Terug naar de alternatieve homepage van de FLAL Tochten informatie van de 31e winterserie 2003-2004 van de FLAL
ZOUTKAMP
De route:
De Ballastplaatbos Wandeltocht
embleem van de FLAL Startplaats van deze tocht is vanaf de mooie familiecamping "de Roussant" te Zoutkamp. Alle afstanden gaan eerst door het oude garnalendorp Zoutkamp en via het Groninger landschap komt men in het Lauwersmeergebied, hier worden de bossen, het Vlinderbalgbos en het Ballastplaatbos aangedaan.
De 40 en 50 km bezoeken ook het Marnebos, en de wandelaars met de langste adem bezoeken ook de haven van Lauwersoog en het Lauwersoogbos.
De wandeling in het Lauwersmeergebied gaat hoofdzakelijk over zand- en graspaden en op de terugweg komen de deelnemers door het pittoreske dorpje Vierhuizen. Via een oud kerkpad komen we weer in Zoutkamp.

Historie
Tot 1969 zag het Lauwersmeergebied er net zo uit als de Waddenzee van nu. Eb en vloed bepaalden het landschap: via prielen, geulen en slenken stroomde het zeewater in en uit. De Lauwerszee was een inham van de Waddenzee, compleet met geulen, zandplaten die bij eb droogvielen en smalle stukken kwelder langs de randen.

naar de top van deze pagina
Terpen
Rond 500 voor Christus kwamen de eerste mensen (Friezen) in het gebied wonen. Ze gingen wonen op de verhoogde, natuurlijke ‘heuvels’ in het landschap. Zo ontstonden de terpen (Fries) of wierden (Gronings). Bij overstromingen staken de terpen boven de golven uit en gaven zo bescherming aan haar bewoners. Maar het groeiende aantal bewoners zorgde in de loop der tijd voor het nodige ruimtegebrek op de aarden heuvels. Vandaar dat men rond het jaar 1000 begon met de aanleg van dijken om de woonplaatsen en landbouwgronden te beschermen tegen overstromingen. Kloosters in de omgeving speelden daarbij een belangrijke rol. Ook legde men polders aan: zo gauw de opslibbing van zeeklei hoog genoeg was, kwam er een nieuwe dijk. De inpolderingen boden prima landbouwgrond. In het huidige landschap zijn de vroegere zeedijken gemakkelijk terug te vinden.

Vaargeulen afsluiten
Al in 1600 maakte men plannen om de brede zeegeulen naar Dokkum en Groningen af te sluiten. Maar de scheepvaart was in die tijd zo’n belangrijke bron van inkomsten, dat afsluiting niet aan de orde was. Maar... zoals vaker: als het kalf verdonken is, dempt men de put. Want de honderden slachtoffers tijdens de Kerstvloed van 1717 zijn de directe aanleiding om het Dokkumerdiep af te sluiten. Zo ontstaat Dokkumer Nieuwe Zijlen (zijl betekent sluis). Het Reitdiep, een grote, vier kilometer brede zeegeul, is pas in 1877 bij Zoutkamp afgesloten. Het in 1870-1876 gegraven Eemskanaal nam vanaf toen de functie van het Reitdiep als vaargeul naar de stad Groningen over. Tot aan de afsluiting van het Reitdiep was eb en vloed in de Lauwerszee in de stad Groningen goed merkbaar.
naar de top van deze pagina

Boerenmethode
Het noorden van Nederland is eeuwenlang op de zee bevochten. Aanvankelijk kwam de mens daar niet aan te pas, maar om kweldervorming te versnellen, hanteerden de kustboeren vanaf de 17e eeuw een speciale werkwijze: de ‘boerenmethode’. De kustboeren groeven, wanneer de buitendijkse gronden door natuurlijke opslibbing hoog genoeg waren, smalle en vrij diepe greppels. Zo stroomde het zeewater bij eb makkelijker weg en droogde de grond beter in. Met als resultaat dat het vers aangevoerde slib zich beter hechtte aan de grond. Ook planten groeiden beter op de wat drogere grond. De groei van planten, zoals zeekraal, was belangrijk, want deze functioneerden als slibvangers. De greppels (en eventueel sloten) moesten wel jaarlijks worden uitgegraven. Het slib werd op de tussenliggende percelen gegooid. Dit werd in de winter gedaan, als er voor de arbeiders op de boerderij weinig te doen viel. De kustboeren kregen, op grond van het Ommelander Landrecht (1601), de eigendomsrechten van de landaanwinning. Vooral in Noord-Groningen zijn veel polders langs de kust bedijkt volgens de boerenmethode.
naar de top van deze pagina

