Sint Thomas-wandeltocht op 24 december 2005, route-informatie: (bron: www.flal.nl)
De traditie.
In het zuiden van Friesland staan nog een groot aantal klokkenstoelen Deze houten klokkenstoelen zijn gebouwd, omdat de weke venige ondergrond een zware stenen toren met klokken niet kon dragen. De oorspronkelijke fundering van de klokkenstoel bestond vaak uit een aantal zwerfkeien, die met de ijstijd waren aangevoerd.
Jaarlijks tussen 21 december en 1 januari worden de klokken in de dorpen Oudehorne en Katlijk geluid. In deze plaatsen is het eeuwenoude gebruik bewaard gebleven; het Sint Thomasluiden.
Samen met het midwinterhoornblazen in Twente één van de oudste tradities in ons land. Hoewel de naam doet vermoeden, dat het luiden een kerkelijke gebruik is, blijkt het reeds te stammen uit de tijd van de heidenen. Doel was om tijdens de lange donkere dagen de boze geesten te verjagen.
Vroeger luidden de klokken gedurende 24 uur, dus dag en nacht. Heden ten dage wordt er van ‘s morgens 7.00 uur tot ‘s avonds 10.00 uur geluid.
Onze wandeling heeft de naam van deze traditie gekregen en zal ook langs beide klokkenstoelen gaan. De wandelaar kan ook zelf het handwerk van klokkenluider ter hand nemen.
Voor meer informatie kunt u de web sites van de dorpen bezoeken.
www. Katlijk.nl en www. Oudehorne.nl
De 35 km wandeling.
De tocht begint in één van de weinige Friese brinkdorpen Oldeberkoop, gelegen tussen de riviertjes Tjonger en Linde in het zuidoosten van Friesland. De taal, die er gesproken wordt is Stellingwerfs. De taalgrens tussen het Fries en het Stellingwerfs ligt op de Tjonger. Olderberkoop bestaat dit jaar 900 jaar. Het centrum van het dorp rond de fraaie Bonifatiuskerk is een beschermd dorpsgezicht.
Op de brink staat een beeldje van een geit, snoesje, daar geplaatst door de oudejaarsvereniging Geitefok, bij velen bekend van de vele oudejaarsstunten.
De Bonifatiuskerk, een erg mooi bouwwerk, is in fasen gebouwd in de 12e, 15e, 16e en 17e eeuw. Aan de buitenkant is dit te zien aan de verschillende steensoorten, die gebruikt zijn.
We verlaten het dorp en wandelen naar het ten oosten gelegen 195 ha grote natuurgebied, Dellebuurtsterheide, De Hoorn en Catspoele. Een gebied bestaande uit heide, beekdallandschap en eikenhakhout, in beheer bij het 75 jarige It Fryske Gea, de Friese natuurbeschermings organisatie. Verdere informatie over het gebied is te vinden op:
www. Itfryskegea.nl
Door de Tjongervallei gaat de route verder en vervolgens langs enkele overblijfselen van het hoogveen met een replica van een plaggenhut. Via oude voetpaden en langs de voor dit gebied kenmerkende elzenwallen en wijken gaan we verder naar de klokkenstoel in Oudehorne, waar we gezamenlijk met de 25 km wandelaars onze weg vervolgen. De wallen en bosjes zijn veelal in eigendom bij het SBB.
Na de rust in Oudehorne vervolgen we onze weg via fraaie, veelal onverharde binnenpaden door bosje en langs boswallen naar de klokkenstoel in Katlijk. De klokkenstoel ligt naast het Thomaskerkje, dat eigendom is van de Stichting Alde Fryske Tsjerken. In 1305 stond hier reeds een kapel. Uit latere geschriften blijkt, dat men voor de kerk huur aan de Heren van Vollenhove moest betalen. Naast kerkdiensten worden hier concerten en exposities gehouden. De eerste bewoners van Katlijk kwamen hier op een vlot over de Tjonger. In 1673 werd de bisschop van Münster tijdens het “Bijenoproer” verdreven. De Bisschopslaan herinnert hieraan.
We verlaten het dorp langs het beeld “De Raaptepper”, de gele knollen werden hier vroeger veel verbouwd en gegeten. Op een veldkei, het 4 mei monument, staan de namen van de inwoners van Katlijk, die tijdens de laatste wereldoorlog zijn omgekomen.
