaat. Vaak zijn enkele woorden der predikant al voldoende om wat orde in die gedachte te scheppen, maar dan wordt wel de essentie van wat de beste man voor ogen staat, weggedacht.
Gedachten kanaliseren, onder woorden brengen, er zinnen van maken; bezinning?
Dat zou feitelijk al voor de kerkgang moeten gebeuren en dan letterlijk. Niet vlug vlug, maar een stevige wandeling ter kerke, die gedachten reinigt, schoont, vereenvoudigt. Daarom ook niet te snel met preken beginnen. Je moet er even inkomen. Laat een deel der dienst een vorm zijn die aperitief werkt, klaar maakt. Wij moeten als mens van zo heel ver komen eer we bij zijn. Echt hongerig zijn we niet, want er ligt nog teveel te zwaar op onze maag.
De energie die predikers in een preek stoppen, komt vaak bij de goegemeente niet aan. Preken vervliegen. Dat ligt grotendeels aan de hoorders die veel meer eerst denkers zijn. Preken moeten vaak steviger zijn, vastere vorm aannemen. Op schrift meegeven, opnemen, afdraaien (video?). Hoe vaak lezen we een mooi boek? Twee keer? Waarom een dienst geen twee of zeven keer? Er zit zoveel in omdat er zoveel in is gestopt. Wij doen de dominee, maar ook God tekort door preken te laten voorbijgaan. Een preek hoeft niets te doen. Wij moeten grijpen, vasthouden!
Toch wel wat lomp om zo over het predikambt te schrijven. Je komt immers zo wel bij de vraag uit: waarom zou een predikant naar de kerk gaan? Het resultaat van 1000 diensten waarvan we rustig zeggen dat we aan een paar wel wat gehad hebben, is niet erg stimulerend voor de voorgangers.
Ach, het zit denkelijk anders in elkaar en laat zich uiterst moeilijk op schrift zetten. Het mystieke van God en mensen in een kerkdienst laten bijeenkomen is een vorm die voldoet, maar nooit bevredigt.
Man, veertig plus, vader, restaurateur
14. Bijlagen
Bijlage 1: Een briefwisseling In het najaar van 2003 verscheen in ons Culemborgse kerkblad een artikel van de hand van Henri Veldhuis, predikant van de hervormde gemeente te Culemborg over de zondagse kerkgang. In de daarop volgende editie van het kerkblad reageerde een van de lezers, emeritus -predikant Maarten Hooimeijer, met een openhartige en zeer persoonlijke brief. Weer een maand later konden we de reactie lezen van een ‘gewoon gemeentelid’, Rien van der Veer. Deze briefwisseling leverde in kerkzalen en huiskamers heel wat gespreksstof op. Wat uiteindelijk ook de bedoeling was natuurlijk.
Gaan we morgen ook naar de kerk?
Niks te klagen
Soms zijn er onderwerpen, die een tijdlang sluimeren in je (onder)bewustzijn, totdat ze zo wakker zijn geworden dat je denkt: Nu moet ik er eens over praten of schrijven. Zo’n onderwerp wil ik graag nu aan de orde stellen; het gaat over de kerkgang, maar eigenlijk over gevoelens en motieven die daarachter liggen.
Over kerkgang in onze gemeente heb ik niet te klagen, zo zult u zeggen. Dat is ook zo; daar ben ik blij mee, en dat geldt niet alleen de kerkgang.
Toen ik een jaar of vijftien geleden besloot dominee te worden, had ik nog steeds veel twijfels over ‘de kerk’ in Nederland. Zou die wel blijven bestaan? Steeds minder mensen gaan naar de kerk, geloof wordt steeds minder belangrijk in onze samenleving. Moet ik aan die kerk m’n hele beroepsleven gaan wijden? Is dat vol te houden: werken voor een verloren zaak, of in ieder geval: een verloren instituut?
Inmiddels denk ik daar anders over. Als gemeente hebt u mij zelf ‘bekeerd’ en op andere gedachten gebracht. Mijn geloof in de Kerk (met een hoofdletter) is gegroeid, en met veel voldoening werk ik in een mondige en levenslustige gemeente.
Minder plicht, meer vrije keuze
Hoewel ik na zoveel jaren predikantschap dus meer vertrouwen heb in de toekomst van de kerk dan vroeger, leeft er bij mij toch een zekere onrust en zorg die ik hier eens aan u kwijt wil. Daarbij spits ik het onderwerp toe op de kerkgang, hoewel het om meer gaat.
In gemeenten zoals die van ons, is er een groot verschil met de kerkgang van vroeger. Het is voor veel gemeenteleden geen automatisme of strenge plicht meer om elke zondag naar de kerk te gaan. Veel sociale controle is verdwenen, waardoor het gemakkelijker is geworden om ‘een keer’ thuis te blijven. In heel wat huizen en gezinnen wordt zaterdagavond laat nog even gevraagd: ‘Gaan we morgen ook naar de kerk?’.