Werkverschaffing
Doordat de eigendomsrechten bij landaanwinning wijzigden, werd het voor landeigenaren minder aantrekkelijk om aan landaanwinning te doen. Dat is één van de redenen dat de Staat rond 1930, in het kader van de werkverschaffing, aan de slag ging met grootschalige landaanwinningwerken. De Staat nam een Duits systeem van landaanwinning over: de ‘gewijzigde Sleeswijk-Holstein-methode’. Dat ging als volgt: men bouwde, loodrecht op de kust, op een onderlinge afstand van 400 meter, dammen. Deze bestonden uit twee rijen palen met daartussen rijshout. Vervolgens bouwde men, evenwijdig aan de kust, op een afstand van 400 meter nog zo’n dam. Zo ontstonden er bezinkvelden van 400 bij 400 meter. Door de aanleg van dammen en palenrijen verdeelde men de velden in vakken van 100 bij 100. Greppels en een opening in de rijshoutdam aan de zeezijde zorgden voor de afwatering. Deze werkwijze strekte zich soms wel tot 1200 meter of meer uit de kust uit. Doel van dit alles was om het woelige zeewater te temmen, zodat het meegevoerde slib in de vakken werd afgezet en er kwelderplanten gingen groeien. Om de opslibbing zoveel mogelijk te bevorderen, moesten de greppels vrijwel jaarlijks worden hergraven. Aanvankelijk gebeurde alles met de hand. Het aantal werknemers heeft in de crisistijd (jaren ‘30) ruim 1000 bedragen, vooral werklozen. Na 1950 is men geleidelijk overgegaan tot mechanisering van het graafwerk.

naar de top van deze pagina
Cultuurhistorie
Toen de Lauwerszee in mei 1969 werd afgesloten, was een kleine 2000 hectare bedekt met landaanwinningswerken. Een groot deel daarvan is na de afsluiting in cultuur gebracht en is nu in gebruik als landbouwgrond. Slechts op enkele plaatsen in het zuidelijke deel van Nationaal Park Lauwersmeer vindt u iets terug van dit stuk cultuurhistorie. Zo kunt u op de zuidelijke platen de halfvergane palenrijen van de voormalige rijshoutdammen nog zien staan. En als u goed kijkt, ontdekt u in het landschap zelfs de regelmatige rechte en vierkante patronen van de vroegere bezinkvelden. U kunt daarvoor het best terecht op de uitkijkheuvel op de Zoutkamperplaat.

naar de top van deze pagina
Zoutkamp
Wie Zoutkamp zegt, zegt garnalenvisserij. Dat is niet altijd zo geweest. Zoutkamp was, door haar strategische ligging, pal aan de Lauwerszee, vooral bekend als militaire schans. Maar altijd heeft de visserij een belangrijke plaats ingenomen. Tegen het einde van de zestiende eeuw visten de Zoutkampers op zee vanuit kleine, open boten. Eigenlijk is er over de ontwikkeling van Zoutkamp als Middeleeuwse vissersplaats tot het begin van de negentiende eeuw maar weinig bekend. Vooral de militaire geschiedenis voerde de boventoon. Pas in 1879 was het echt gedaan met Zoutkamp als legerplaats. Toen werd het kruitmagazijn gesloopt en de gronden als bouwterrein verkocht.

naar de top van deze pagina
Stoomtrawlers
In de negentiende eeuw visten de Zoutkampers voornamelijk op schelvis. Daarnaast was er in het dorp tussen 1817 en 1834 nog een haringdrogerij. In 1839 bestond de Zoutkamper vissersvloot uit twintig schepen. De opkomst van de stoomtrawlers, na 1880, zorgde voor grote veranderingen in de visserij. Veel Zoutkamper vissers monsterden zich in opkomende vissersplaatsen IJmuiden en Vlaardingen aan op de grote trawlers en loggers. De opkomst van deze ‘moderne’ visserij betekende de ondergang van de Zoutkamper ‘beugvisserij’ (lange lijnen met vishaken en aas die op zee werden uitgezet).

