Er is nog geen informatie beschikbaar over het parkoers.
Lutjegast
Het oude zandkarspel Lutkegast, dat door inpolderingen met ongeveer
dezelfde oppervlakte goede kleigronden werd vergroot, heeft een interessante
historie. De uitgroei van het karspel en de wijze waarop die tot stand kwam
is belangwekkend, maar de roem van dit dorp ligt toch in de eerste plaats bij
de inwoners die zich op een of andere manier een reputatie hebben verworven.
Het is nogal duidelijk, dat dit karspel de naam heeft gekregen van de
gast die op zijn hoogste punt de kerk draagt. De gast is wel smaller dan die
waarop Grootegast ligt, maar het terrein is veel sterker geaccidenteerd. Bij
de kerk bereikt de gast een hoogte van 2.50 boven NAP. Ook De Wieren ten
zuiden van het dorp liggen relatief vrij hoog met bijna 2 m. boven NAP. Deze
Wieren zijn een klein zandig complex en de naam heeft dus de oorspronkelijke
betekenis van “hoogte” en heeft blijkbaar niets met een wierde of kunstmatige
verhoging te maken. Ten westen van De Wieren liggen de Mieden, de vroegere
madelanden. Het zuidelijkste deel staat op de kaart als “Hoge meden”, hoewel
ze beneden NAP liggen.
Zeer laag is ook het gebied, waar de heerden van de gast zuidwaarts
opstrekken tegen het noordeind van de Grootegaster heerden. Hier liggen
uitzonderlijk lage landen, met onder het veen een soort zandsloef:
afwisselend laagjes verslagen veen en laagjes fijn zand. Dit materiaal moet
hier in een meer zijn bezonken en later met veen overgroeid zijn. Deze
streek, gelegen in de Grootegaster molenpolder is plaatselijk sterk
uitgeveend. Ook na de herontginning die hier plaats vond, liggen er nog tal
van petgaten.
Er is een tijd geweest, dat Lutjegast een kustdorp was en dat men op de
gast het lied van de zee kon horen. De als een schiereiland vooruitspringende
diluviale gronden van Eibersburen zijn maar voor een klein deel van een
zeeslibdek vrij gebleven. De markante kustwal van de Westerhorn is hier
tussen Ooster-Froma en Hilmahuis niet meer aan te wijzen en zal er ook nooit
geweest zijn. De Fromaheerd, die vroeger op het nog herkenbare perceel ten
noorden van de hoge brug lag, werd in een stuk uit 1571 aangeduid als
“Fromaheerd op de Monnekedijk”. Als hier eens inderdaad een kunstmatige
zeewering is, dan zou die van Hilmahuis zuidwaarts langs de Stationsweg
hebben gelopen om bij de Fromaheerd af te buigen in oostelijke richting voor
aansluiting aan de zandgronden bij Wattemaheerd.
Het oude Hilmahuis, waar in de 19de eeuw nog twee boerderijen stonden,
was het oudste voorwerk van Gerkesklooster en dit wijst er op, dat de abt
zich hier met de bedijking heeft bemoeid. Hilmahuis wordt al in 1320 genoemd,
toen een overeenkomst tot stand kwam tussen het klooster en de eigen-erfden
van Langewold, betreffende de rechten op buitendijks land. In 1459 wordt er
gesproken van een dubbel voorwerk, namelijk Hillemahuis en Hinkemahuis.
Door deze kloosteruithof binnen hun karspel gelegen, kwamen de
ingezetenen van Lutjegast kerkelijk in een min of meer afhankelijke
verhouding tot Gerkesklooster. In 1459 spreekt de abt van “onse Kerke tho
Lutkegast”, wat op een vorm van patronaatsrecht (beschermheerschap) zou
kunnen wijzen. In dat jaar sloot het klooster namelijk een overeenkomst met
de buren van Lutjegast betreffende de rechten en plichten van de conventuelen
(zwarte franciscanen, een van de drie takken waarin de orde van St Franciscus
is gesplitst) die op het oude voorwerk woonden. Ze zouden “stoelt” dat wil
zeggen gereserveerde plaatsen hebben in de kerk en een vertegenwoordiger
aanwijzen, die bij een priester-vacature te Lutjegast hetzelfde stemrecht zou
hebben als de eigenerfde boeren. Als tegenprestatie moesten de kloostermeiers
van Hilmahuis bij herstellingswerk aan de kerk en aan de pastorie elk twee
dagen komen helpen. Het schijnt, dat dit ook gold als er wat te timmeren was
op het voorwerk, waar blijkbaar in Hinkemahuis een kapel was ingericht.
Juridisch was Lutjegast ingedeeld in vier kluften: de Oosterkluft, de
Zuider-middenkluft, de Noorderkluft en de Westerkluft of Hofhorne. Dit
Hofhorne is afgeleid van de klooster-uithof Hilmahuis.
De Noorderkluft had sinds 1320 nog een opstrek in de oude Westerwaard,
waar ten noorden van de Friesestraatweg nog twee boerderijen in het karspel
Lutjegast lagen (De Nie en Noorder-Feringa). In 1884 werd de karspelgrens
gewijzigd en kwam dit deel bij Visvliet. Bij Hilmahuis zat Visvliet na 1600
met een enclave in het karspel Lutjegast, die in 1884 van Visvliet werd
afgesneden.
Na de Reductie had Lutjegast al vóór 1600 een predikant, te weten
Engelbertus Hermanni. Het begin van zijn ambtsperiode staat niet vast. In
1600 werd hij in elk geval opgevolgd door Theodorus Klinckhamer, die dus de
in 1603 geboren Abel Janszoon Tasman gedoopt zal hebben.
In 1640 werd er een kleine klok in de toren gehangen. Ze had als
inschrift: “H. van Heek, raadsherr en K.R. Weemhof P (pastor) -Klaas Jans
Ties K (kerkvoogd). Anno 1640". Tijdens het pastorschap van ds. Weemhof kreeg
de kerk ook een zilveren Avondmaalsbeker met het simpele inschrift: “Die
Kercke beker tot Lutkegast Anno 1643".
Dat in deze tijd een jonge man zijn geboorteplaats verliet, om zijn
fortuin op de wereldzeeën te zoeken, was misschien wel een zo onopvallende
gebeurtenis, dat het niet in de kerkelijke annalen van Lutkegast is vermeld.
Mocht de pastor loci het al hebben aangetekend, dan is deze notitie met het
eerste kerkboek verloren gegaan. Pas toen in 1952 de regering van Tasmanië
een gedenkplaat in de kerkmuur liet aanbrengen, ter ere van de
ontdekkingsreiziger, drong het tot de hele dorpsbevolking door, wat voor
eervolle bijdrage deze Lutjegaster Abel geleverd heeft voor de kennis van
landen en kusten in het Verre Oosten.
Van de predikanten die Lutjegast heeft gehad, vallen er een paar op
door gedragingen, die hun naam en ambt in een minder goede reuk hebben
gebracht. Ds. Elderkamp, die van geruchtmakende, immorele handelingen
beschuldigd werd, ontliep een oneervol ontslag door naar Indië te vertrekken
in 1673. Berent Bruins, die in 1775 Leegkerk met Lutjegast verwisselde, heeft
de preekstoel doorlopend gebruikt om propaganda te maken voor het
patriottisme. Hij maakte het zo bont, dat hij in 1787 bij de Pruisische
restauratie gerechtelijk werd afgezet en de vlucht nam. Toen in 1795 de
Patriotten met Franse steun het landsbestuur overnamen, werd Bruins door zijn
vrienden weer feestelijk binnengehaald. Kerkelijk was deze dubbele
ambtsperiode volmaakt steriel.
Een zoveel te gunstiger beeld geeft de ambtsperiode van Ds. Georgius
Alstorff. Hij was te Lutjegast van 1684 tot 1737. In 1684 kwam hij van
Hoogkerk en in 1737 ging hij met emeritaat. In zijn tijd begon Lutjegast al
een beetje op een dorp te gelijken. De vele attestaties die in Alstorff’s
dagen binnenkwamen zullen sterk bijgedragen hebben tot de lintbebouwing langs
de oude “Lyckeweg”.
In totaal doopte hij in 37 jaar hier 473 kinderen; gemiddeld dus ca. 13
per jaar. Rekening houdend met een hoog cijfer voor de kindersterfte in die
dagen, moeten vrijwel al zijn catechisanten hun geloofsbelijdenis hebben
afgelegd. Dit aantal was per jaar gemiddeld 8,2. Toch zien we in zijn laatste
jaren al het begin van de teruggang, doordat de band aan de kerk verzwakte.
De teruggang zette zich sterk voort onder zijn opvolgers, de
predikanten Hagenauw en Brongers. Bij de eerste was het aantal
belijdeniscatechisanten gedaald tot gemiddeld 2,3 per jaar en bij Bongers
werd het met 0,6 al een min of meer sporadisch kerkelijk gebeuren.