Ook kinderen en jongeren worden minder dan vroeger verplicht of gedwongen mee te gaan naar de kerk (of catechese). Veel ouders stellen vaak nog wel de vraag: ‘Ga je morgen weer eens een keer mee?’, maar hebben geen zin in discussie of ruzie.
De meesten van ons zullen niet terug willen naar vroeger, en dat kan ook niet; daarvoor is onze samenleving te veel veranderd. We zijn mondiger geworden, ook op het terrein van geloof en kerk, en als het dan toch lukt om met elkaar een vitale gemeente te zijn, ben je daar extra blij mee. Want het is belangrijk dat ons geloof zoveel mogelijk vorm krijgt vanuit een vrije, bewuste keuze.
Maar toch
Toch is er een aantal feiten, dat laat zien hoe zwak en kwetsbaar ons kerk -zijn desondanks misschien wel is. Ik illustreer dat aan de hand van de kerkgang:
Veel gemeenteleden vinden geloof en kerk ‘wel belangrijk’, maar laten de kerkgang ook gemakkelijk ‘een keertje’ schieten. Eén keer per maand naar de kerk is ook trouwe kerkgang nietwaar?
SOW -diensten, een oecumenische dienst of diensten met een gastpredikant zijn al snel een gemakkelijke reden om ‘een keer’ over te slaan.
Of het was weer zo’n drukke week, dat je de zondagmorgen hard nodig hebt om uit te slapen en rustig op gang te komen.
Er zijn nogal wat doopouders die in de afgelopen jaren duidelijk ‘ja’ hebben gezegd op even duidelijke doopvragen, maar weinig of nooit in de kerk komen.
Er zijn zelfs gemeenteleden die in de afgelopen tien jaar ‘openbare belijdenis van hun geloof’ hebben afgelegd, maar weinig of nooit meer in de kerk komen.
Er zijn jonge stellen die met veel overtuiging tegen mij gezegd hebben, dat ze in de kerk willen trouwen, en dat gebeurt dan ook; maar sommigen zie ik zelden of nooit meer terug.
Er zijn nabestaanden van overledenen, die dankbaar zijn voor de begeleiding van pastor, dominee en kerk bij het overlijden van hun geliefde. Maar ze komen later niet meer naar de kerk om die gemeente ook zelf te dragen en sterk te maken.
Verantwoordelijkheid
En zo kan ik nog veel meer voorbeelden geven. Wil ik terug naar vroeger? Nee zeker niet. Bovendien gebeurde dit vroeger ook allemaal. Toch is er een belangrijk verschil. Vroeger was er in de breedte van de gemeente meer plichtsbesef en sociale controle, al bestond ook toen (evenals nu) de kern van de gemeente uit mensen die bewust instonden voor hun geloof en kerkelijke betrokkenheid. Maar in onze tijd is het accent op bewuste en vrije keuze veel sterker geworden, waardoor ons kritische of luie consumentengedrag ook flink is toegenomen. Ik bedoel dit soort gedrag:
- De dominee moet wel heel goed preken, anders zul je niet zo vaak meer komen.
- Een kerkdienst moet iets bijzonders hebben (een goed koor, een bijzonder optreden, een ‘stunt’), dan kom je. Een ‘gewone’ kerkdienst is veel te saai.
- Kerkdiensten moeten leuk en gezellig zijn en vooral niet te moeilijk. Die psalmen..., die liederen uit het Liedboek..., daar kun je toch niet meer mee aankomen in deze moderne tijd, bij je kinderen?
- Als je een leuk bedrag Kerkbalans betaalt is één keer per maand naar de kerk toch ook al heel wat?
- De dominee moet niet zeuren, want lid zijn van de cantorij of een gesprekskring is al een hele investering.
- De kerk is een nuttig instituut en een volle kerstnachtdienst is genoeg om dat instituut in stand te houden.
- Vooral sport is natuurlijk een mooie reden om de kerkgang weer even over te slaan.
- Etc.
Ik chargeer een beetje, maar deze voorbeelden geven toch genoeg herkenning, denk ik. Bij allerlei actuele discussies in onze samenleving, merk je een groeiend besef, dat we elkaar en onszelf misschien teveel vrij hebben gelaten, en dat het nu ook tijd wordt om elkaar wat meer aan te spreken op onze verantwoordelijkheid. Een samenleving blijft niet intact als we alleen maar doen wat ons toevallig goed uitkomt, - kan niet rusten op onze impulsieve gevoelens en wensen.
Voor de kerk (die bestaat uit vrijwilligers) geldt dat nog meer, maar juist daar zijn we nóg voorzichtiger om elkaar aan te spreken op onze plicht en onze verantwoordelijkheid.