naar de top van deze pagina
Haven Lauwersoog
Na 1920 werd er voor het eerst vanuit Zoutkamp met stoomtrawlers in de Noordzee op rond- en platvis gevist. In deze periode neemt ook de garnalenvisserij in betekenis toe. Garnalen werden niet alleen voor de consumptie gevangen, maar ook voor de verwerking tot veevoer (‘puf’). Nadat in 1938 de laatste trawler uit Zoutkamp vertrok, werd de garnalenvisserij steeds belangrijker. Al snel kwam daar ook de schelpenvisserij ( en verwerking) bij. Na 1945 ontwikkelde Zoutkamp zich tot het centrum van de Nederlandse garnalenvisserij. Met de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 verhuisde de Zoutkamper vloot noodgedwongen naar Lauwersoog. Daar voeren de vissers nu dagelijks hun verse, aan boord gekookte garnalen aan. Eenmaal per jaar, op ‘Vlaggetjesdag’ (Tweede Pinksterdag), doet de vloot de haven van Zoutkamp weer aan. Voor meer informatie over de geschiedenis en ontwikkeling van de Zoutkamper visserij is een bezoek aan het Visserijmuseum te Zoutkamp een must (Reitdiepskade 11, 9974 PJ Zoutkamp, telefoon: 0595-401957).

Drie beroepsvissers
Op het Lauwersmeer zijn momenteel nog drie beroepsvissers actief. Zij hebben een vergunning om met fuiken en palingkistjes op aal te vissen.

naar de top van deze pagina
Vroege plannen
De eerste plannen voor afsluiting van de Lauwerszee dateren al van 1849 en zijn afkomstig van waterstaatsingenieur Van Diggelen. Zijn belangrijkste argument voor een eventuele afsluiting van de Lauwerszee is de verbetering van de afwatering van het achterland. Want door verzanding van geulen in de Lauwerszee is de (regen)waterafvoer verslechterd, waardoor in natte perioden grote gebieden in Groningen en Friesland zouden kunnen overstromen. Maar vanwege economische en politieke argumenten gaan deze plannen niet door.

naar de top van deze pagina
Afronding landaanwinningswerken
In de jaren dertig van de vorige eeuw komt de afsluiting van de Lauwerszee opnieuw in beeld, nu ter afronding van de landaanwinningswerken. De Staat is namelijk, in het kader van de werkverschaffing, begonnen met grootschalige landaanwinningswerken, en heeft het plan om een dijk van Ezumazijl naar Zoutkamp aan te leggen. Ook dit plan belandt in de kast. Wel komt er een Technische Werkcommissie Lauwerszee, met als opdracht het maken van een plan voor de afsluiting van de Lauwerszee.

naar de top van deze pagina
De Lauwerssé moat ticht!
De stormramp in de nacht van 31 januari op 1 februari 1953 en de Kerstvloed van 1954 hebben grote invloed op de plannenmakerij. De argumenten ‘het vergroten van de veiligheid’ en ‘het verkorten van de kustlijn’ gaan opeens een grote rol spelen. Rijkswaterstaat heeft twee opties: de omliggende zeedijken (32 km) van de Lauwerszee op Deltahoogte brengen of de aanleg van een 13 km lange afsluitdijk. Ondanks het feit dat afsluiting de afwatering van 200.000 hectare achterland verbetert én landwinst oplevert, wil de regering, uit financieel oogpunt, de bestaande dijken verhogen. Dit is niet naar de zin van de Friezen. Massale protesten, o.a. 135.000 (!) handtekeningen, vallen de regering ten deel. Het grootste deel van de bevolking kiest voor veiligheid: ‘Lauwerssé moat ticht’ staat er op posters achter de ramen aan de Friese kant te lezen. Tegen de afsluiting zijn de garnalenvissers uit Zoutkamp. Volgens hen zou de Lauwerszee veranderen in een ‘troosteloze modderpoel’. Ook natuurbeschermers zijn tegen: één van de laatste inhammen van de Waddenzee verdwijnt, inclusief zeehonden, eidereenden en de natuurlijke dynamiek van het gebied. Toch zwicht de regering voor de druk: in 1960 valt het ‘Besluit tot Droogmaking van de Lauwerszee’.