Ds. Alstorff heeft de afnemende offervaardigheid al kunnen bespeuren en
zijn mededeling in 1736, een jaar voor zijn afscheid, dat hij namelijk de
bijbel altijd mee moest nemen van de pastorie naar de kerk en omgekeerd is er
een simpel getuigenis van.
Het dorp telde nog lang een gering aantal huizen en weinig bewoners die
niet in de landbouw werkten of gewerkt hadden. In 1730-1731 waren er 2
kremers, 2 wevers, 2 mulders, 1 schoenmaker, 1 stelmaker, 1 smid en 1 bakker.
Landjonkers te Lutjegast
Hoendricks
Ook Lutjegast maakte in de eerste helft van de 17de eeuw de tijd mee,
dat personages, die zich “jonker of hoveling” noemden, invloed probeerden te
krijgen in en buiten het karspel. De voormalige kloosterheerden op Hilmahuis
behoorden met het karspel Visvliet de eerste jaren na de verdrijving van de
Spanjaarden bij de provincie Friesland. Deze provincie verkocht al spoedig
het geannexeerde kloosterbezit en Hilmahuis en een aantal heerden onder
Visvliet werden gekocht door het geslacht Hoendricks. Eén van de Hilmahuister
boerderijen zal een nette verbouwing hebben ondergaan om als Huize Hoendricks
dienst te kunnen doen.
Hoendricks was niet alleen grootgrondbezitter, maar kocht ook veel
rechten op, afgescheiden van het heerdenbezit. In Westerdeel-Langewold was
eerst Assuerus en later Johan Hoendricks geregeld grietman. De eerste was
Groninger Landdag-comparant van 1607 tot 1613 en de tweede van 1637 tot 1643;
later nog weer in de jaren 1651 en 1652.
In 1640 werd een belangrijk deel van het Visvlieter Hoendricksbezit
gerechtelijk verkocht, maar grotendeels teruggekocht door Johan Hoendricks.
Pas in 1674 deden, na het overlijden van mevr. Hoendricks-Renemans, de erven
het laatste restant, de Hyllemaheerd, van de hand. Tevens werden toen
verkocht de graven in de kerk van Lutjegast en op het kerkhof, de 15
heemsteden in het dorp, acht omgangen in de Grietenij en het buurrecht te
Grootegast, Lutjegast en te Opende. Het graf van Johan Hoendricks in het koor
van de kerk bleef echter het eigendom van de erven.
Hannia
In 1645 kwam met attestatie van Weydum naar Grootegast: Titus van
Hannia, gehuwd met Anna Ketel, de dochter van Christiaan Ketel, heer van
Feringa. Titus voerde de titel “Jonker en hoveling te Lutjegast”. Hij
probeerde direct lid van de Landdag te worden, maar werd de eerste jaren om
onbekende redenen afgewezen. Pas in 1650 nam men hem aan en hij compareerde
tot 1658.
Het is niet zeker, of hij wel in Lutjegast heeft gewoond en indien wel,
dan blijft het duister op welk huis. Hij bekleedde enkele malen het
grietmanschap, meestal voor Ketel. Hannia is bekend als man, die de
aanzwering van rechters te Sebaldeburen in wat ordelijker banen heeft geleid.
Financieel schijnt hij het niet al te breed te hebben gehad, want in 1654
moest hij geld lenen van zijn zwagers. Na 1658 bespeuren we niets meer van
Titus in het Westerkwartier.
Assuede
Een zekere Borchart van Assuede had door huwelijk vaste voet gekregen
in de provincie Groningen. Hij stamde uit een Duits geslacht, door huwelijk
verwant aan het uit Drenthe afkomstig geslacht De Mepsche. Mogelijk kreeg hij
bezittingen in deze omgeving door overdracht van een familielid van zijn
vrouw, Eppo Hero van Renssen, eigenaar van Boekstede te Westerzand.
In elk geval is deze Borchart van Assuede en na zijn dood in 1650
Coenraad van Assuede, die hun bezit in Lutjegast, het huis Rikkerda,
aantrekkelijk hebben gemaakt voor borgstichting. Luitenant Coenraad verkocht
in 1674 de heer Rikkerda met 271/2 gras land en 36 gras aan los verhuurde
percelen aan Dr. Schranck voor 3600 car. gulden. Schranck deed de heerd in
1675 weer over aan de legerofficier Bernard Johan Prott.
Rikkerda
Bernard Johan Prott, werd op 29 september 1632 geboren te Groningen uit
een familie die uit Oldenburg (Noord Duitsland) afkomstig was, behoorde tot
de geschoolde officieren, die de wapens hanteerden uit professie, zonder
kieskeurig te zijn op hun opdrachtgevers. In 1654 was hij vaandrig in dienst
van de bisschop van Munster, tegen wie hij in 1672 zo fanatiek heeft
gevochten. In 1659 was hij officier in het Zweedse leger. Een paar jaar later
weer in Oldenburg en in 1665 bij de troepen van Stad en Lande. Onder Michiel
De Ruyter maakte hij in 1667 de tocht mee naar Chatham. Hij oriënteerde zich
steeds meer op de Republiek en in 1672, toen de Munstersen in aantocht waren,
kon men hem in ‘t noorden uitstekend gebruiken.
Hij was het, die in februari 1672 als afgevaardigde van de Staten van
Groningen naar het hof van Hessen-Kassel werd gestuurd, om aan Carel
Rabenhaupt het opperbevel over de Groningse troepen aan te bieden. Zelf werd
hij commandant van het belangrijke fort Bourtange, dat hij met veel succes
tegen de Munstersen verdedigd heeft. Zijn vrouw, Alberdina Lucretia Schnabel,
die hij veiligheidshalve binnen de muren van de stad had gebracht, werd daar
binnenshuis door een granaat dodelijk getroffen.
Prott heeft verder de Republiek in enkele veldtochten gediend en
vertoefde in verband hiermee meest in de Zuidelijke Nederlanden. Tussen de
krijgsbedrijven door heeft Prott bij tijden te Lutjegast vertoefd. Op een
geschikt terrein in de Rikkerdaheerd liet hij grachten graven, waarbinnen de
Rikkerdaborg verrees.
De nieuwe borgheer vond ook tijd, om zijn aandacht te wijden aan de
normale besognes van de toenmalige landjonkers. Hij kocht landerijen en
rechten en liet rechterlijke functies voor zich waarnemen.
Prott’s tweede vrouw was Frederika Tjarda van Starkenborgh, die in 1687
kinderloos overleed. Een jaar later trouwde Prott met Cecilia Elisabeth
Tamminga, de weduwe van Daniël de Hertoghe van Feringa te Grootegast. Toen
kapitein Prott in 1703 stierf, liet hij Rikkerda en zijn verder bezit na aan
zijn derde vrouw. Deze overleed in 1718 en werd als laatste binnen het
kerkkoor van Lutjegast in het graf van Prott bijgezet. Een grote metaalgrijze
zerk onder de preekstoel dekt dit familiegraf, het enige, dat we in de kerk
nog aantreffen.
In 1719, het jaar na Cecilia’s dood, vertrok haar zoon Unico Michiel de
Hertoghe, als erfgenaam, van Feringa naar Rikkerda. Zijn huwelijk met Maria
Helena Enens was in 1711 ook reeds te Lutjegast voltrokken. Zijn zoon Daniël
Onno was wel op Feringa geboren, maar werd te Lutjegast gedoopt. Het geslacht
De Hertoghe heeft Rikkerda bewoond tot 1810. Achtereenvolgens resideerden er
Unico Michiel, Daniël Onno en tot 1810 diens zoon Edzard Unico, de jonker die
zowel van zijn tweede als van zijn eerste vrouw gescheiden is en geen
kinderen naliet.
Rikkerda werd goed onderhouden. In 1763 werd er zelfs een deskundige
tuinman aangesteld, de heer Hieronymus Herwich van Hoogezand. In 1810 kwam de
borg aan een dochter van Edzard Unico’s zuster, namelijk Cornelia Habina
Alberda van Menkema. De glorietijd voor de jonkersgeslachten was voorbij.
Cornelia bracht een echtgenoot naar de borg met een gewone burgerlijke
functie, de rijksontvanger Hemmo Hylco Nauta, tevens advocaat bij de
rechtbank.
Men moest eenvoudiger gaan leven, want het onderhoud van het
gebouwencomplex drukte zwaar op het budget. En zo werd de bijl gelegd aan de
wortel van de ruim honderd mooie eikenbomen op de singel. De bijgebouwen
werden verhuurd en de boeren reden met paard en wagen over de klapbrug. Ook
de Rikkerdaheerd en veel wat aan de vroegere heerlijkheid herinnerde, zoals
collatiën, rechten, kerkgestoelten enz. werden verkocht. De laatste jaren op
dit huis gingen voor de familie in somberheid onder. Ze woonden in het
tuinmanshuis, dat bij de laatste verkoop, in 1829, door Nauta zelf gekocht
werd. In dat jaar werd het “slot” met alles wat er bij behoorde, o.a. meer
dan 28 ha. grond, gekocht door Berend Hayes Harkema van Warfhuizen voor f.