Als dominee zal ik niet gauw aan doopouders, jonge echtparen of belijdende lidmaten vragen waarom ze zelden of nooit meer in de kerk komen. Ten eerste doe ik dat niet, omdat ik de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van gemeenteleden een groot goed vind. Ik doe het ook niet omdat we juist in de kerk nogal gevoelig en raakbaar zijn voor zulke belangstellend -kritische vragen. Al snel kom ik over als een controlerende dominee van het oude stempel; al snel voelen gemeenteleden zich ‘in de kuif gepikt’, want ja, dat is toch hún zaak?
Het lijkt me een positieve ontwikkeling, dat we in politiek en samenleving op dit punt een kentering zien ontstaan. We mogen en moeten elkaar weer meer aanspreken op onze plicht en verantwoordelijkheid. Het zou m.i. ook goed zijn, als we - met blijvend respect voor elkaars keuze en vrijheid - ook in de kerk weer meer plichtsbesef krijgen, met goede gewoonte, meer goede vanzelfsprekendheid; meer durf om elkaar aan te spreken als verantwoordelijke gemeenteleden op wie je mag en moet rekenen.
Ouders en kinderen
Onlangs hadden we in het consistorie (de vergadering van ouderlingen en pastoraal medewerkers) een lang en goed gesprek over de kerkgang van jongeren. Jongeren hebben op zondag en door de week zoveel te doen en te kiezen, ze zijn ook zoveel mondiger geworden, dat het niet gemakkelijk is om ze mee te krijgen naar de kerk. Bovendien is het niet goed als je altijd maar weer moet discussiëren, trekken en duwen.
Tegelijk is er die andere vraag: In hoeverre merken onze kinderen en jongeren nog dat wij zelf het geloof en de kerk nog héél belangrijk vinden? We hoeven onze kinderen niet te dwingen, maar ze merken wel aan ons als ouders hoe serieus en belangrijk we het zelf (nog) vinden, welke prioriteit geloof en kerk hebben in onze eigen keuzes en emoties.
Kernvraag
En daar ligt de kernvraag; die ligt tenslotte niet bij onze kerkgang, hoe belangrijk die ook is. De kernvraag is of geloof en kerk echt raken aan de diepste ernst van ons leven, aan de wortels van ons verantwoordelijkheidsbesef, aan de zenuwen van ons geweten en onze plicht.
De meesten van ons zijn oprecht als ze zeggen, bijvoorbeeld in een huwelijks - of doopgesprek, dat ze geloof en kerk belangrijk vinden. Maar tegelijk merk je vaak, dat geloof en kerk twee van de vele aspecten van het leven zijn geworden, en niet meer de dragende grond.
Over zulk onzeker geloof, als niet meer dan één van de vele dingen in ons leven, zal ik nooit schamper doen; ik ken het uit eigen leven en ervaring. Maar we moeten er wel eerlijk over zijn, en erkennen dat het kan uitlopen op geloof zonder veel inspanning, op geloof met weinig overtuigingskracht voor anderen, om te beginnen voor onze eigen kinderen.
De eigenlijke zorg en onrust die ik hier probeer uit te spreken is deze, dat ons geloof (incl. dat van mijzelf) vaak veel te weinig gekleurd is door het besef, dat het niet alleen gaat om zomaar wat maatschappelijke normen en waarden, maar om God, niet alleen om fatsoen en om de kerk als zinvol instituut, maar om de laatste vragen van leven en dood, om de diepste levensernst en de hoogste levensvreugde; - grote woorden, dat weet ik wel, maar soms moeten ze gezegd worden.
Gereformeerde Bond
Sommigen van u weten, dat ik ben opgegroeid in de orthodox-gereformeerde hoek van de Hervormde Kerk (de Gereformeerde Bond). Daar verlang ik niet naar terug; er was teveel somberheid, teveel plicht, teveel dwang. De verkiezingsleer zoals die daar geloofd wordt, is naar mijn diepste overtuiging onbijbels en strijdig met Gods openbaring in Jezus Christus. Zoals ik ook de Gereformeerde Bondsvisie op vrouwen in het ambt, homoseksualiteit en liturgie niet kan delen.
Maar op één punt blijf ik veel respect houden voor de gemeenten van de Gereformeerde Bond: in die kringen is zichtbaar en voelbaar dat God en geloof een volstrekt serieuze zaak is, die de hoogste prioriteit krijgt. Dat wordt ook gevoeld door de jongeren daar, die mede daarom veel trouwer naar de kerk gaan dan bij ons, - niet alleen omdat hun ouders strenger zijn, maar ook omdat ze voelen hoe hun ouders het geloof oprecht belangrijk vinden.