naar de top van deze pagina
Afsluiting
In 1961 begint Rijkswaterstaat met dit immense project. Naast een 13 kilometer lange afsluitdijk moet men ook spuisluizen en een schutsluis bouwen. Die spuisluizen zijn niet meer dan 12 grote betonnen kokers door de zeedijk, met ieder een doorsnee van 10 meter. Bij laagwater in de Waddenzee kunnen de spuisluizen, onder natuurlijk verval, het overtollige water op de Waddenzee lozen. Bij opkomend water en/of storm gaan de spuisluizen dicht. In 1966 is de nieuwe dijk zover gevorderd dat er nog een gat van 900 meter resteert. In dit gat zijn de stroomsnelheden van het zeewater zo groot dat dit niet eenvoudig dichtgestort kan worden. Daarom is dit laatste gat met 25 betonnen doorlaatcaissons gedicht. Deze caissons zijn 33 meter lang, 15 meter breed en 12 meter hoog. Elk caisson bestaat uit zes sluizen die met een stalen klep gesloten konden worden. Alle 25 caissons zijn gebouwd op een speciaal gedeelte van het werkeiland Lauwersoog, dat beneden het zeewaterpeil lag (de huidige jachthaven Noordergat). Om de caissons naar de juiste plek te brengen, steekt men de dijk rond dit terrein door, zodat de caissons gingen drijven. Tijdens kenteringen (tussen eb en vloed), als het zeewater vrijwel stilstaat, vaart men de caissons naar hun plaats, zinkt ze af en zet ze vast op de zeebodem. Op 23 mei 1969 worden, onder het toeziend oog van koningin Juliana, de laatste twee caissons gekoppeld ingevaren en afgezonken. Op 25 mei 1969 is het dan eindelijk zover: op het moment dat de ebstroom uit de Lauwerszee ophoudt, sluit men alle 150 kleppen van de caissons tegelijk: de afsluiting is een feit. Het Lauwersmeer is geboren... Het afwerken van de dijk komt in 1970 gereed. De caissons zijn onder het dijklichaam verdwenen en niet meer terug te vinden.

naar de top van deze pagina
Nationaal Park
De afsluiting is een ingreep van jewelste. Zo verliest Zoutkamp haar bruisende hart; de visserijhaven verplaatst zich noodgedwongen naar Lauwersoog. De vlag hangt zelfs halfstok als koningin Juliana het dorp op 23 mei 1969 bezoekt. Ook gaat er een prachtig stuk waddennatuur verloren. Toch heeft het vriend en vijand verbaasd hoe snel de natuur het Lauwersmeer heeft omgetoverd tot een geheel nieuw natuurgebied met internationale allure. Binnen dertig jaar de titel Nationaal Park waard, een prestatie van formaat!

naar de top van deze pagina
Nationaal Park Lauwersmeer
Nieuw land

Na de afsluiting in 1969 van de Lauwerszee geeft de Minister van Financiën aan de Rijksdienst IJsselmeerpolders (RIJP) opdracht om het nieuwe gebied (ruim 9000 ha), in samenwerking met Rijkswaterstaat, in te richten en te beheren. Er lag toentertijd ongeveer 7000 ha nieuw land 'braak'. Ongeveer 2000 ha van de vroegere Lauwerszee blijft open water. De hoogste, vruchtbaarste delen van het Lauwersmeergebied werden landbouwgebied, een ander deel werd als militair oefenterrein ingericht en op verschillende plaatsen kwamen voorzieningen voor recreatie. Maar in het grootste deel van het gebied kreeg de natuur de vrije hand om zich te ontwikkelen.