8.225,– (? 3732,34).
De ziekelijke advocaat stierf nog in hetzelfde jaar op 33-jarige
leeftijd. Evenals voor zoveel andere niet langer houdbare jonkershuizen, was
voor Rikkerda de moker van de sloper gereed.
Geschiedenis van de gemeente Grootegast
De gemeente Grootegast ligt in het Zuidelijk Westerkwartier en is in de
huidige omvang en samenstelling in 1990 ontstaan door de samenvoeging van de
oude gemeenten Grootegast en Oldekerk. Uiteraard voert de geschiedenis ons
veel verder terug. Het Zuidelijk Westerkwartier is heel lang een moeilijk
toegankelijk gebied gebleven. De verschillende dorpjes op de zandruggen lagen
als het ware als eilandjes in een natte en ruige omgeving. De boeren zwoegden
op hun roggeakkers en dreven hun koeien en schapen naar de weilanden en de
heide. Nieuws uit de grote wereld drong slechts langzaam door. Vooral het
heidevolk buiten de dorpen leefde dicht bij de natuur en leidde een hard
bestaan. De bezembinders en keuterboertjes moesten zichzelf zien te redden.
Naar school gaan was er meestal niet bij en echte dokters woonden veraf.
Daarom vertrouwde men heel lang op mensen met bijzondere gaven. Op strijkers
die de ziekten uit het lichaam streken, op kruidenverkopers die de
geneesmiddelen uit de vrije natuur haalden en op duivelbanners die de kwade
geesten verjoegen. Oude verhalen bleven er lang hangen. Toch waren er heren
die de bewoners van deze afgelegen streken uit hun isolement wilden halen.
Maar dan zouden er echte kanalen moeten worden gegraven om de nattigheid
beter af te kunnen voeren. Het was de Portugees Caspar de Robles die de
afgelegen wereld van heksen en plaagbeesten dichter bij de bewoonde wereld
bracht. Dat had niet alleen met zijn goede hart te maken. Caspar was van 1572
– 1576 stadhouder van de Spaanse koning in Groningen, Friesland en Drenthe.
Daarvoor was hij in het noorden de belangrijkste man van landvoogd Alva
geweest. Bij Jemgum had hij meegeholpen om het legertje van Lodewijk van
Nassau in de pan te hakken. Een eersteklas geuzenvreter die heel goed in de
gaten had dat dit kikkerland er alleen maar onder was te krijgen als de
troepen snel verplaatst konden worden. Als dat tussen Leeuwarden en Groningen
al niet lukte…Er moest wat aan gedaan worden. Dwars door het Westerkwartier
zou een kanaal naar Friesland gegraven moeten worden, dat mooi kon worden
aangesloten op het diep dat al tussen het gehucht Poffert en de stad
Groningen lag. In plaats van gejuich was er gesputter in het Zuidelijk
Westerkwartier. Het mocht dan mooi lijken dat er vanaf het Bergumermeer naar
Gerkesklooster en verder langs Lutjegast, Doezum, Grootegast, Oldekerk,
Briltil en Enumatil een nieuw diep naar Groningen zou lopen, maar wie zou er
eigenlijk van profiteren? Men hoefde niemand in het Westerkwartier te
vertellen waar het water heen zou stromen. Dat bruiste straks sneller dan
ooit van Friesland op het Westerkwartier aan. Dat betekende sluizen bouwen en
…..betalen natuurlijk. En wie konden er voor een habbekrats op de schop? Dat
waren de boeren uit het Westerkwartier. Die waren mooi de pineut. Het Caspar
de Roblesdiep is er toch gekomen. Een naam waarover men zich de tong brak en
die al gauw Kolonelsdiep of Knelsdiep werd. Toen het er eenmaal lag verdween
het gemopper. Ook de ergste zwartkijkers moesten toegeven dat hun land na een
regenbui minder gauw sompig werd. Op dankbaarheid hoefde Caspar echter niet
te rekenen. Toen hij in 1576 zijn troepen niet langer kon betalen, werd hij
door zijn eigen soldaten in Groningen gevangen gezet. De heren burgemeesters
hebben geen hand naar hem uitgestoken. Caspars rol was uitgespeeld en
tenslotte is hij berooid uit Groningen vertrokken.De Stadjers waren trouwens
toch niet erg onder de indruk van de plannen van de eerste waterbedwinger in
het Westerkwartier. Wat voor voordeel hadden zij nu eigenlijk van dat
Kolonelsdiep? Er kon nauwelijks een fatsoenlijk schip door. Driekwart eeuw
later is er een nieuwe trekvaart naar Friesland gegraven, het Hoendiep. Het
werd tussen 1654 en 1656 gegraven, maar het duurde nog tot 1661 voor het goed
bevaarbaar was. Toen lag er eindelijk een kanaal waar de kooplieden in
Groningen wat aan hadden. Aan Caspar de Robles, de kanaalgraver van het
Zuidelijk Westerkwartier, doch niemand meer. Zijn Kolonelsdiep raakte steeds
meer in verval.Toch is in Grootegast een straatnaam naar hem genoemd namelijk
de Caspar de Roblesdijk.(Uit: Groningers 2 miljoen Groningers in 120 eeuwen
van Harm van der Veen uitgegeven door de Stichting ’t Grunneger Bouk,
Scheemda).
Het karakteristieke coulissenlandschap van het Zuidelijk Westerkwartier
spreekt niet alleen de eigen bewoners aan. Steeds meer mensen ontdekken de
waarde van dat coulissenlandschap in het zuidwesten van de provincie
Groningen. Het stijgende aantal bezoekers aan het ZWK brengt bovendien geld
in het laatje en dat kan een welkome aanvulling zijn op het inkomen van
bijvoorbeeld agrariers, of van organisaties die zich bezig houden met
landschap of cultuur. Vandaar, dat het (verder) ontwikkelen van recreatie en
toerisme een van de belangrijke thema’s is in het plattelands- beleid in het
Zuidelijk Westerkwartier.
Feiten en cijfers Zuidelijk Westerkwartier:
Gemeenten: Grootegast, Leek en Marum
Waterschappen: Noorderzijlvest en Wetterskip Fryslan
Oppervlakte: 217 km2
Bevolking 1980: 36.304
1999: 39.708
2004: 41.116
Inwoners per km2 Nederland : 456
Groningen : 238
ZWK : 183
Aantal landbouwbedrijven
1980: 1057
1997: 812
Oppervlakte natuur
Groningen : 24.900 ha (10,3%)
ZWK : 4.400 ha (20,2%)
Houtsingels ZWK totale lengte 1.065 km.
Jonkerspraktijken 1700 - 1750
De Heer van Faan
In de late avond van 28 januari 1712 werd het ontzielde lichaam van
Jebbo Aldringa, borgheer te Faan, bij toortslicht statelijk ter aarde
besteld. Een deel van zijn nogal uitgebreid bezit aan heerden en rechten te
Faan, Niekerk, Oldekerk en elders bleef eigendom van zijn broer Assuerus
Aldringa. De rest, met inbegrip van de borg Bijma, vererfde op Rudolf de
Mepsche. Toen in 1722 ook Assuerus stierf, beschikte De Mepsche over al de
rechten en heerlijkheden die de Aldringa's bijeen gekocht hadden.
In 1713 verscheen Rudolf de Mepsche als comparant voor Faan in de
Ommelander landdag. Van meet af streefde hij er naar om via dit
gezagsinstituut zijn invloed te vergroten en zijn portie mee te krijgen van
de buit, die in de vorm van lucratieve ambten van tijd tot tijd werd
verdeeld. Van meet af was hij er zich ook goed van bewust, dat in deze
wedloop de Heer van Hanckema te Zuidhorn een geduchte tegenspeler zou zijn.
Op de mooie borg Hanckema zetelde al van 1675 af een tak van het zo
uitgebreide en invloedrijke geslacht Clant. Als Maurits Clant, de oude
jonker, uit de ramen van de weelderig versierde sterrenkamer over de lage
landen westwaarts keek, zag hij tegen de horizon het geboomte langs de
singels bij Bijma. Daar woonde de kleinzoon van de hardvochtige ketterjager
Johan de Mepsche en Clant maakte zich geen illusies over hem. Woorden en
daden van De Mepsche lieten er geen twijfel over bestaan, dat hij het er op
toelegde Hanckema te overvleugelen. De oude jonker hoopte dat zijn zoon
Edzard tegen de ondoorgrondelijke heer van Bijma opgewassen zou zijn.