Momenteel bevinden we ons in de laatste fase van het SOW -proces, en daarin is de Gereformeerde Bond de grootste dwarsligger, met goede en verkeerde argumenten. Vaak wordt dan gezegd dat de Gereformeerde Bond het aanzien van de kerk in Nederland schade berokkent, omdat ze moeilijk blijft doen over al die zogenaamd principiële verschillen tussen de kerken, terwijl we toch bij elkaar horen en dat moeten laten zien aan de samenleving.
Dat kan wel zijn, eenheid van kerk en geloof is belangrijk, maar wat hebben we eraan, als er straks een gefuseerde kerk is met steeds minder kerkgangers (behalve in rechtse kringen). Veel belangrijker dan het SOW -proces is de vraag hoe serieus wij geloof en kerk nog nemen, - wat dan ook moet blijken uit kerkgang, kerkenwerk, Kerkbalans, enz.
Jongeren en buitenstaanders moeten in mooie en moeilijke dingen aan ons kunnen merken, dat het echt over God gaat en over de hoogste en diepste dingen van het leven. Op dat punt heb ik soms een onrustig hart bij de kerk in Nederland en bij onze eigen gemeente in Culemborg, - ook al word ik telkens geïnspireerd en bemoedigd door diezelfde gemeente.
Aarzeling
Ik heb er lang over nagedacht, of ik dit allemaal wel zou schrijven, want zoiets wordt snel verkeerd begrepen. Het uiten van zorg kan snel voedsel geven aan onterechte zorgelijkheid en getob, en dat is wel het laatste wat ik wil; ik geloof juist met overtuiging en vrolijkheid in de ‘zaak’ van de kerk, en ik denk dat u dat zondags aan mij ook kunt merken.
Een andere reden om er maar niet over te beginnen, is het feit dat sommige gemeenteleden snel geïrriteerd raken, als ik kritische vragen stel over hun kerkgang (dat doe ik dus ook bijna nooit).
Wat nog belangrijker is: Als dominee moet je kritisch naar jezelf blijven kijken, want het gaat ook over jouw werk, over het succes van jouw club. Dus misschien gaat het jou helemaal niet om God en geloof, maar vind je dat mensen jouw club niet in de steek mogen laten, en vaker bij jou in de kerk moeten komen.
En toch heb ik die onrustige vragen maar opgeschreven, in de hoop dat we een beroep kunnen doen op elkaars verantwoordelijkheid, - en in de wetenschap dat zulk appèl bij veel gemeenteleden volstrekt overbodig is.
In de politiek is er nieuwe discussie ( ‘nieuwe politiek’?) ontstaan over de vraag hoe belangrijk wij waarden en normen nu eigenlijk nog vinden. In de kerk is de allerlaatste vraag, hoe belangrijk we God nu eigenlijk nog vinden.
Met hartelijke groet,
ds. H. Veldhuis
Brief aan ds. H.Veldhuis
Dag Henri,
Je artikel Gaan we morgen ook naar de kerk houdt ons bezig. Nel en ik hebben met veel instemming je pleidooi gelezen, - ik wilde direct al aan je schrijven maar liet het op z’n beloop. Nel spoorde mij aan het alsnog te doen, ik vond het immers ook vervelend als er niet op mijn persoonlijke kerkbladschrijfsels werd gereageerd.
Weloverwogen heb je geschreven over de zondagse kerkgang. Daar is veel goeds over te zeggen. Over deelname aan de kerkdienst heb jij niet te klagen, de luisterdichtheid is groot. Jouw aanpak en je houding spreken aan. En ook tal van gezinnen met opgroeiende kinderen zijn present – en zelfs moeilijke en ontoegankelijke Samuël – hoofdstukken zijn geen kink in de kabel, de kerk loopt gewoon vol, - maar toch, en je schrijft er helder over, zijn er mensen (doopouders, jonge mensen die belijdenis deden, nabestaanden) die een keer overslaan en soms vele keren, je ziet ze soms zelden of nooit meer.
Ik houd van die persoonlijke kerkbladartikelen. Heb zelf het kerkblad altijd goed gebruikt. De gemeenteleden dienen niet alleen geïnformeerd te worden maar ook geïnspireerd en gewezen op hun verantwoordelijkheid. Ik heb dat ook bij herhaling gedaan. En het resultaat?