Via het natuurgebied Katlijker heide van It Fryske Gea wandelen we terug naar de tweelingdorpen Nieuwehorne, Oudehorne. Door de Tjongervallei gaan we naar sluis 1, waar we de Tjonger oversteken richting finish. Voor we daar aankomen gaat de route over de rivierduinen en door het Meulebos, een ontwerp van de beroemde landschapsarchitect Rootbaert, beide gebieden zijn in eigendom en beheer bij It Fryske Gea.
De 25 km wandeling.
De wandelaars op de 25 km route wandelen door het Meulenbos, dat onlangs in oude luister is hersteld ( zie boven) en steken daarna de Tjonger over. Via het natuurgebied De Kiekenberg, ( kieken = kijken) vroeger een natuurlijk uitkijkpunt over de Tjonger, van het SBB gaan we over mooie paden omzoomd door hulststruiken, naar de klokkenstoel in Oudehorne, waar we de 35 km wandelaars treffen, waarna we over dezelfde route verder gaan.
Deze speciale tocht met een traditioneel tintje mag u natuurlijk niet missen.
Hopelijk is het op 24 december net zulk weer als toen ik de tocht voor de eerste keer liep. Het had toen gesneeuwd en er lag een laagje van 10 cm sneeuw op de velden en in de bomen. Het was een prachtig gezicht. Elk jaar hopen we op een witte Kerst, dus wat mij betreft mag dat dit jaar zo zijn.
Oldeberkoop
Geschiedenis. Oldeberkoop ligt in de gemeente Ooststellingwerf. Ooststellingwerf was al heel lang geleden bewoond. Bij archeologische opgravingen zijn voorwerpen gevonden uit het stenen en bronzen tijdperk.
Een van de bekendste daarvan is het offermes van Appelscha, dat tegenwoordig te bezichtigen is in het Fries Museum te Leeuwarden.
Het gebied behoorde aanvankelijk tot Drenthe. In het jaar 1328 kwam de afronding, toen 12 kerspelen van Drenthe zich aansloten bij de Friezen van Stellingwerf.
Tot het begin van de 16e eeuw heeft het gebied als een zelfstsandige boerenrepubliekje gefunctioneerd. Het bestuur was toen in handen van zgn stellingen; vandaar de naam Stellingwerf. Daarna is het bij Friesland ingedeeld, aanvankelijk als één, later - in 1524 - als twee grietenijen. In dit gebied zijn vroeger geregeld oorlogen gevoerd, veelal rondom de verdedegingswerken, de zgn schansen, die gelegen waren aan enkele toegangswegen tot Friesland, in het immens grote veengebied tussen Friesland en Drenthe/Overijsel. Bij Oldeberkoop lag de Bekhofschans, elders in het noorden van deze streek lagen de Enerschans en de Breebergschans.
Met name Oldeberkoop heeft veel te lijden gehad van de troepen van de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. De tot de Tweede Wereldoorlog zo schamele verdiensten haalde men uit de vervening, de landbouw, de bosbouw, de jacht en enige handel. In deze eeuw, en dan vooral sinds de jaren vijftig, is een snelle ontwikkeling op gang gekomen, waardoor veel mensen werk hebben gevonden in handel, industrie en dienstverlening.
In de nabije omgeving van Oldeberkoop liggen drie natuurgebieden: de Dellebuursterheide met het aangrenzende Diakonieveen, de Kiekenberg en het Stuttebosch. Deze natuurgebieden zijn vanuit de passantenhaven, zeker op de fiets, goed te bereiken.
De Dellebuursterheide vormt met het Diakonieveen een groot en mooi natuurgebied. Het is een glooiend landschap vol variatie, met natte en droge delen. Er zijn gemarkeerde wandelroutes. De langste route, twaalf kilometer, is een prachtige wandeling over schraalgraslanden en heide, door bos, langs vennen, oude rivierarmen en de Tjonger. Dit gebied ligt oostelijk van Oldeberkoop.
De Kiekenberg ligt ten noordwesten van Oldeberkoop, aan de andere kant van de Tjonger. De Tjonger was vroeger een natuurlijke grens. Vanaf twee stuifduinen, de Kiekenbergen, kon men de doorwaadbare plaatsen goed in de gaten houden. Van oudsher zijn er op de Kiekenberg heidevelden, hakhoutbosjes en akkers geweest. Bij een archeologisch onderzoek in 1942 zijn sporen gevonden van een kapelletje uit de 12e of 13e eeuw. Er is een gemarkeerde wandeling van ongeveer zeven kilometer.