Rudolf de Mepsche was uiteraard volledig op de hoogte van de usanties
en praktijken van de landjonkers. Hij kende al de trucs die werden toegepast
om de gecreëerde functies te bemachtigen en hij zag kans om er nog enkele
geraffineerde foefjes aan toe te voegen.
Er waren in de Ommelanden drie kwartieren, sinds 1659 ieder verdeeld in
drie onder-kwartieren. Zoals voor de hand ligt, was het Westerkwartier
verdeeld in de onder-kwartieren Vredewold, Langewold en Middag, waar
Humsterland bij behoorde. Wie in zo'n onderkwartier voldoende stemmen op zijn
hoofd kon verzamelen, kwam in aanmerking voor de functie van gecommitteerde,
arbiter of monsterheer. Bovendien waren er de toerbeurten voor het
lidmaatschap van de Admiraliteit van Amsterdam of Harlingen, de Staten-
generaal, de Raad van State, voor generaal en provinciaal Rekenmeester, enz.
Het doel, voor een van deze goed betaalde baantjes op het fluweel te
komen, mocht de gebruikte middelen niet bepaald heiligen, -naar de opvatting
van de jonkers- werden ze er wel door gewettigd. De corruptie was algemeen en
daardoor schijnbaar volkomen legitiem. Er waren bedragen vastgesteld, die men
moest storten om de verworven functie te mogen aanvaarden. En die sommetjes
logen er niet om. De Ommelander jonkers hadden in hun notitieboekje staan,
wat ze op het plankje moesten leggen. Voor elk van de ambten van Hoofdman,
secretaris van de Hoofdmannenkamer, Advocaat van de Provincie, Monster-
Commissaris en Ontvanger der Coopschatten - telkens f. 6.800, (? 3.085,71).
Voor de posten van Ontvanger-generaal of Ritmeester in het leger moest men
zelfs f. 10.800,
(? 4900,83) fourneren. Maar men kreeg daarmee dan ook de troeven in
handen om zich driedubbel schadeloos te stellen.
Onderling gooiden de jonkers in het onder-kwartier elkaar de bal toe.
Ze hielpen elkaar aan stemmen en verdeelden de ambtenbuit volgens afspraak.
De gesloten geheime contracten waarborgden van te voren een evenredige
verdeling van de winsten. Wie het ene jaar een minder profijtelijk baantje
had, kreeg het andere jaar een winstgevender post. Of men stelde vast, dat
alle winsten in één pot zouden vloeien, om die dan naar evenredigheid te
verdelen. Op deze manier ging het na 1740 tussen de heer van Hanckema,
Bennema van Noordhorn, De Hertoghe van Rikkerda en Clant van Ayckema te
Grijpskerk.
De tweede-rangs-jonkers werden door de grotere heren aan wie ze zich
door een contract verbonden hadden met zorg in de watten gelegd, maar met
evenveel zorg voortdurend geobserveerd. Terwille van een klein voordeel
lieten ze zich omkopen door de tegenpartij. Unico Michiel de Hertoghe van
Rikkerda (Lutjegast) was er zo een, die de huik naar de wind hing. In 1721
had hij De Mepsche gesteund, zodat deze lid werd van de Staten-generaal.
Omgekocht door Clant van Hanckema, liet hij het volgend jaar De Mepsche in de
steek.
In 1724 echter, ziet hij er heil in zijn draai te nemen en een nieuw
contract met De Mepsche te sluiten. Volgens de aanhef van de opgemaakte akte
beloven ze elkaar tot hernieuwing van onze oude vriendschap en wegneming der
geschillen tussen voorzegde huizen, rust, vrede en enigheid van ons en onze
nakomelingen en goede ingezetenen van het onder-kwartier
Oostlangewoldsteradeel, tot voorkoming der cuiperijen in de toekomst de
volgende punten te accorderen..... Het eerste punt is dan, dat ze nooit en te
nimmer afzonderlijk hun stem zullen geven aan de Heren Maurits en Edsard
Clant van Hanckema. Twee jaar later sluit De Hertoghe zonder gemoedsbezwaar
een overeenkomst met Clant en Bennema.
Om als eigenerfde landdagcomparant te kunnen worden, moest men een
behuisde plaats hebben van minstens 30 gras en belijder zijn van de
Gereformeerde religie. Tot ongeveer 1715 was het aantal comparanten hier in
elk karspel maar klein. Daarna zien we in de meeste karspelen van Langewold
plotseling een sterke stijging van het aantal comparerende eigenerfden.
De Heren Clant en De Mepsche met inbegrip van hun vazallen gingen
pachters, keuterboeren en landarbeiders tot eigenerfden bevorderen, door ze
aan een boerderij te helpen, die op hun naam werd gezet. Onder garantie van
de jonker werd door de eigenerfde-in-spé geld opgenomen, om de heerd te
kunnen kopen met vaak een complete boerenvoortvaring. De jonker zelf zorgde
meestal voor het geld en de boer tekende de rentebrief. Deze had ongeveer het
karakter van een hypotheekakte, want bij wanbetaling verviel het onderpand,
de boerderij met inventaris, aan de jonker.
Tientallen pachters en burgers, tot herbergiers toe, gaven dergelijke
rentebrieven af en werden in naam eigenaar van een behuisd stuk grond. Ze
moesten op tijd rente en aflossing betalen en vanzelfsprekend als
landdagcomparant hun stem geven aan de jonker, van wie ze financieel
afhankelijk waren. Op deze wijze werd een nieuwe stand van 18de eeuwse
horigen in het leven geroepen, met als enig doel, stemmen te winnen. Stemmen,
die men nodig had in de nooit aflatende strijd tegen de rivaal, die precies
dezelfde kunstgrepen toepaste.
De jonker en zijn adviseurs zaten steeds op plannen te broeden, om hun
corrupt systeem te perfectioneren. Stierf er een boer, dan moest men er
altijd een op reserve hebben, die zo snel mogelijk zijn plaats innam. Aan
weduwen had men niets. Grote boerderijen werden gedeeld, waarbij de vereiste
behuizing voor de afgesplitste helft gevonden werd in een in de buurt staande
arbeiderswoning.
Het was niet Rudolf de Mepsche, die met deze manipulaties is begonnen.
In 1712, het jaar dat hij op Faan arriveerde, droeg Maurits Clant van
Hanckema al een heerd van 32 gras over aan Sybrant Jans te Noordhorn,
waarvoor een rentebrief werd getekend van f. 6.400, (? 2.904,19). In 1714
droeg Hendrik Bennema, de man waar Clant op kon bouwen, een heerd van ca. 30
gras over aan Warner Jans. Hiermede maakte Bennema een begin met de opdeling
van zijn uitgebreid bezit onder schijn-eigen-erfden, terwijl hij de grond
grotendeels in eigen gebruik hield.
Vrees voor de dag, dat de Hanckema-clan door De Mepsche en zijn aanhang
zou worden overstemd, dreef Clant en Bennema reeds toen tot frauduleuze
transacties met land en geld. Pas tegen 1717 begon Rudolf de Mepsche het
voorbeeld van zijn tegenstanders te volgen. En zoals alles wat hij ondernam,
deed hij het grondig. In 1721 werd Hanckema bij de stemming verslagen en werd
De Mepsche lid van de Staten-Generaal.
Clant en de zijnen konden deze knock-out maar slecht verteren. De heren
zonnen op een spoedige revanche. Er werd gesjacherd met boeren en land en er
ging geen kans verloren om De Mepsche onder zijn duiven te schieten. Het
gekuip had succes. We zagen al, dat jonker Unico Michiel de Hertoghe zijn
contract met De Mepsche verscheurde en overstapte naar het andere kamp. Toen
eind 1722 opnieuw gestemd werd over de te verdelen ambten (in de kerk van
Noordhorn), staakten de stemmen en bleven de functies onbezet.
In de daarop volgende jaren wisten Clant en consorten hun koppel
stemvee voldoende uit te breiden om zeker te zijn van de meerderheid. Behalve
het grietmanschap, heeft De Mepsche nooit weer een openbaar ambt bekleed. De
schare echte en onechte eigenerfden die De Mepsche uit de karspelen Faan,
Niekerk, Oldekerk en andere jaarlijks liet aanrukken, dwong de winnaars tot
voortdurende waaksheid.
In 1726 kwamen de vier leden van het Hanckema-consortium met elkaar
overeen, dat ze evenredig aansprakelijk zouden zijn voor eventuele schaden,
voortvloeiende uit de geïnterpoleerde borgtochten. Hiermee werden de
afgegeven rentebrieven bedoeld. Met ziet: de jonkers bezigden voor hun
corruptieve handelingen hun eigen juridisch jargon.
Helse boosheyt
Na 1722 heeft Rudolf de Mepsche het dus moeten aanzien, dat de
begerenswaardige ambten bij zijn sterkere tegenspelers terecht kwamen. De
Mepsche wist drommels goed, dat dit voor het grootste deel het werk was van
Hanckema's actieve contactman: Hendrik Bennema, de hereboer uit Noordhorn,
regelmatig bekleed met de functie van provinciaal Rekenmeester. Voortdurend
was hij bezig de zadelriem van Edsard Clant steviger vast te snoeren.
