Terug naar de homepage van Henk Fonteyn Job; kind van God en mens van alle tijden

Jaren geleden schreef ik onderstaande tekst, een soort parafrase van het boek Job. Ik hoop nog altijd een muzikaal iemand tegen te komen die zich hierdoor zo geinspireerd voelt dat hij of zij spontaan melodieen en arrangementen voor koor en solisten en instrumentalisten in zich voelt opkomen Wie weet komt er dan ooit nog eens een complete musical tot stand. Houd me op de hoogte!


Koraal
Mensenleven, kostbaar leven,
Kostbaar in zijn kwetsbaarheid.
Eindig leven, breekbaar leven,
Lijden is van alle tijd.
God, bent U met ons begaan? Draagt de hemel ons bestaan?

Proloog:
Ons wordt een blik gegund achter de schermen
De Allerhoogste is gezeten op zijn troon
En rond hem zien we zwermen, zwermen engelen bijeen…
’t wordt stil, God neemt het woord, en ieder hoort:

God:


Geachte hemelingen, ik open hierbij plechtig het gerecht.
Satan, aanklager bij mijn gratie, is onlangs teruggekomen.
Vertel ons, vriend, wat heb je waargenomen?
Heb je ook Job gezien, godvrezend, vroom, oprecht?

Satan:


Ik zag hem, Heer, maar mag ik zeggen, met respect,
dat ieder vroom zou wezen die Gij zo de zakken spekt.
Als iedereen maar zeker wist dat vroomheid zo zou lonen
Dan zouden elke zondag weer de kerken voller stromen
Dan kenden we geen woorden meer als secularisatie
Dan leefden alle mensen graag volledig bij uw gratie.
Is het om niet, dat Job U vreest? Laat mij de proef eens nemen
Gunt u mij toch de vrijheid om hem alles te ontnemen
Eens zien of hij met lege handen nog de hemel looft.
Of dat de kommer zijn geloofsvertrouwen dooft.

God:
Het zij u toegestaan, ik zal het niet verhinderen
dat hij beproefd wordt en veel schade lijdt.
Bewaar zijn leven, maar de rest staat vrij hem te ontroven
- inclusief zijn kinderen -
Maar u zult zien: hij zweert toch trouw aan mij.

Het verhaal van Job:

De hemel sluit, we zijn terug op aarde
waar Job de ene tijding na de andere krijgt
Zijn kudden zijn geroofd, en met hun zwaarden
hebben bandieten met geweld gedreigd.
De bliksem flitste neer en heeft genomen
de levens van de knechten en het vee.
Slechts een der mannen kon op tijd ontkomen
en deelt aan Job de kwade tijding mee.
Een wervelstorm greep alle vier de hoeken
van het gebouw waarin zijn kinderen waren voor een feest.
Toen men ze later in het puin ging zoeken
Was duidelijk: zij gaven al de geest.

Toen scheurde Job zijn kleren
en bracht as aan op zijn hoofd.
En zei:

Gegeven en genomen heeft de Here
Maar toch, de Naam des Heren zij geloofd.
Geprezen zult U zijn, maar allemachtig,
U bent in ’t omgaan met uw kind niet kinderachtig!
Ik meende trouw uw weg steeds te bewandelen
Is er een reden mij zo te behandelen?
Maar hoe dan ook, ik blijf in u geloven
en zal - hoezeer u me ook slaat - u loven.

Achter de schermen:

We zijn getuigen in de hemel, nu ten tweede male
Opnieuw verschijnen ten gerecht
de zonen Gods en onder hen de satan.
God is benieuwd. Hij spreekt hem aan en zegt:

God:


Wees welkom, vriend, je hebt je kans gekregen
om mijn kind Job van alles te beroven
Vertel eens, heeft hij zijn geloof verzwegen
of is hij mij in alles blijven loven?
Erken je nu dat ondanks jouw cynisme
een mens op aarde werkelijk vroom kan zijn
en niet vervalt tot platvloers atheïsme
als honing in het leven plaatsmaakt voor azijn?