Over de vanzelfsprekende kerkgang op zondagmorgen ben ik niet optimistisch meer. Aanvankelijk wel, meende ik dat het met een bekwame en hartelijke aanpak wel zou lukken met de instandhouding en vernieuwing van de eredienst. Op voorstel van de hoogleraren Van Gennep en Dingemans schreef ik in 1984/85 een boekje over kinderen in de kerk. Er kwamen in die tijd nog jonge ouders met kinderen naar de kerk, en dat zondag aan zondag wel te verstaan. De kinderdiensten liepen goed en ik denk met plezier terug aan de voorbereiding met de leiding, elke maandagavond, wanneer ik zondags dienst had. In Muiden hebben we de kinderdienst niet overeind kunnen houden, wel leiding genoeg maar geen meelevende gezinnen. Wel waren er enkele keren per jaar school/gezinsvieringen met toeters en bellen, - en oh, wat vonden tal van ouders dat goed en gezellig…maar het duurde tot de volgende ‘voorstelling’ dat ik ze weer allemaal zag. Ik zou het boekje van ’85 niet meer zo kunnen schrijven, de problematiek is nu niet meer of de kerkdienst wel kindvriendelijk is maar hoe we al die jonge ouders zouden kunnen begeleiden in hun manier van geloven. Velen geloven immers wel maar hebben de kerk(dienst) daar nauwelijks bij nodig. Blijkt! Ik vind dat jammer, én voor die jonge mensen én voor de kerk(dienst). Maar wat doe je eraan? Op een milde manier verwoord jij je zorg en onrust en benader je (jonge) mensen, jonge ouders. Je wilt absoluut geen controlerende dominee zijn (zo kom je ook niet over) maar je wijst op plicht en verantwoordelijkheid. Prima! Ik hoop op reacties en goed resultaat.
Vervolgens schrijf je over je kerkelijke afkomst, Gereformeerde Bond. Dat is interessant voor mij, - want ik kom uit dezelfde hoek. Hervormd op G.G. opgevoed – en wat mijn ouders betreft: helemaal de (verstikkende) sfeer van SGP/Gereformeerde Gemeente (met een straaltje licht van de kant van mijn grootouders van vaders zijde; die waren kerkelijk Gereformeerd).
Wat ik nu jammer vind is dat jij de Gereformeerde Bond meent nodig te hebben als onderbouwing van je pleidooi voor trouw. Ik vind het eerlijk gezegd niet sterk, dat je de trouw van Gereformeerde Bond(ers) ten voorbeeld stelt in een ‘gewone’ gemeente. Je hebt zelf bewust afstand genomen van deze stroming, ik ook. Waarom dan de trouw van de GB als voorbeeld genomen - die is in die kringen toch onlosmakelijk gekoppeld aan leer en gezag – en tal van opvattingen?
Ik (h)erken je probleem van de vrijblijvendheid in grote delen van onze kerk(en) maar die is mij uiteindelijk toch liever dan de systeemdwang van de GB. Zeker, het spreekt mij aan wanneer, zoals deze zomer in een dienst die ik in Muiden deed, een groep Christelijk Gereformeerde jongeren uit Amersfoort aanwezig is, zo’n twintig twintigers die op zondagmorgen in de haven van hun zeilboot stappen om naar de kerk te gaan – en ze bleven nog koffiedrinken ook en vroegen mij honderduit over de manier waarop ik een (klein)kind had gedoopt. In onze kerken lukt dat groepswerk niet meer zo en ik maak mij daar ook zorgen over, maar kom mij dan niet aanzetten met de GB als voorbeeld want dan moeten wij ook weer terug naar vroeger, en dat willen/kunnen wij niet.
Ik weet de oplossing ook niet. Ik denk, en dat heb ik van Van Gennep geleerd, dat we de secularisatie nog veel meer moeten peilen. Die golfde en golft nog in ons midden – en ook in onszelf. Wie is God? Leefde ik vroeger met een God die de loop van de geschiedenis bepaalde, tegenwoordig is dat veel meer een vraag. Het christelijk geloof wordt algemeen betwijfeld – en het is dus geen gemakkelijke tijd om nu dominee te zijn – of gewoon gelovige.
Ik ben nu emeritus –predikant – en volg als gemeentelid onze kerk(en). Ik heb de zondagse kerkdienst nodig – en Nel ook. Wij zijn regelmatig present. Maar wij zijn ook vader en moeder van drie volwassen kinderen. Zij werden gedoopt en deden belijdenis –en lieten hun kinderen dopen, - wij hebben dus niets te klagen –maar de zondagse kerkgang is niet voor alledrie vanzelfsprekend meer. Dat ligt niet aan onze opvoeding, het is ook geen onverschilligheid van ze, -en het ligt ook niet aan de kerk of de dominee (daar is wel eens wat mee, maar dat is het punt niet, dat was vroeger ook zo), het is de huidige tijd, de tijdgeest. Ga ik ze nu persoonlijk aanspreken, die kinderen van ons? Soms kan dat, soms moet dat. Het zijn lieve kinderen, die niet van God los zijn, die met toewijding hun werk doen en met overgave het leven leven. Stel dat zij in Culemborg zouden wonen en jouw pleidooi zouden lezen. Zouden ze dan geraakt worden? Ik denk erover na. Mijn brief is uiteindelijk heel persoonlijk geworden. Het is mijn bijdrage en jouw zorg en onrust. Misschien heb je er wat aan.