Tot het laatst toe heeft De Mepsche de strijd verbeten voortgezet. Het
kostte hem hopen geld. In zijn stamgebied (Faan-Niekerk-Oldekerk) wist hij in
1731 nog 46 figuranten op de comparantenlijst te krijgen. Het getij was hem
echter ongunstig. Door een rondwarende epidemie stierven nog voor de
stemmingsdag 8 stemgerechtigden. Nadien heeft hij zijn kiezerskorps niet meer
op het gewenste peil kunnen krijgen. Als grietman van Oosterdeel-Langewold,
een functie die hij nogal enkele malen heeft bekleed, werd in 1731 zijn ijver
in beslag genomen door een zaak van schijnbaar heel andere aard.
Op verschillende plaatsen in Nederland werden in die tijd door de
justitie arrestaties verricht en vonnissen uitgesproken wegens het zogenaamde
crimen nefandum of goddeloos vergrijp, nader gepreciseerd als
tegennatuurlijke ontucht, gepleegd door de mannelijke sexe.
De predikant van Niekerk, ds. Bijler, een temperamentvol en zeer
belezen man, had er tegen gefulmineerd in een door hem uitgegeven boek
getiteld: Helsche Boosheyt of grouwelycke sonde van Sodomie. Hij stond op het
standpunt, dat dit kwaad moest worden gestraft overeenkomstig de
oudtestamentische bepalingen van de Mozaïsche wetten, die daarop betrekking
hadden. Erger nog: zoals de Sodomieten door een straf van de hemel de
vuurdood stierven, zo moesten ook in 1731 de zondaars bernen.
Dit schijnt trouwens toen een gangbare opvatting te zijn geweest,
waarbij men zich kon beroepen op een artikel uit veel oude landrechten waarin
ook van bernen of branden werd gesproken. Van Bijler heeft zijn collator,
grietman De Mepsche, volledig kunnen overtuigen, dat hij als drager van het
rechterlijk gezag, dit artikel onverkort diende te handhaven als deze
boosheid in zijn ambtsgebied de kop zou opsteken. Merkwaardig is echter, dat
De Mepsche onmiddellijk na het uitlezen van Van Bijlers boek de zevenkoppige
draak van het crimen nefandum al heeft kunnen signaleren. Naar hij
mededeelde, heeft een blinde jongen hem de eerste aanwijzingen gegeven. Nog
dezelfde avond werd de aangeklaagde Jan Berents bij het Noordhorner tolhek
gearresteerd door de biezejagers van De Mepsche. Hij bekende en noemde een
medeschuldige. Het werd een rollende sneeuwbal. Folterwerktuigen als
pijnbank, been- en voetijzers dwongen de slachtoffers tot het noemen van
namen.
In heel dit walgelijke proces van martelingen, ranselpartijen en helse
verhoren werd De Mepsche krachtig bijgestaan door zijn geconstitueerd
medegrietman, de rechtskundige Menso Alting en een andere jurist nl. G. Froon
uit Groningen.
Naar het toen geldende recht, mocht de rechter bij half bewijs,
bijvoorbeeld alleen maar een beschuldiging door een getuige, gebruik maken
van foltermiddelen om van de beklaagde de waarheid uit eigen mond te horen.
Van dit recht blijkt De Mepsche een ruim gebruik te hebben gemaakt. Hij heeft
het zelfs gebruikt om andere, nog vrij rondlopende personen, die als verdacht
werden genoemd te kunnen arresteren. Tot een ketting regen de beschuldigingen
zich aaneen. De stallen en kelders van Bijma raakten vol.
De verdachten waren haast zonder uitzondering afkomstig uit Zuid- en
Noordhorn. Ze werden onder de ogen van de borgheer van Hanckema weggehaald.
Deze stond machteloos. Ook hijzelf was aan het rechtstoezicht van de
grietman-in-functie onderworpen. Telkens verschenen de wedman en de
biezejagers van De Mepsche in de beide dorpen. Onzekerheid en angst greep de
bevolking aan van laag tot hoog. Zij die vreesden te worden aangebracht namen
de vlucht. Het baatte hun niet. De grietman vroeg en kreeg toestemming de
jacht ook buiten zijn rechtsgebied voort te zetten. Alleen de heer Lewe van
Aduard toonde zich bij het tweede verzoek weigerachtig.
Clant van Hanckema en Rekenmeester Bennema werd de grond te heet onder
de voeten. Ze vluchtten naar de stad Groningen. Bennema liet zich als
stadsburger inschrijven. Beide stelden zich ter purge dat wil zeggen ze
verklaarden zich bereid elke aanklacht te weerleggen en zich daarvan te
zuiveren. De Mepsche schreef, dat hij tegen de heer van Hanckema niets in de
zin had en dat hij, wegens de verwantschap van Clant aan zijn vrouw, het
oordeel aan andere rechters zou overlaten, als het mocht blijken dat deze
heer tot de verdachten zou behoren.
Bennema kreeg groter moeilijkheden. De Hoge Justitiekamer erkende
volledig de bevoegdheden van de grietman van Oostlangewoldsteradeel en was
niet van zins hem een strobreed in de weg te leggen bij het uitvoeren van
zijn taak. Toen kwam de beschuldiging van Bennema binnen. De Mepsche had zijn
naam door een van de gevangenen horen noemen. In het proces dat volgde heeft
de heer van Faan echter bakzeil moeten halen. De burgemeester van Groningen
had Bennema laten arresteren, maar hij werd niet aan De Mepsche uitgeleverd.
Een speciale commissie verhoorde de getuigen. Ze bleken onder pressie van de
rechter de Rekenmeester te hebben beschuldigd. Bennema werd vrijgesproken en
hoefde niet weer naar de gevangenis boven de Poelepoort terug te keren.
Intussen had het proces, dat met gesloten deuren op Bijma werd gevoerd,
zijn dramatisch hoogtepunt bereikt. Ds. Van Bijler was enkele malen bij de
verhoren tegenwoordig en had er zijn welgevallen aan. Het getal van
schuldigen en verdachten was gestegen tot 35. Dat het er beestachtig toeging
blijkt uit de briefjes, die de gevangenen naar buiten smokkelden en uit het
feit, dat Sicke Arents onder de pijnigingen bezweek. Een klein aantal
gevangenen, dat in Groningen onder arrest werd gehouden en verhoord, had het
niet minder hard te verantwoorden. De Zuidhorner eigenerfde Jan Pot, stierf
met een op de pijnbank uiteen getrokken lichaam.
De slotzitting zou publiek zijn en worden gehouden in het kerkje van
Faan. In de gezinnen, waar een man of zoon was weggehaald heerste de
vreselijkste spanning.
Het helse vonnis: de 22 galgen
De 22 galgen, opgericht op het Kaakheem op de Westergast te Zuidhorn,
staken hun armen dreigend uit. Ze spraken een ondubbelzinnige taal, al
voordat de rechters openlijk uitspraak deden. Hout, hooi en turf lagen
opgehoopt. De timmerlui bouwden de tribune voor de kijkers. Dit stuk grond,
deze giesellap zoals het volk het noemde, had De Mepsche in 1720 gekocht om
er drie ter dood veroordeelde misdadigers te laten terecht stellen.
De 24ste september van het jaar 1731 was door de grietman en zijn
mederechters aangewezen als datum voor de publicatie en de uitvoering van het
vonnis. Alles was tot in bijzonderheden geregeld. Antony Snijder, de
stadsbeul, reed met zijn helpers tijdig naar Zuidhorn. Op zijn aanwijzingen
werden de brand-
stapels gereed gemaakt.
Toen de heren van het gericht voor het kleine Faner kerkje uit hun
koetsen stapten, spanden zeven boeren hun wagens aan, om de gevonnisten van
Bijma naar Zuidhorn te vervoeren.
Om de tafel binnen het koorhek zaten, behalve de grietman, zijn
rechterhand, Dr. Menso Alting, het viertal Groninger juristen, Froon, prof.
Rotgers, Taalman Reichle en Dr. Alberthoma en niet te vergeten de predikant
van Oldekerk, Niekerk en Faan, ds. Van Bijler. De schrijver van de Helsche
Boosheyt opende de zitting met een lang gebed. Voor iedereen moest het
duidelijk zijn, dat de kerk aan deze uitspraak haar sanctie verleende. Door
steunpilaren omringd en door de kerk gedragen, hoefde de grietman van
Oosterdeel-Langewold zich geen zorgen te maken.
Dr. Froon hield het rekwisitoor.