Ten zuidoosten van Oldeberkoop ligt, bij het beekdal van de Linde, het Stuttebosch. Het landschap is in de laatste ijstijden ontstaan. Het gebied bestaat uit schrale hooilandjes, jonge bosaanplant van eik en fijnspar, afgewisseld met oud bos waar varens in allerlei soorten de bodem bedekken. In het hele natuurgebied groeien bijzondere planten. De das, het ree, tal van vogelsoorten, vlinders en libellen bevolken het Stuttebosch.
Oude- en Nieuwehorne
De zusterdorpen Oude- en Nieuwehorne zijn gelegen in het zuidoosten van Friesland, op 8 km afstand van Heerenveen.
In de directe omgeving wisselen houtwallen bossen en kleinschalige landerijen elkaar af. Aan de zuidzijde grenzen de dorpen aan de Tjongervallei, het uitgestrekte open landschap van het stroomdal van het gekanaliseerde riviertje de Tjonger. De vervening heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van het gebied. De Schoterlandseweg vormt de centrale ontsluitingsas in het gebied. Naast de langgerekte dorpskernen van Oude- en Nieuwehorne is de lintbebouwing kenmerkend. Oude- en Nieuwehorne hebben samen ruim 2300 inwoners.
Voorzieningen
In Oude- en Nieuwehorne is sprake van een gevarieerd woningaanbod voor jong en oud. De dorpen hebben een goed voorzieningenniveau. Zo zijn er winkels, horeca, twee scholen en een apotheekhoudende huisartsenprakijk. Daarnaast is er veelzijdige kleinschalige bedrijvigheid.
Er is een bloeiend verenigingsleven, zowel sportief als cultureel. Het dorpshuis "De Kiekenhof" en het sportcomplex bieden een veelzijdigheid aan faciliteiten. Oude- en Nieuwehorne zijn goed bereikbaar met het openbaar vervoer.
Recreatie
Oude- en Nieuwehorne zijn centraal gelegen in verschillende regionale fietsroutes. Er zijn uitgebreide wandelmogelijkheden. De natuurgebieden Kleine en Grote Kiekenberg en de op steenworp afstand gelegen Katlijkerheide en Katijkerschar zijn uniek. Oude- en Nieuwehorne zijn gelegen aan de Turfroute. Jaarlijks passeren ruim duizend boten Sluis I in de Tjonger. De laatste zaterdag van september is het Flaeijelfeest. Dit inmiddels landelijk bekende oogst- en dorsfeest trekt ieder jaar weer vele tienduizenden bezoekers.
De historie van Katlijk
Eeuwen geleden bestond Katlijk en omgeving uit veen- en heidevelden. In de 16e eeuw had het rijke westen van Nederland behoefte aan brandstof (turf). In Friesland woonde de edelman Pieter van Dekema. Hij had kennis van de grote veengebieden, had geld en kende buiten Friesland Johan van Cuyck en Floris Foeyts. Met z'n drieën begonnen zij de 'Schoterlandse Compagnie'. De compagnie kocht veengrond van o.a. de boeren in Katlijk en Brongerga. Daarna werd met schop en kruiwagen een lang kanaal gegraven, de Schoterlandse Compagnonsvaart, met zijkanelen (wiken) voor het transport van de turf per boot. De Schoterlandse Compagnonsvaart werd gekruist door de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Op die plaats is in 1551 de plaats Heerenveen ontstaan.
Dat de geschiedenis van Katlijk veel ouder is staat vast. Het is bekend dat er in 1315 een kapel stond en in 1408 werd er huur betaald aan Vollenhove. Ook is bekend dat omstreeks 1525 de huidige kerk is gebouwd. In 1673 werd de bisschop van Münster door de Katlijkers verslagen. Volgens de overlevering heeft Herman de Stroper, tevens bijenhouder, hier een groot aandeel in gehad. De huidige Bisschoplaan werd n.l. geblokkeerd met openstaande bijenkorven om zo de Bisschop met zijn mannen tegen te houden. Zo zou de Bisschoplaan in Katlijk aan zijn naam zijn gekomen.