Met hartelijke groet, ook van Nel uiteraard,
Maarten Hooimeijer
Brief aan ds. Veldhuis
Beste Henri,
Met je schrijven in het vorige kerkblad heb je flink je nek uitgestoken door duidelijke vraagtekens te zetten bij het kerkbezoek van een deel van de gemeenteleden die incidenteel of geen kerkdiensten bezoeken. Je vindt dat deze leden van de Hervormde kerk zich opstellen als luie consumenten en te weinig hun verantwoordelijkheid tonen t.a.v. hun lidmaatschap. Hoewel ik regelmatig naar de kerk ga, voel ik me toch uitgedaagd om op je, overigens genuanceerde, artikel te reageren. Ook ik kies er namelijk bewust voor om soms niet naar de kerk te gaan. Bovendien ben ik vader van drie kinderen die ik heel bewust en op latere leeftijd heb laten dopen. En alle drie, nu in de leeftijd van 14, 18 en 20 jaar, gaan al lang niet meer mee naar de kerk. Alleen op christelijke feestdagen vinden wij het belangrijk dat ze meegaan.
Waarom niet naar de kerk?
Opvallend vind ik dat je je niet diepgaand (lijkt) bezig te houden met de vraag waarom doopouders, jongeren, mensen die belijdenis hebben gedaan, pas getrouwden e.a. niet of weinig naar de kerk komen. Je vindt dat ze er gewoon (meer) dienen te zijn. Dat is immers toch de consequentie van hun keuze? Je laat toch ook je sportvereniging niet in de steek? Zijn deze twee echter op één lijn te stellen? Het lijkt mij wel belangrijk om er achter te komen waarom kerkleden niet of onregelmatig naar de kerk gaan. Ik kan zelf wel een aantal redenen bedenken maar beter is om met mensen daarover een open gesprek aan te gaan. Heeft het bijvoorbeeld te maken met je ‘thuis’ voelen in de kerk; met de sfeer, met negatieve ervaringen uit het verleden; met persoonlijke omstandigheden etc. Je vindt het vreemd dat mensen geïrriteerd raken als je ze kritisch vragen stelt over hun kerkgang. Nou ik heb niets tegen kritische vragen, maar als de relatie al zo mager is lijkt me dat geen goede benadering. Enerzijds juich je mondigheid en de keuzevrijheid van deze tijd toe en tegelijkertijd vul je het nemen van je eigen verantwoordelijkheid in als het synoniem voor plichtsbesef nieuwe stijl. Is dat niet hinken op twee gedachten?
Vragen voor mensen die wel gaan
Hoe belangrijk is kerkgang in de ontwikkeling van je geloof? Betekent niet naar de kerk gaan ook dat je niet actief met je geloof bezig bent? Of anders gezegd: ben je wel goed bezig als je iedere week trouw naar de kerk gaat? Dien je je verplicht te voelen om naar de kerk te gaan? En aan wie leg je daarover verantwoording af? Wat is het motief van mensen om wel naar de kerk te gaan? Wat vinden zij daar dat anderen blijkbaar (nog?) niet vinden? Daar zal iedereen wel zijn eigen antwoord op hebben. Ik zelf ga naar de kerk om een inspirerende preek (waar je keer op keer in slaagt) en waaruit dikwijls blijkt dat een oud bijbelverhaal een hoge actualiteitswaarde heeft. Maar ik ga ook om liederen; om de sfeer; om een bewust moment van bezinning; om contact te zoeken met God en om bekenden te ontmoeten. Ik krijg dus heel veel en ga dan ook graag naar de kerk. Het raakt me diep en dat is niet van de ene op de andere dag gekomen. Dat is het resultaat van een groeiproces waarbij ik ook weerstanden bij mezelf tegen het instituut kerk heb moeten overwinnen.
Persoonlijke afwegingen
Als ik niet naar de kerk ga heeft dat doorgaans een praktische reden (bezoek, een klus in huis, een dagje uit e.d.). Het is ook wel voorgekomen dat ik een poosje niet ben geweest omdat ik me niet meer zo thuis voelde in de kerk. Bij sommige liederen dacht ik dan: wat sta ik hier in Godsnaam te zingen? Met een inhoud zo algemeen dat die op mij vervreemdend werkte. Soms is God in mijn leven dichtbij en soms ook ver weg. Is dat zo vreemd? Na een periode begon het verlangen om te gaan weer te groeien. Even een moment afstand nemen kan mijns inziens helemaal geen kwaad. Uit traditie naar de kerk gaan werkt voor mij niet. Dat houd ik op den duur niet vol. Het helpt dan ook niet om herinnerd te worden aan mijn lidmaatschap. De kerk kan zich net als andere organisaties niet onttrekken aan het bieden van een goed aansprekend aanbod. Weinigen zullen in deze tijd nog op de automatische piloot ergens aan deelnemen. Een uitstekende ontwikkeling en het werkt, want onze kerk zit regelmatig vol! En ook kerkleden ontwikkelen zich. In de loop der jaren ben ik steeds meer boeken over geloof en spiritualiteit gaan lezen. Dat heeft mijn geloof in God en de zin van het leven verdiept. Meer weten betekent ook dat je anders en kritischer luistert naar een preek en soms leidt dit tot een kortsluiting. Er zijn in de kerk niet veel mogelijkheden om op een interactieve wijze met elkaar van gedachten te wisselen.