naar de top van deze pagina
Een enorme ingreep
De afsluiting betekende voor de waddennatuur in het Lauwerszeegebied een enorme ingreep. In het begin zat er nog veel zout in de bodem. Er groeiden dan ook planten die ook in het waddengebied te vinden zijn, zogenaamde zoute pioniers. Het ontstaan van brak grasland ging heel traag. Toen het er eenmaal was, ging de verruiging van de graslanden snel. Het opkomen van struweel ging daarentegen weer vrij langzaam. Rond 1980 startte Rijkswaterstaat met actief natuurbeheer. In 1982 is de keuze gemaakt om delen van het gebied (1000 ha) te laten begrazen in het zomerseizoen. Hierdoor bleven, zo hoopte men, de (brakke) grazige en slikkige terreinen aanwezig. Vanaf 1989 kwam daar ook jaarrondbegrazing bij. In gebieden waar geen begrazing werd uitgevoerd, nam de verruiging snel toe, waardoor de slikken geheel begroeid raakten. De dierenwereld veranderde mee met de ontwikkeling van het plantenaanbod. De eerste dieren die het gebied bevolkten waren - uiteraard - de vogels. Al snel daarna volgden de zoetwatervissen, die op hun beurt weer als voedsel dienden voor lepelaars, aalscholvers en duikeenden. Vanuit het omringende, 'oude' land trokken reeën, konijnen, hazen, vossen, muizen, mollen en andere kleine zoogdieren het Lauwersmeergebied binnen. In de loop der tijd verdwenen sommige dieren uit de beginfase of namen in aantal af. Maar er kwam een groot aantal nieuwe soorten voor in de plaats.

naar de top van deze pagina
Natuurbeleid
Grote delen van het Lauwersmeergebied werden in het kader van de derde Nota Ruimtelijke Ordening aangewezen als Grote Eenheid Natuurgebied (GEN). Deze status is in juli 1994 overgegaan in de wettelijke status van Staatsnatuurmonument, vallend onder de Natuurbeschermingswet. De aanwijzing tot Staatsnatuurmonument betekent niet dat eigenaren en gebruikers niets meer mogen. Meestal is de aanwijzing erop gericht de bestaande toestand te handhaven. Als het bestaande beheer en gebruik voor de natuur niet schadelijk is, mag dat gewoon worden voortgezet. In het Lauwersmeergebied geldt dat o.a. voor het scheepvaartverkeer in de vaargeul. Uiteraard moeten gebruikers en bezoekers zich wel aan de regels houden. Activiteiten die wel schadelijk zijn, maar toch noodzakelijk, kunnen met een vergunning worden toegestaan. Sinds 1 januari 1993 is 4700 ha van het Lauwersmeergebied toevertrouwd aan de zorgen van Staatsbosbeheer.

naar de top van deze pagina
Instelling Nationaal Park
In het Structuur Schema Groene Ruimte, deel 3 (1993) werd het Lauwersmeergebied als een potentieel Nationaal Park genoemd. Zo'n Nationaal Park is volgens internationaal aanvaarde definities 'een aaneengesloten gebied van tenminste 1000 ha, bestaande uit natuurterreinen, wateren en/of bossen, met een bijzonder landschappelijke gesteldheid en planten- en dierleven, waar tevens goede mogelijkheden zijn voor recreatief medegebruik'. De Voorlopige Commissie Nationale Parken (VCNP) heeft in 1997 een advies uitgebracht met daarin de mogelijkheden om het Lauwersmeer aan te wijzen als Nationaal Park in oprichting (i.o.). Op 7 april 1999 is door de toenmalige staatssecretaris Geke Faber van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het gebied officieel ingesteld als Nationaal Park i.o. De staatssecretaris heeft ook de leden van het Overlegorgaan benoemd.

naar de top van deze pagina
Nabeschouwing
De tocht vanuit Zoutkamp de negende uit de serie van 12 wintertochten, startte met een matige opkomst, alhoewel het toch heel redelijk wandelweer was, er hadden zich 255 wandelaars voor de tocht ingeschreven, waarvan 146 op de 25 km en 68 voor de 40 km en 41 voor de 50 km.
Er liepen deze keer 189 wandelaars tegen administratie-kosten, 9 gingen er voor het schildje, 19 gingen er voor de beker, 19 voor het wandbord en 19 voor een medaille.