Het gericht van Oost-Langewoldsteradeel, Ratione Officii in Confinatie
hebbende vernomen, na voorafgaande informatie.....enz. Voor elk van de
veroordeelden werd de sententie herhaald, vier en twintig keer. En telkens
weer luidde de strafclausule:......aan een paal te worden gezet, door de
scherprechter doodgeworgd en voorts desselfs lichaam tot asse verbrand. Voor
drie had men een nog strengere strafmaat nodig geacht. Gerrit Frericks, Jan
Beerents en Hendrik Beerents zouden vooraf in het gezicht worden geblakerd.
De twee kinderen kregen levenslang tuchthuis en moesten de executie aanzien.
De nabestaanden werden gestraft met betaling van de kosten van het proces en
de terechtstelling, ieder voor zijn aandeel.
De verschrikkingen van de tragedie die volgde, het transport naar
Zuidhorn en de openbare moordpartij, zijn niet te peilen. Zeven boerenwagens
met de mishandelde gevangenen en het lijk van Sicke Arents, schonkelden door
de sporen van de zandweg naar de Zuidhorner Gast. Met de wagens meelopend zag
men de familieleden, vrienden en kennissen, eerst op afstand gehouden, maar
later opdringend, jammerend en huilend of proberend een troostwoord te
vinden.
Ds. Van Bijler zag men met een strak gezicht voortschrijden in de stoet
- ernstig en zelfverzekerd beleefde hij de dag van de wrake van zijn toornige
god....
Ds. Van Bijler vertegenwoordigde de kerk echter maar in schijn. De oude
ds. H.C. Metelerkamp van Zuidhorn, de jonge Metelerkamp van Niehove en ds.
Abelaar van Oostwold, allen bij het treurspel aanwezig, hebben zich duidelijk
genoeg van hun Niekerker collega gedistantieerd. Blijkens hun brieven aan
hoge Colleges in de stad, hun voorspraak voor de rechtelozen en hun openlijk
getuigenis in kerkelijke bijeenkomsten, hebben zij deze oordeelsdag beleefd
als een ongeluksdag voor de kerk. Zij toonden zich bitter gekrenkt door het
feit, dat een predikant zijn eigen gemeenteleden tijdens hun gevangenschap op
Bijma niet mocht bezoeken. Ze hebben hun verontwaardiging er over
uitgesproken, dat niemand in staat was een dergelijke beestachtige
strafoefening te verhinderen.
Tot op het ogenblik, dat hun keel werd dichtgesnoerd, hebben de meeste
slachtoffers luid van hun onschuld getuigd. Wie, zoals ds. Metelerkamp, op
een uitbarsting van de tot razernij opgekropte woede van het landvolk had
gerekend, werd teleurgesteld. Weerloos en geslagen, in het fatale besef van
hun onmacht, staarden de mensen het moordtoneel aan of wendden zich in angst
en weerzin om. Men kwam niet verder dan tot het in stilte vervloeken van de
rechters en het ballen van een vuist. Tweehonderd soldaten met geheven wapens
vormden een stalen cordon om de brandstapels. De hitte van brandend teer en
hout, dreef bewakers en toeschouwers achteruit............
Het raadsel der motieven
In het Oudheidkundig Museum te Groningen hangt het portret van Johan de
Mepsche, een voorvader van Rudolf, de grietman uit het monsterproces van
Faan. Het gezicht van deze zwaargebouwde figuur, die zijn rol heeft gespeeld
in de begintijd van het Spaanse geweld, verbergt meer dan het openbaart. Men
kan er in lezen een grote dosis zelfingenomenheid en egoïsme, gepaard met
durf en vasthoudendheid. Het gevaar is echter groot, dat we tot de conclusie
komen, gewapend met de kennis van zijn woorden en daden. De onbevangen
toeschouwer ziet in hem misschien een zeer acceptabel en vriendelijk mens,
rechtvaardig en menslievend.
Als luitenant van de Hoofdmannenkamer en daardoor vertegenwoordiger van
de stadhouder des konings, was hij een fanatiek verdediger van de
opperheerschappij van Filips II en het exclusieve bestaansrecht van de Roomse
kerk. Afvalligen konden niet worden geduld. De stad vond in hem een niets
ontziend strijder voor de stadssuperioriteit in het gewest. De strijd voor
deze principes heeft hij door alles heen, heel zijn leven lang gevoerd en
daarbij vooral zijn persoonlijke belangen niet vergeten. Toen Alva kwam en
Groningen in de Knyff een bisschop kreeg, beleefde Johan de Mepsche zijn
beste dagen. Maar men vertelt, zaten hij en de bisschop achter het raam van
het Huys met de Schoone Gevel te genieten van wat er op de Grote markt te
zien was: de pijniging van ketters. Zeker van zijn macht, toen er enkele
vendels Duitse huurlingen binnen de muren van de stad waren, joeg De Mepsche
de aanhangers van de hervorming, mannen, vrouwen en kinderen de stad uit.
Bij de inval van Lodewijk van Nassau in 1568, werd de borg van De
Mepsches vrouw te Loppersum met de grond gelijk gemaakt. Na de overwinning
van Alva, nam De Mepsche wraak. De boeren uit de omtrek kregen de schuld. Ze
werden van land en goed beroofd en moesten de borg helpen opbouwen. Na een
tijdelijke gevangenschap en verbanning van 1576 tot 1580 keerde hij terug om
met dezelfde grimmigheid zijn oude tegenstanders te lijf te gaan, zonder zijn
maatregelen op hun humaniteit te toetsen.
Hij hield de kerk en de kerk hield hem in ere. Als proost van het
decanaat Loppersum bewaakte hij het godsdienstig leven in zijn ambtsgebied en
profiteerde tevens van de opbrengsten uit de rijke bezittingen van deze
proosdij. Bij de uitoefening van deze taak overviel hem in 1585 de pest.
Rengers van Ten Post rekende hem tot de boosaardigen, die Gods gericht
niet ontlopen. Ze liggen in der helle und ewigen tendenknersent.
Wat dreef Rudolf de Mepsche tot het voeren van het monsterproces? Het
kluwen van motieven schijnt niet te ontwarren. Hij werd krachtig gesteund, om
niet te zeggen voortgestuwd. De invloed van Ds. Van Bijler moet buitengewoon
groot zijn geweest. Deze predikant met zijn loftirades op de edelmoedige
grietman en nog overdrevener op de beminnelijkheid van Suzanna Alberda, De
Mepsches vrouw, wist zijn ideeën aan de formeel-puriteinse geest van De
Mepsche op te dringen. En, last but not least, waren er de gerenommeerde
juristen uit de stad, wier adviezen allemaal dezelfde geest ademden.
Het meest ontdekkende licht valt echter op De Mepsches optreden tegen
de achtergrond van zijn worsteling om de macht met het huis Hanckema. Behalve
de beide kinderen en de jongens, waren er bij de gevonnisten elf mannen,
waarvan acht eigenerfden, allen kiezers van Clant van Hanckema. Van de negen
verdachten die te Groningen gevangen werden gehouden en nooit aan Bijma zijn
uitgeleverd, waren er zeven, die de partij van Hanckema steunden. Weliswaar
waren velen van hen gekochte kiezers, maar dat doet in dit geval niets ter
zake. Vooral bij de latere arrestaties, op grond van afgeperste aanklachten,
vielen de slachtoffers onder de eigenerfden, die hun woord aan Clant hadden
gegeven.
De arrestaties wegens het crimen nefandum vielen in die jaren vrijwel
uitsluitend in de grotere steden. Het is eenvoudig absurd om te geloven dat
de plattelandskarspelen van Zuid- en Noordhorn er in die mate mee besmet
zouden zijn geweest. Op misschien enkelen na, zouden ze allen voor de
rechtbank, waarvoor Bennema terecht stond, zijn vrijgesproken. De eerste
impuls van De Mepsche zal ongetwijfeld geweest zijn, het gesignaleerde kwaad
te straffen. De verdachten die de rij openden, stonden blijkbaar minder
gunstig bekend. In de loop van het proces wijst alles er onmiskenbaar op, dat
het De Mepsches voornaamste doelstelling wordt, zijn tegenstander op Hanckema
schaakmat te zetten. In zijn verblindheid heeft hij niet begrepen, dat het
door hem gebruikte infame wapen, zich als een boemerang tegen hemzelf zou
keren.
De vlekken van de luipaard
Over de afloop zal De Mepsche meer spijt dan berouw hebben gehad.
Sommigen van zijn kiezers werden hem ontrouw. Bij de verbeurdverklaring en de
verkoop van het bezit van de ter dood gebrachte boeren werd hij opgehouden
door het Hof in Groningen. Het begon protesten en rekwesten te regenen bij de
Landdag en de Hoge Justitiekamer. In de Landdag stonden 6 onder-kwartieren
tegenover drie, die voor non-interventie waren. Dat verlamde de protestactie
en gaf De Mepsche de hoop, dat hij nog wel volledig aan zijn trekken zou
komen.