Satan:

Neem me niet kwalijk, Heer, maar juicht U niet te snel?
Wie lijdt voordat hij lijfelijk moet lijden?
Ik wed met U, dat als ik hem met ziekte kwel
hij uw bestaan voortaan steeds bitter zal bestrijden.

Het verhaal van Job:

De Allerhoogste neemt, misschien met vrees en beven,
de handschoen op en satan krijgt vrij spel.
Slechts dient hij af te blijven van Job’s leven.
Maar voor de rest krijgt hij de ruimte wel
hij stort zich op zijn prooi en Job wordt ziek,
Zijn lichaam overdekt met boze zweren.
In zak en as gezeten krabt hij fanatiek.
En zelfs zijn vrouw zweert hem, de hemel af te zweren.

Maar Job volhardt in vroomheid. ‘Zou een mens op aarde
alleen het goede dan van God aanvaarden?’
Gegeven en genomen heeft de Heer
Maar toch, de naam des Heren zij geloofd.
Geprezen zal U zijn, maar allemachtig
U bent in ’t omgaan met uw kind niet kinderachtig
Ik meende trouw uw weg steeds te bewandelen
Is er een reden mij zo te behandelen?
Maar hoe dan ook, ik blijf in U geloven
En zal – hoezeer U me ook slaat- U loven.

Drie vrienden:

Drie vrienden hebben ’t lijden van hun vriend vernomen
En zijn gezamenlijk tot troost gekomen.
Hun namen: Elifaz en Bildad en Zofar.
Ze kwamen volgens afspraak bij elkaar.
En met het lijden van hun vriend geconfronteerd,
Hebben ze zeven dagen lang zijn smart gerespecteerd
Door niet te spreken, woorden zouden wonden
En waren bij die smart allicht te licht bevonden.




Toen nam Job zelf het woord: vervloekte zijn bestaan

Job:

Waarom ben ik niet reeds voor mijn geboortedag teloorgegaan?
Waarom heeft zich geopend ooit voor mij de moederschoot?
Is dit soms leven? Liever was ik dood.
Mijn leven is verscheurd, mijn vrede is verstoord.
Onrustig is mijn hart, och dat de Heer toch hoort
en mij de uitweg naar het graf niet langer afsnijdt.
Ik kan niet verder meer, was ik maar uit de tijd.

Elifaz:

Vergun mij toch een enkel woord te spreken.
Vergeef me als het lijkt of ik tot u ga preken.
Maar mag een mens zijn leven zo vervloeken?
Is het niet tijd de oorzaak te gaan zoeken
van alles wat u nu is overkomen?
Hebben niet vele anderen uit uwe mond vernomen
dat God de goeden loont, het kwaad vergelden zal?
Ligt daar dan niet de oorzaak van uw val?
Geen mens heeft toch onschuldig ooit geleden.
Zoek naar uw zonde, daarin ligt de reden
dat nu uzelf dit kwaad is toebedeeld.
Het is de Heer die slaat, maar die ook heelt.
Als waar is dat de Heer zijn kinderen kastijdt,
dan is er zin en doel in alles wat u lijdt.
Dan heeft uw ongeluk beslist een reden.
Belijd uw zonde en hervind uw vrede!

Job:

Dat mijn verdriet toch goed gewogen werd.
Mijn leed zorgvuldig in de waag gelegd.
Beschuldig mij toch niet van ongehoorzaamheid.
Wat is toch de betekenis van uw verwijt?
Probeer niet God voor mij te excuseren
en kom in ‘s hemelsnaam niet theologiseren.
Ik weet dat ik voor God onschuldig sta.
En toch, toch komt Hij mij zo zeer te na.
En zelfs al zou ik tegen Hem tekort geschoten zijn -
wat schaadt het Hem, als ik, zo klein
en onbeduidend, slechts een sterveling -
misschien onwetend ooit een fout beging?
Zou ik daarmee zijn plannen kunnen schaden?
Mijn God, ontferm U toch, en toon genade!
Dit is geen leven meer, dit is geen recht!
Laat me toch los en speel niet met uw knecht!