Lid van een kerkgemeenschap
In je artikel benadruk je het belang deel uit te maken van de kerkgemeenschap. Voor mensen die als vrijwilliger in de kerk actief zijn zal die beleving er wel zijn. Ik ervaar meer afstand, de meeste mensen ken ik alleen van gezicht. Toch had ik het in die periode van afwezigheid wel aardig gevonden als iemand uit de kerk me had benaderd met de vraag ‘goh, ik zie je bijna nooit meer, is er wat?’
Dat had het gesprek wellicht op gang gebracht en me ook het gevoel gegeven: er is blijkbaar toch iemand die in de gaten heeft dat je niet meer komt. Misschien is dit een irreële verwachting, maar toch blijkt hij bij me te leven. Dat roept de vraag op hoe betrokken een kerkgemeenschap op elkaar kan zijn? Blijft dat beperkt tot de vaste contactmomenten zoals het in ontvangst nemen van de liturgie, het koffie drinken, een handdruk aan het eind van de dienst? Hoe belangrijk is de geloofsgemeenschap dan voor de leden?
Jongeren bijvoorbeeld
Maar misschien moeten we het facultatieve kerkbezoek niet zo negatief benaderen. Het feit dat veel jongeren een tijdlang niet naar de kerk gaan is m.i. helemaal niets om je ongerust over te maken. Het zaad is immers toch allang gezaaid en zal vroeg of laat zichtbaar voor de buitenwereld ontkiemen. In welke vorm dan ook! En soms duurt dat langer dan je misschien zou wensen. Zelf ben ik opgegroeid in een gereformeerd gezin en tussen mijn twintigste en veertigste niet naar een kerk geweest totdat ik er weer behoefte aan kreeg en een kerk vond die me aansprak. Dat jongeren niet naar de kerk komen wil trouwens niet zeggen dat ze geen boodschap aan God en gebod hebben. Integendeel, ik ben soms oprecht ontroerd als mijn kinderen vertellen dat zij God wel weten te vinden; op gelukkige en moeilijke momenten. En het zijn bepaald geen heilige boontjes. God is voor hen iemand die er altijd is. Jongeren vullen hun geloof vaak op een praktische wijze in. World Servants bijvoorbeeld: een jaar lang bijna wekelijks in touw om geld te verdienen om drie weken in een ontwikkelingsland aan een project te werken. Petje af! Ook de behoefte aan een kerk kan weer bij ‘oudere’ jongeren ontstaan als tenminste ook de kerk met zijn tijd meegaat en mensen daadwerkelijk steunt, inspireert en soms confronteert. Daar heb je wat aan, want iedere dag sta je in de stroom van het leven dat voortdurend vraagt om keuzes te maken en om je positie te bepalen.
Hand in eigen boezem
Voor jongeren is een kerkdienst vaak gewoon saai. Als de kerk jongeren wil trekken dan zal zij daar zelf iets aan moeten doen. Hoe komt het dat de jongerendiensten in de rooms-katholieke kerk zo goed bezocht worden? Heeft dat met de verschillende cultuur en benaderingswijze te maken? Een tijdje geleden heb ik twee seizoenen een catechese –gespreksgroep van jongeren begeleid, samen met een ander kerklid. Dat was heel hard werken om er iets van te maken. Als vrijwilliger moest je het veelal zelf uitzoeken. Zonder veel kennis van de symbolische betekenis van bijbelverhalen en didactische vaardigheden is dat geen eenvoudige opgave. De kerk liet (?) vrijwilligers daarin behoorlijk zwemmen en de kans, dat het saai wordt is dan ook vrij groot. Terwijl een gespreksgroep bij uitstek een vorm is die bij jongeren past.
Geloofseffect
Wat mij in jouw artikel vooral aansprak was de essentiële vraag: wat merkt de omgeving van je geloof en naastenliefde? Aan deze vraag kunnen overigens kerkgangers en gelovigen die niet (vaak) naar de kerk gaan meedoen. En ik vraag me in alle oprechtheid af in wiens voordeel het antwoord uitvalt. Het is ook een vraag die het best door je omgeving kan worden beantwoord. Dan hoor je pas echt of je intenties overkomen.