De Hoge Justitiekamer, gesteund door de stadsregering, schoof alle
verzoekschriften op de lange baan. In dit hoge rechtscollege zaten de
begunstigers van De Mepsche, zelfs zijn zwager Alberda van Bloemersma.
Eindelijk werd een commissie beëdigd om de processtukken te onderzoeken en de
klachten van de familieleden van de slachtoffers te wegen (1732). Ze voerde
weinig uit en kwam pas in 1739 met een rapport. Toen het op besluiten
aankwam, stonden Stad en Ommelanden weer lijnrecht tegenover elkaar.
De Staten-generaal bemoeiden er zich zelfs mee en maanden tot
onpartijdigheid. Het advies werd voor kennisgeving aangenomen. Nog steeds
zaten de negen verdachten te Groningen gevangen. De beide jongens, die naar
Groningen overgebracht waren om Bennema te beschuldigen, maakten een gat in
de gevangenismuur en kropen er uit.
Intussen liepen de kosten aldoor op. De rekeningen van de
terechtstelling waren nog steeds niet voldaan. De afwikkeling van deze toch
zo belangrijke zaak, geeft ons een monsterstaaltje van de verachtelijkste
touwtrekkerij. Officieel is er door de Hoge Justitiekamer nooit een oordeel
over De Mepsche uitgesproken. Hangende het onderzoek, mocht hij echter niet
tot de Landdag worden toegelaten, hoe hardnekkig hij dat elke twee jaar ook
heeft geprobeerd.
Zijn schulden stapelden zich op. Boeren, die hem niet meer steunden
moesten hun rentebrieven inleveren en de boerderij verlaten. Omstreeks 1737
begonnen de monsterheren met de zuivering van zijn kiezerskorps. In de
volgende jaren werden de rijen gedecimeerd, zodat er omstreeks 1745 voor
Oldekerk-Niekerk-Faan van de ca 50 comparanten niet meer dan tien over waren.
Van meten met gelijke maten was evenwel geen sprake. Bij de beoordeling
van de stemmers voor Hanckema, kneep men een oog dicht. Pas na 1747, toen De
Mepsche door zijn faillissement voorgoed was uitgerangeerd, namen Clant en de
Hertoghe hun donors geleidelijk uit de Landdag terug. In 1745 begon de
gerechtelijke verkoop van De Mepsches bezittingen. Tot 1753 toe werden
regelmatig heerden en rechten in het Wijnhuis te Groningen bij de keerse
verkocht. Voor een groot deel kwamen de goederen tegen een lage prijs in
handen van Edzard Reint Alberda van Bloemersma, die ook eigenaar werd van de
borg Bijma.
De verheffing van Willem IV tot erfstadhouder in 1748, gelijk met het
dieptepunt in het leven van Rudolf de Mepsche, werd voor hem de
reddingsgordel, die hij krampachtig vastgreep. Terwijl veel jonkers afwijzend
of weifelend stonden, ontpopte De Mepsche zich als een vurig Oranjeklant. Hij
overtroefde daarmee zijn oude vijand, Lewe van Aduard en het heeft hem geen
windeieren gelegd. Met de 40.000 gulden ( ? 18.151,21) die hij van de Prins
ontving kon hij zijn voornaamste schulden delgen. De benoeming tot drost van
Wedde opende voor de veel gehate jonker weer een nieuw verschiet. Hij werd
een man van aanzien, maar toen hij in 1754 stierf, liet hij een grote
schuldenlast aan zijn erfgenamen na. Volgens de Groninger Courant van 17
december 1754 werd hij in de avond van 8 december met statieus gevolg onder
het licht van de flambouwen, in de Martinikerk begraven.
6. Reacties bij het volk in Langewold
We vragen: hoe is de reactie geweest op de gebeurtenissen in 1731, toen
de as van de brandstapels op de giesellap was verwaaid? In het bijzonder
interesseert ons dit voor de kerspelen, waarin hij tot dat jaar voor honderd
procent werd gesteund, Faan, Niekerk en Oldekerk. Deze mensen zaten 's
zondags onder het gehoor van Ds. Van Bijler. De lijst van schuldigen, die De
Mepsche en Alting hadden opgesteld, wees uit, dat Van Bijler zijn kudde vrij
had weten te houden van deze helsche boosheyt. In de gemeente had hij God
gedankt voor zulke trouwe en onkreukbare rechters, als die, waarmee
Oosterdeel-Langewold in deze verdorven tijd was gezegend. En velen onder zijn
gehoor zullen daar min of meer van harte amen op gezegd hebben.
a. Sebaldeburen 1732
Hemelvaartsdag 1732 was het weer druk op de jaarmarkt in Sebaldeburen.
De kramen stonden op het kerkhof en langs de weg. Elk huis was voor deze dag
in een herberg veranderd. Overal zaten de keukens en de kamers vol met
drinkende en klinkende marktgangers. De grietman, jonker de Hertoghe van
Rikkerda, opvolger van De Mepsche, had zijn beide biezejagers, Jan Gort en
Tjebbe Jans, naar de markt gestuurd om orde en rust te handhaven. Ze gingen
van huis tot huis, luisterden even naar de gesprekken en zetten hun rondgang
dan weer voort.
In het huis van Hylke Jans troffen ze een gezelschap Niekerkers aan met
Harm Jans, de bouwknecht van De Mepsche en Harm Jacobs, zijn wedman. Het was
er rustig en de beide ordebewakers stapten er weer uit: Jan Gort naar een
ander huis en Tjebbe wandelde in de richting van de herberg bij de
Sebaldebuurster Klap.
Toen Tjebbe terugkwam, moest hij uitwijken voor de Faners en
Niekerkers, die hem in 't voorbijgaan met hun stokken prikten. Tjebbe trok
zijn houwer en werd handgemeen met Harm de bouwknecht. Stukken hout werden
van een vonder gescheurd en bij het gevecht moest Tjebbe zich veilig stellen
aan de overkant van de sloot.
Intussen hadden een paar vrouwen Jan Gort gewaarschuwd met de woorden:
Jan, kom gauw, de Niekerkers moaken dien kammeroad kapot!
Toen Jan zijn vriend te hulp kwam, viel de hele bende op hem aan. De
bouwknecht gaf hem met een dampaal een harde klap op zijn hoofd en een jonge
Faner boer wondde hem met een soort bijl in de rug. Daarop trok de troep af.
De bouwknecht veegde het bloed van zijn handen, waar de sabel van Tjebben
doorgegleden was.
Dr. Ludolphi, de secretaris van De Mepsche vatte het geval zwaar op en
diende prompt een klacht in bij De Hertoghe, wegens mishandeling van de
knecht van De Mepsche. Dr. Rickenga, de waarnemer van jonker de Hertoghe,
leverde een uitgebreid rapport in over het gebeurde op de bewuste
Hemelvaartsdag. De aanklacht werd ongegrond verklaard en daarmee was de kous
af.
b. Zuidhorn 1733
Op een decembermorgen in het jaar 1733, tussen acht en negen, kwam de
Faner wagen, gemend door Reinder Jans, de koetsier van De Mepsche, door
Zuidhorn. Op de wagen waren gezeten de ambtenaren van de heer van Faan, Menso
Alting en Dr. Ludolphi, de schrijver. Ze waren eens weer voor hun heer op
't oorlogspad.
Toen 's middags de school uitging, zei Pieter Pot tegen zijn vriendje
Jacob Pieters: Alting de brander komt hier straks weer met de wagen door de
straat. We gaan hem stenigen. Jacob vond dit voorstel nogal kras en zei: Durf
jij dat wel?. Het antwoord van Pieter was: Hij heeft mijn vader om hals
gebracht. Ik heb moeder gevraagd, wat voor kwaad er in zit, als je Alting
stenigt. Ze heeft gezegd, dat dit wel niet zo'n grote zonde zou zijn. Andere
jongens sloten zich bij hen aan en ze zochten zakken vol stenen bijeen. Toen
de wagen verscheen en de jongens de dreigende ogen van de gewezen grietman
zagen, lieten de meesten hun stenen vallen. Maar Pieter en Jacob gooiden zo
hard en zo veel ze maar konden. Alting was het mikpunt, maar Reinder Jans
kreeg de eerste steen tegen zijn achterhoofd. Alting kwam overeind en brulde
tegen de jongens: Ik zal jullie wel krijgen, satanskinderen!
Bij Harke Jans, de kastelein, hield de wagen stil. Rood van kwaadheid
sprong Alting er af. Hij had nog een steen in zijn hand en zei: Daarmee word
je hier gegooid. Reinder heeft al een bult op zijn hoofd. Van wie zijn die
rekels?De herbergier antwoordde: Meneer, ik zou het waarachtig niet weten.