Bildad:

Luister naar mij, ik kan niet langer zwijgen
Ik hoor de dwaasheid uw verstand bedreigen
God is rechtvaardig in zijn rechtsgeding
uw lijden is beslist ’t gevolg van overtreding
Besef het toch, ’t moet duidelijk voor u wezen:
‘wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen’
God is in al zijn wegen een en al rechtvaardigheid
Bekeer je, dan ervaar je zijn barmhartigheid

Job:

Ach ja, ik weet het wel, een mens heeft niets te zeggen
Als God zijn macht eens aan de dag wil leggen
Wat zijn we meer dan kleine mensenkinderen
Volstrekt onmachtig zijn beleid te hinderen?
Hij doet met ons, en niets helpt ons verzet
Hij handelt naar een ongeschreven wet
Hij geeft aan niemand rekenschap van zijn beleid
In deze strijd is geen sportiviteit
Maar ik kan het niet, zomaar berusten in mijn lot
En zomaar de cliché’s als troost aanvaarden
Mijn leven lang was ik een vriend van God
En daarom juist kan ik het niet aanvaarden
Wat jullie mij nu geven als verklaring
Dat niemand nooit onschuldig lijdt, maar door zijn overtreding.
Voor God en mensen durf ik onbevreesd mijn onschuld te betuigen
En daarom kan ik voor wat Hij mij doet, niet buigen.
Ik klaag Hem aan
Ik vraag Hem rekenschap te geven
Van alles waardoor nu de dood heerst in mijn leven

Zofar:

’t Is me onmogelijk om dit gezwets nog langer te verteren!
Wie denk je dat je bent? Ben je zo vrij
dat je de allerhoogste zelf durft te beleren
en tegen zijn bestuur durft protesteren?
Hier kan ik als gelovig mens niet bij!
Je ziet je zaak verkeerd. Hoor me toch aan:
wat God doet is per definitie welgedaan.
Wees blij dat Hij je leven nog gespaard heeft
en zo in zijn genade kans op omkeer geeft.

Job:

Ach, zwijg toch liever, ik ken alle vrome woorden
waarmee de klachten en de vragen worden doodgemaakt.
Ik snak naar iemand die me werkelijk wil horen,
maar zwijgen jullie liever, jullie keus was al gemaakt.
Voor jullie stond al vast dat God moet worden vrijgepleit.
En dat Hij zich nooit overgeeft aan ongerechtigheid.
Ik weet het wel, zelf heb ik dat ook altijd zo gedacht,
totdat mijn lot mij radicaal op andere gedachten bracht.
Mijn dogmatiek, mijn zekerheid, mijn veilige systemen
zijn tegelijk met mijn verlies en pijn verdwenen.
De hele kathedraal van zekerheden stortte om.
Ik ken nog slechts de vraag: waarom, mijn God, waarom?
Waarom hebt u uw aangezicht voor mij verborgen?
De nacht is niet te dragen, komt er nog een morgen?

Lied van de troosters:

Ik sta met God de Heer en met mezelf op goede voet.
En vind dat ik daarvan te allen tijd getuigen moet
tot mensen die het minder mochten treffen.
Een goed en troostend woord zal hen verheffen.
Ik heb een hele reeks van redenen paraat,
zodat er niets is dat mij ooit met stomheid slaat.
Wordt iemand ziek, dan heeft dat een bedoeling.
Elk lijden heeft, dat lijdt geen twijfel, diepe zin.
En mocht die zin niet altijd duidelijk wezen,
dan zeg ik: heb geloof, gij zult het wel verstaan na dezen.
Als iemand neigingen vertoont om van zich af te slaan,
zeg ik: ‘berust, o mens, het wordt je niet door mensen aangedaan’.
Het is mooi werk om mensen zo tot steun te zijn
en een goed woord voor God te doen, ja dat is o zo fijn.


Elifaz c.s.

Maar Job, waar is je eerbied dan gebleven,
zou dan een mens niet voor zijn Maker beven?
Zie toch en vrees het lot der goddeloze.
En bid met kracht: verlos mij van den boze!
Want deze opstand voert tot ondergang
je felheid maakt me bang.