Conclusie
Aan wel of geen kerkgang zitten op z’n minst twee kanten: dat van de kerkganger met zijn motieven en de kerk met haar intenties en aanbod. Mijn conclusie, beste Henri, over het facultatieve kerkbezoek is dat je niet veel verder komt door minder trouwe leden te benaderen vanuit een soort lidmaatschapsgedachte en hen consumentisme te verwijten. Dat consumeren doen ook de trouwe kerkgangers. Positiever lijkt me om open en actief op zoek te gaan naar de motieven van de afwezigen én de verbeterpunten in de eigen kerkorganisatie op te sporen. Wellicht ontdekt de kerk dan welke drempels zij mogelijk zelf nog kan slechten. Kerkenwerk is immers mensenwerk en dat betekent dat er altijd wel wat te verbeteren valt. Facultatief wil ik trouwens wel aan zo’n motivatie –onderzoek meewerken.
Een vriendelijke groet,
Rien van der Veer
Bijlage 2: Ter afscheid Door Maarten Hooimeijer, bij zijn afscheid van Muiden:
Nog één keer: dat ene uur op zondagmorgen
Dat er elke zondag nog voldoende mensen naar de kerk gaan om de dienst in het huis van de Heer gaande te houden, mag een wonder heten in een tijd van teruggang, leegloop en afbraak. Alles in de samenleving is in een kolkende, onontkoombare stroomversnelling gekomen. Het werk is anders, er is meer geld (uit te geven). Er is een tweedeling van de week gekomen: werk, werk, werk, - en het weekend. Het weekend bestaat voornamelijk uit boodschappen doen, klussen, uitgaan, slapen, ontbijten. De samenleving veranderde en de rust en de stilte van de eerste dag van de week dreigt geheel ten onder te gaan. En daar komt dan nog bij, dat het trendy is om te zeggen dat je best kunt geloven zonder kerk(gang). Ik wil dat ook niet helemaal ontkennen, maar vind het naïef om te denken dat de kerkgang niet belangrijk is. Je kunt inderdaad thuis een goed boek lezen over bijbel en geloof en ’s avonds laat op de tv een praatprogramma van de EO of IKON bekijken. Wellicht lukt het ook in je eentje het gebedsleven te onderhouden, - maar de praktijk is dat het merendeel niet aan een geestelijk boek toekomt en de praatprogramma’s verheugen zich werkelijk niet in hoge kijkcijfers. En een zelfstandig gebedsleven opbouwen zonder de inspiratie van anderen, oef, wat moeilijk! Daarom is het een nuchter feit: dat ene uur op zondagmorgen is voor veel mensen de enige plaats waar ze werkelijk in alle rust met de dingen van God en zijn koninkrijk bezig kunnen zijn. Anders komt het er in de praktijk nauwelijks van. En daarom heb ik in mijn gemeentewerk een sterk accent gelegd op de zondagse eredienst. Steeds weer Kyrie -roepend, Gloria -zingend, Schrift -overpeinzend en Avondmaal -vierend. Ik heb het graag gedaan, dat voorgaan op zondagmorgen – en ik pleit er nog één keer voor om trouw te zijn in de zondagse kerkgang. De prognoses zijn landelijk en plaatselijk niet florissant. Op grond van de feiten lukt het mij nauwelijks daar optimistisch over te zijn. Niettemin waag ik te zeggen: wees niet bezorgd over prognoses en wind je niet al te zeer op over de vele raadgevingen. Laat je het licht niet ontnemen, blijf je hart verankeren in het evangelie en wees daar met een kleine groep trouw aan. Schep met vreugde uit de bronnen van het heil!
Bijlage 3. Een paar suggesties voor bespreking
Het is niet ondenkbaar dat de inhoud van dit boekje thema van bespreking wordt voor een reeks avonden in de vorm van een groothuisbezoek. Ook zou het van toepassing kunnen zijn voor een kring van doopouders of een gespreksgroep van belijdeniscatechisanten.
De vraag ‘waarom zou ik naar de kerk gaan?’ nodigt uit tot het geven van eigen antwoorden. Soms zullen die samenvallen met de antwoorden in dit boekje, soms ook niet.
Maar waar de door mij gegeven antwoorden meespelen in het gesprek, zou als volgt gewerkt kunnen worden:
De twaalf redenen voor kerkgang worden op een groot vel papier of whiteboard gezet, waarna de aanwezigen gevraagd wordt, met een cijfer tussen 1 en 5 aan te geven welke reden men de meest (en welke de minst) valide vindt.
Vervolgens kan men met elkaar (afhankelijk van de omvang van de groep) plenair of in kleinere gespreksgroepjes uitwisselen waarom men aan bepaalde redenen groter gewicht hecht of welke redenen men zeer beslist niet onderschrijft.
Een mogelijke opening voor een gesprek zou ook kunnen zijn, elke aanwezige te vragen naar jeugdherinneringen in verband met de kerkgang, en wat dat voor consequenties heeft gehad voor de beleving die men nu bij de kerkdienst heeft.