Razend over de ongehoorde baldadigheid, dronken ze hun glas brandewijn. Toen
ze weer opstapten en wegreden, waren de twee hardnekkige vervolgers er weer
en vlogen hun de stenen opnieuw om de oren. Ze achtervolgden de wagen tot
buiten het dorp. Harke had nog gezegd: Jongens, jongens, wat zal daar nog
weer op volgen? Maar de beide knapen lieten zich raden noch bang maken. Het
was voor hen de enige manier, om zich te wreken over de wreedheden aan hun
beider vaders begaan en over de ellende die over hun moeders was uitgestort.
Toen ze de volgende dag door grietman Rickenga, de waarnemer voor grietman De
Hertoghe in verhoor werden genomen, vertelden ze alles onverbloemd, zonder
zich ook maar een ogenblik te schamen.
c Faan - Niekerk 1734
Op het eind van januari 1734 had Dr. Ludolphi, de secretaris van De
Mepsche het druk met het inzamelen van handtekeningen voor een brief vol
klachten. Als hoofd-ondertekenaars hadden Reinder Jans, koetsier van de heer
van Faan en Rotmer Popkes, een landbouwer, hun naam er onder gezet. Wat er nu
was gebeurd, liep volgens Dr. Ludolphi en ook volgens klagers en getuigen de
spuigaten uit.
't Was volop winter en het ijs op sloten, vaarten en onder water
staande landen was sterk. Op de 28ste januari waren grote drommen mensen op
scheuvels over de ijsvlakten komen aanrijden, richting Faan. Velen kwamen uit
Zuidhorn en Aduard, maar er waren er ook bij uit Hoogkerk en zelfs uit
Garnwerd.
Een koppel legde aan bij het huis van Rotmer Popkes, die men kende als
een pleitbezorger voor de Mepsche. Rotmer was, door het tekenen van een
rentebrief eigenaar geworden van één van De Mepsches boerderijen op Faan. De
vrouw van Rotmer was alleen thuis en toen ze de troep zag aankomen deed ze
vlug de deur op het nachtslot. De kerels lichtten een raam uit het kozijn en
kwamen één voor één binnen. Rotmers vrouw, die een kind verwachtte, stond
doodsangsten uit.
De indringers vroegen om haar man. Ze verklaarde, dat hij weg was; ze
wist niet waarheen. Veel kabaal makend, doorzochten ze toen huis en schuur.
Ze kwamen in elk vertrek en klommen langs het laddertje naar de zolder. Ze
vonden niets en begonnen te razen op De Mepsche en Rotmer, zijn hielenlikker,
die ze nog wel zouden krijgen, zoals ze zeiden. De vrouw werd, volgens
Ludolphis rapport, nog diezelfde avond door de alternatie praematuur verlost
en verkeert in zwakke staat.
Anderen brachten een bezoek aan de woning van koetsier Reinder Jans.
Ook hier was de man die ze hebben moesten niet thuis. Agnietje, zijn vrouw,
verklaarde niet te weten waar hij zich ophield. Bij de huiszoeking werd ook
in dit huis alles door elkaar gesmeten en braaf op De Mepsche en zijn
koetsier gescholden. Toen ze opstonden om te vertrekken, gooiden ze de
stoelen op het vuur.
In Niekerk verzamelde zich tenslotte de hele troep. Dr. Alting hield
juist rechtsdag in de herberg van Sipke Sipkes op de hoek. Hij werd
gewaarschuwd, dat er een overval dreigde en sloot haastig de zitting. Reinder
Jans legde de zweep over de paarden en bracht de rechter in galop naar
Zuidhorn, waar Alting woonde. De mannen op het ijs kregen hem in de gaten en
zetten de achtervolging in. Reinder is de hele dag niet weer uit Zuidhorn
weggekomen. Hij moest zich schuilhouden in de schuur van Raadsheer Siccama
aan de Klinckemalaan.
Bij Niekerk bonden de rustverstoorders hun schaatsen af en trokken het
loug in. Schelmen van moordenaars en branders! werd er geschreeuw, zwaaiend
en dreigend met blote messen. Ze wisten de handlangers van De Mepsche heel
goed te vinden. Daar woont Tamme Jans de kuiper. Dat is ook een moordenaar en
brander! Kom er eens uit als je de courage hebt! Eeltje, de vrouw van de
kuipers, stond bij Tetje Mennes in de deur. De beide vrouwen hoorden zich
toe-
roepen: Bliksemse hoeren, we zullen je snijden!
Onder het voorwendsel, een pijp tabak te willen aansteken bij het
haardvuur, kwamen ze verscheiden huizen binnen, om daar alles in de grootste
wanorde achter te laten. De hoofdaanval was gericht op het huis van Peter
Nannens, de biezejager van De Mepsche. Deze verschanste zich op de zolder van
zijn huisje met snaphaan en houwer en wist de aanvallers op een afstand te
houden. Harm Fransen uit Zuidhorn, Jacob Hagel, Mecke Dates de wedman en
Pieter Pieters de schoolmeester, allen uit Hoogkerk, waren de belhamels van
de troep. Jacob Hagel stond midden in de gelagkamer van Sipke Sipkes en
schreeuwde, dat De Mepsche moest sterven. Op een vrijdag zal hij gehangen
worden!
Het zag er treurig uit in Niekerk, toen de tierende bende was
weggetrokken. De volgende dag kwam de dienstdoende grietman, Dr. Rickenga, om
de ooggetuigenverslagen aan te horen en de schade op te nemen. Jan Claasen
toonde hem zijn gehavende woning. Het gaat hier maar bijster toe, zei de
griet-
man. Jan Claasen antwoordde: Gisteren hebben ze mij de deur ingetrapt.
Hier kan geen mens meer met vrede wonen. Rickenga maakte een ontwijkende
opmerking en zette zijn onderzoekingstocht voort. De hetze was te algemeen en
het aantal daders ongrijpbaar groot. Van verdere rechtsvervolging schijnt
weinig gekomen te zijn.
Dezelfde Dr. Rickenga, jarenlang geconstitueerd (d.w.z. mede-) grietman
van De Hertoghe en dus werkend voor de partij, die door De Hertoghe gekozen
werd, had wel een grote moeite, om de stem-hebbende boeren tijdig hun draai
te doen nemen. In 1735 kwam er een akte van Correspondentschap tot stand
tussen De Mepsche met de heren en freules van Feringa en Rikkerda. De boeren
moesten toen tekenen, dat ze weer op een ander paard zouden wedden.
In het begin van 1736 wisten de heren Bennema, als agenten voor
Hanckema, te Grootegast 15 boeren over te halen, hun belofte aan Rickenga in
te trekken. Ze tekenden een stuk, door Bennema opgesteld, waarin ze
verklaarden niet in te gaan op de valsche voorgevens des heren Rickenga, ons
afgeperst, als hebbende door onwaarheden ons misleyt. Ze beloofden in 't
vervolg weer braaf hun steun te verlenen aan de actie om de heer De Mepsche
te doen diskwalificeren en te doen afmonsteren. In 1738 tekende De Hertoghe
weer voor Hanckema. Er ontstond een rel, toen Dr. Rickenga op onwettige wijze
en zonder genoegzame kennisgeving een rechtsdag had uitgeschreven, die was
gehouden in de kerk van Sebaldeburen. Johan de Hertoghe van Boekstede
(Westerzand) diende een aanklacht in door tussenkomst van zijn advocaat Dr.
F.I. Guichart. Op 14 januari 1738, de dag van St. Pontiaan, was door Rickenga
een extra-ordinaire rechtsdag samengeroepen te Sebaldeburen. Hij wilde daar
zijn beklag indienen over de vordering die hij had op de Hertoghe van
Boekstede, wegens juridische assistentie. Om de agenda te vullen, zouden een
paar boeren, aanhangers van De Mepsche, een paar onbeduidende rekwesten
indienen. St. Pontiaan werd door de Hoge Justitiekamer als vakantiedag
aangemerkt en de zitting werd onwettig verklaard. Rickenga was dus blijkbaar
zijn lastgever ontrouw geworden. Hoe spitsvondig Alting en Ludolphi bij hun
verdediging van Rickenga ook te werk gingen - ze hadden geen succes.
Na beschouwing
Om 09.00 uur precies starten 291 wandelaars die zeer slechte weer trotseerden. Er stond een zeer harde wind en het regende pijpenstelen.
Er kwamen toch nog 172 wandelaars aan de start voor de 25 km,
74 op de 40 km en
30 keiharde wandelaars starten op de 50 km.
Er waren toch nog 15 wandelaars die de tocht voortijdig beeindigd.
De route, uitgezet door de groep uit Lutjegast, was voor alle afstanden zeer afwisselend. Op de rusten was het een natte maar toch wel gezellig druk.
231 wandelaars liepen voor administratiekosten.
11 voor de beker,
6 voor het schildje,
18 voor het wandbord en
25 wandelaars voor een medaille.
Het was ,ondanks de regen en harde wind, een geslaagde wandeltocht.