Job:

Zou ik niet fel zijn? Jullie woorden
willen mijn menselijkheid vermoorden.
Ik heb alleen nog mijn opstandigheid
en verder ben ik alles, alles kwijt!
God heeft mij zonder reden neergesmeten
en zouden jullie dan die reden weten?
Met breuk op breuk heeft Hij mijn hart gebroken,
met zwaard en speer mijn ziel doorstoken.
Ik ben geschonden, en van iedereen verlaten.
Wil me tenminste dan mijn strijd met God nog laten!

Lied van de vragende/strijdende mens:

Steeds herhaalde vragen
Bijna niet te dragen
Waarom een kind onschuldig lijdt
Waarom de eindeloze strijd
De jaloezie, de haat en nijd
Lijden is van alle tijd

Het kind -pas zes - onder die auto
Die bekroonde krantenfoto
Beelden op de televisie
Is dat alles Providentie?

Wij zouden het zo graag geloven
Dat ergens een beleid is
Goed en recht
Maar als er al beleid is,
Ergens Boven,
dan lijkt dat al te dikwijls hard en slecht

U hebt ons vast wel heel wat te vergeven
Wij mensen leven dikwijls minder dan een beest
Maar bent u in ons broze leven
niet al te vaak
de zwijgende afwezige geweest?

Niet dat we u alleen maar willen loven
als in ons leven louter voorspoed landt
Maar ’t is niet makkelijk om altijd te geloven
dat deze wereld
welbewaard is in uw hand

Soms lijkt het of we speelgoed zijn
dat kort gebruikt
en daarna achteloos terzij gesmeten wordt
Zolang nog ergens kinderen sterven,
schiet U dan niet in liefde zeer tekort?

Of is het zo dat U ons huilen hoort
en al ons lijden hebt gezien
Maar machteloos en zonder woord
nog harder huilt dan wij, misschien?

Job:
Zo waar God leeft, die mij mijn recht onthoudt,
ik zal Hem niet verloochenen of vloeken.
Maar ook niet in mezelf gaan zoeken
naar zonde of die ene fout,
waardoor ik Hem onschuldig moet verklaren.
Ik diende Hem in al mijn levensjaren.
En wat de mensen ook mogen beweren:
ik claim mijn onschuld voor het aangezicht des Heren.
Ik daag Hem uit, ik klaag Hem aan!
Niet ik, maar Hij dient hier terecht te staan!

God:


Het zij zo, hoor dan mijn verdediging,
die ik zal geven ter verantwoording
Waar was je, mens, toen ik de aarde schiep?
Toen ik vanuit het duister licht en leven riep?
Toen ik de zeven scheppingsdagen telde
en zon en maan tot wachters stelde?
Waar was je toen ik alle dingen
tot aanzijn riep
en alle ordeningen
aanbracht in natuur en aarde,
en zo de chaos maakte tot een gaarde?
Kijk naar de dieren, hoe ze imponeren!
Wou jij de Schepper van ’t heelal een lesje leren?


Reactie Job:

Ik ben te klein, ik kan alleen maar zwijgen.
Ik weet dat ik toch geen gelijk zal krijgen.
Tweemaal heb ik getracht, me te verweren,
maar ’t heeft geen zin, ik zal ’t niet weer proberen.
Als de Almachtige in bliksem en in donder
Zich zo laat gelden
is ’t geen wonder
dat dan een sterveling zich overdonderd buigt.
Ik zwicht…maar ben niet overtuigd

Achter de schermen:
We zijn weer in de hemel waar zich God bevindt.
En Hij is blij en opgetogen, want dit mensenkind
is niet voor de clichés en overmacht gezwicht
Hij is gelovig blijven staan in het gericht
en durfde als een vriend met God te strijden.
Zij leden beiden aan de vriendschap,
maar hun vriendschap kon het lijden.
En ook al blijven duizend vragen open staan,
de liefde draagt ten diepste ons bestaan.



naar de top van deze pagina