Katlijk bestond uit Groot-Katlijk (richting Nieuwehorne-Mildam) en Klein-Katlijk (richting Oranjewoud) Ook was er nog een Nieuw-Katlijk, het latere Boven-Knijpe, nu deel van De Knipe.
Katlijk was vanouds een boerendorp, zo werd de huidige W.A. Nijenhuisweg eerder Boerenstreek genoemd.
Sint Thomas-wandeltocht op 24 december 2005, historie omgeving:
Als met Sint Thomas (21-12) de dagen lengen, beginnen de nachten te strengen.
Niemand klaagt over lawaai in Katlijk
Katlijk – Boingg, bingg, boinggg, bingg. Het geluid trilt door alles heen en duurt nu al ruim een week. Maar niemand die er over klaagt. Het Sint Thomasluiden is traditie. Oorspronkelijk bedoeld om boze geesten weg te jagen. Tegenwoordig aanleiding voor veel oud-Katlijkers om even terug te keren naar hun voormalige woonplaats.
De traditie om boze geesten te verjagen is duizenden jaren oud. Het luiden start op 21 december (de kortste dag en de geboortedag van Sint Thomas) en gaat door tot nieuwjaarsdag. Het lawaai klinkt tot in de verre omgeving. Voor de gemeente Heerenveen ooit reden om het Sint Thomasluiden te verbieden. Ambtenaren haalden zelfs de klepels uit de klokken om het luiden te verhinderen.
De Katlijkers waren de gemeente echter te slim af en bedachten een oplossing om de traditie toch door te zetten. De gemeente heeft de strijd ten slotte maar opgegeven en geeft nu zelfs subsidie voor het evenement. Het dorp heeft 25 klokkenluiders. De jongste is 17, de oudste 73.
De demonstratie klokkenluiden is vijftien jaar geleden voor het eerst georganiseerd door het plaatselijk belang toen de eeuwenoude traditie in versukkeling dreigde te raken. Het initiatief bleek een groot succes. Tegenwoordig komen er zo’n duizend mensen naar Katlijk voor het evenement.
Alle dorpsgenoten en oud-Katlijkers krijgen op de demonstratie de kans de klokken in de juiste cadans heen en weer te laten slingeren. Dirk-Jan Woudstra heeft die kans niet laten schieten. ,,Het is niet zo moeilijk, hoor. Als je het eenmaal kunt, verleer je het nooit weer.’’ In z’n jonge jaren luidde hij geregeld de klok. Bij voorkeur midden in de nacht van zaterdag op zondag. Kwajongensstreken: ,,Normaal gesproken wordt de klok niet zomaar geluid. Dat is een ongeschreven regel. Maar ja, als jonge kerels uit de kroeg doe je dat natuurlijk wel.’’ Woudstra woont al zeventien jaar niet meer in het dorp. Maar voor het Sint Thomasluiden houdt hij nog steeds een dag vrij. ,,Het is bijna een reünie. Ik ken zeker een kwart van de mensen hier.’’
Het klokkenluiden is een kunst op zich, vertelt Thijssen. Eerst de grote, dan de kleine klok waarvan de toon een kleine terts hoger is, dan weer de grote klok, dan weer de kleine. ,,Als het goed gebeurt, krijg je een vierkant geluid: één, twee, drie, vier’’, doet hij voor.
Een enkeling kan in z’n eentje de twee klokken laten klinken. Maar de meesten hebben aan één klok meer dan genoeg. ,,Na tien minuten wordt er meestal gewisseld. Het is ontzettend zwaar.’’
Ooststellingwerf ligt centraal in het noorden van ons land, aan de Friese zijde van de grens met Drenthe. Zij raakt de provincie Groningen bijna. Deze natuurrijke gemeente beslaat zo'n 22.650 ha., en is daarmee een van de grotere gemeenten van Nederland. Ongeveer eenvijfde deel van de oppervlakte bestaat uit natuurterrein en bos. Het gebied is dun bevolkt, want het aantal inwoners op 1 januari 2002 was 26.725. De bevolking woont verspreid over dertien dorpen:
Appelscha, Donkerbroek, Elsloo, Fochteloo, Haule, Haulerwijk, Langedijke, Makkinga, Nijeberkoop,
Oldeberkoop, Ravenswoud, Waskemeer en
de hoofdplaats Oosterwolde.
Geschiedenis
Ooststellingwerf was al heel lang geleden bewoond. Bij archeologische opgravingen zijn voorwerpen gevonden uit het stenen en bronzen tijdperk.
Een van de bekendste daarvan is het offermes van Appelscha, dat tegenwoordig te bezichtigen is in het Fries Museum te Leeuwarden.
Het gebied behoorde aanvankelijk tot Drenthe. In het jaar 1328 kwam de afronding, toen 12 kerspelen van Drenthe zich aansloten bij de Friezen van Stellingwerf.
Tot het begin van de 16e eeuw heeft het gebied als een zelfstandig boerenrepubliekje gefunctioneerd. Het bestuur was toen in handen van zgn. stellingen; vandaar de naam Stellingwerf. Daarna is het bij Friesland ingedeeld, aanvankelijk als één, later - in 1524 - als twee grietenijen. In dit gebied zijn vroeger geregeld oorlogen gevoerd, veelal rondom de verdedigingswerken, de zgn. schansen, die gelegen waren aan enkele toegangswegen tot Friesland, in het immens grote veengebied tussen Friesland en Drenthe/Overijssel. Bij
Oldeberkoop lag de Bekhofschans, elders in het noorden van deze streek lagen de Eenerschans en de Breebergschans.
Met name
Oldeberkoop heeft veel te lijden gehad van de troepen van de bisschop van Utrecht en de graaf van Holland. De tot de Tweede Wereldoorlog zo schamele verdiensten haalde men uit de vervening, de landbouw, de bosbouw, de jacht en enige handel. In deze eeuw, en dan vooral sinds de jaren vijftig, is een snelle ontwikkeling op gang gekomen, waardoor veel mensen werk hebben gevonden in handel, industrie en dienstverlening. Veel arbeid is gecreëerd in tal van voorzieningen op het gebied van onderwijs en welzijn.
Taal
Ooststellingwerf neemt een bijzondere positie in Friesland in. Naast het Nederlands en het Fries kent de gemeente namelijk haar eigen taal.
Het "Stellingwerfs", officieel erkend als streektaal, wordt nog volop gebruikt in de kleinere dorpen. Het Fries wordt vooral gesproken in de noordelijke dorpen van de gemeente. De taalgrens, zo zegt men, ligt ongeveer langs de rivier de Tjonger of Kuunder.
Toekomst
De gemeente is de laatste jaren erg actief bezig om de werkgelegenheid te bevorderen. Dit beleid begint zijn vruchten af te werpen, want er is een toenemende vraag naar bedrijventerreinen in Ooststellingwerf. Voor ondernemers zijn aantrekkelijke voorwaarden geschapen om zich in de gemeente te vestigen. De gemeente kent een speciale bedrijvenfunctionaris, die startende ondernemers met informatie en advies terzijde staat.
Voor hen die van landelijk wonen en vertoeven houden, zijn er in Ooststellingwerf meer dan voldoende mogelijkheden. En, wat in deze tijd erg belangrijk is, de lucht is hier schoon en het drinkwater is helder en zacht.
Recreatie
Recreatiemogelijkheden heeft Ooststellingwerf volop. Voor de natuurliefhebber zijn er in het nationaal park het Drents Friese Wold de bossen en zandverstuivingen rond Appelscha. Het prachtige veengebied bij Fochteloo met de bijzondere uitkijktoren, te bereiken via Ravenswoud. Verder het typische coulissenlandschap aan de westkant van de gemeente: weiden en akkers, afgewisseld met boswallen en houtsingels.
Op zeven plaatsen zijn de karakteristieke klokkenstoelen te zien, met af en toe een oude Saksische boerderij.
Sint Thomas-wandeltocht op 24 december 2005, nabeschouwing:
s Morgens om even voor 09.00 uur vertrokken 466 wandelaars, met goed wandelweer.
Van de 466 wandelaars liepen er 384 tegen administratie kosten, 16 voor een beker, 13 hadden zich ingeschreven voor een schildje, 23 voor een wandbord en 30 wandelaars namen een medaille mee naar huis.
287 personen namen deel aan de 25 km en 177aan de 30km, 2 wandelaars gaven na 20 km de strijd op.
Sint Thomas-wandeltocht op 24 december 2005, verslag: