Terug naar wandellinks Terug naar de alternatieve homepage van de FLAL FLAL wandeltocht vanuit Lutjegast op 12 februari 2005


datum 12 februari 2005 plaats Lutjegast
provincie Groningen gemeente Grootegast
afstanden 25, 40 en 50 km naam wandeltocht Rikkerda- wandeltocht
starttijd 9.00 uur postcode start: 9866 AP
startadres Dorpshuis 't Kompas, Kompasstraat 25
openbaar vervoer NS Leeuwarden (V 8.20), Aankomst Noordnet treinstation Buitenpost(8.46), Vertrek Noordnet treinstation Buitenpost(8.46) met regiotaxi Achtkerspelen (reserveren verplicht 0511-448844) , Aankomst Lutjegast (9.14)
route historie omgeving nabeschouwing verslag
naar de top van deze pagina















Er is nog geen informatie beschikbaar over het parkoers.
naar de top van deze pagina





























naar de top van deze pagina
Lutjegast

Het oude zandkarspel Lutkegast, dat door inpolderingen met ongeveer dezelfde oppervlakte goede kleigronden werd vergroot, heeft een interessante historie. De uitgroei van het karspel en de wijze waarop die tot stand kwam is belangwekkend, maar de roem van dit dorp ligt toch in de eerste plaats bij de inwoners die zich op een of andere manier een reputatie hebben verworven.
Het is nogal duidelijk, dat dit karspel de naam heeft gekregen van de gast die op zijn hoogste punt de kerk draagt. De gast is wel smaller dan die waarop Grootegast ligt, maar het terrein is veel sterker geaccidenteerd. Bij de kerk bereikt de gast een hoogte van 2.50 boven NAP. Ook De Wieren ten zuiden van het dorp liggen relatief vrij hoog met bijna 2 m. boven NAP. Deze Wieren zijn een klein zandig complex en de naam heeft dus de oorspronkelijke betekenis van “hoogte” en heeft blijkbaar niets met een wierde of kunstmatige verhoging te maken. Ten westen van De Wieren liggen de Mieden, de vroegere madelanden. Het zuidelijkste deel staat op de kaart als “Hoge meden”, hoewel ze beneden NAP liggen.
Zeer laag is ook het gebied, waar de heerden van de gast zuidwaarts opstrekken tegen het noordeind van de Grootegaster heerden. Hier liggen uitzonderlijk lage landen, met onder het veen een soort zandsloef: afwisselend laagjes verslagen veen en laagjes fijn zand. Dit materiaal moet hier in een meer zijn bezonken en later met veen overgroeid zijn. Deze streek, gelegen in de Grootegaster molenpolder is plaatselijk sterk uitgeveend. Ook na de herontginning die hier plaats vond, liggen er nog tal van petgaten.
Er is een tijd geweest, dat Lutjegast een kustdorp was en dat men op de gast het lied van de zee kon horen. De als een schiereiland vooruitspringende diluviale gronden van Eibersburen zijn maar voor een klein deel van een zeeslibdek vrij gebleven. De markante kustwal van de Westerhorn is hier tussen Ooster-Froma en Hilmahuis niet meer aan te wijzen en zal er ook nooit geweest zijn. De Fromaheerd, die vroeger op het nog herkenbare perceel ten noorden van de hoge brug lag, werd in een stuk uit 1571 aangeduid als “Fromaheerd op de Monnekedijk”. Als hier eens inderdaad een kunstmatige zeewering is, dan zou die van Hilmahuis zuidwaarts langs de Stationsweg hebben gelopen om bij de Fromaheerd af te buigen in oostelijke richting voor aansluiting aan de zandgronden bij Wattemaheerd.
Het oude Hilmahuis, waar in de 19de eeuw nog twee boerderijen stonden, was het oudste voorwerk van Gerkesklooster en dit wijst er op, dat de abt zich hier met de bedijking heeft bemoeid. Hilmahuis wordt al in 1320 genoemd, toen een overeenkomst tot stand kwam tussen het klooster en de eigen-erfden van Langewold, betreffende de rechten op buitendijks land. In 1459 wordt er gesproken van een dubbel voorwerk, namelijk Hillemahuis en Hinkemahuis.
Door deze kloosteruithof binnen hun karspel gelegen, kwamen de ingezetenen van Lutjegast kerkelijk in een min of meer afhankelijke verhouding tot Gerkesklooster. In 1459 spreekt de abt van “onse Kerke tho Lutkegast”, wat op een vorm van patronaatsrecht (beschermheerschap) zou kunnen wijzen. In dat jaar sloot het klooster namelijk een overeenkomst met de buren van Lutjegast betreffende de rechten en plichten van de conventuelen (zwarte franciscanen, een van de drie takken waarin de orde van St Franciscus is gesplitst) die op het oude voorwerk woonden. Ze zouden “stoelt” dat wil zeggen gereserveerde plaatsen hebben in de kerk en een vertegenwoordiger aanwijzen, die bij een priester-vacature te Lutjegast hetzelfde stemrecht zou hebben als de eigenerfde boeren. Als tegenprestatie moesten de kloostermeiers van Hilmahuis bij herstellingswerk aan de kerk en aan de pastorie elk twee dagen komen helpen. Het schijnt, dat dit ook gold als er wat te timmeren was op het voorwerk, waar blijkbaar in Hinkemahuis een kapel was ingericht.
Juridisch was Lutjegast ingedeeld in vier kluften: de Oosterkluft, de Zuider-middenkluft, de Noorderkluft en de Westerkluft of Hofhorne. Dit Hofhorne is afgeleid van de klooster-uithof Hilmahuis.
De Noorderkluft had sinds 1320 nog een opstrek in de oude Westerwaard, waar ten noorden van de Friesestraatweg nog twee boerderijen in het karspel Lutjegast lagen (De Nie en Noorder-Feringa). In 1884 werd de karspelgrens gewijzigd en kwam dit deel bij Visvliet. Bij Hilmahuis zat Visvliet na 1600 met een enclave in het karspel Lutjegast, die in 1884 van Visvliet werd afgesneden.
Na de Reductie had Lutjegast al vóór 1600 een predikant, te weten Engelbertus Hermanni. Het begin van zijn ambtsperiode staat niet vast. In 1600 werd hij in elk geval opgevolgd door Theodorus Klinckhamer, die dus de in 1603 geboren Abel Janszoon Tasman gedoopt zal hebben.
In 1640 werd er een kleine klok in de toren gehangen. Ze had als inschrift: “H. van Heek, raadsherr en K.R. Weemhof P (pastor) -Klaas Jans Ties K (kerkvoogd). Anno 1640". Tijdens het pastorschap van ds. Weemhof kreeg de kerk ook een zilveren Avondmaalsbeker met het simpele inschrift: “Die Kercke beker tot Lutkegast Anno 1643".
Dat in deze tijd een jonge man zijn geboorteplaats verliet, om zijn fortuin op de wereldzeeën te zoeken, was misschien wel een zo onopvallende gebeurtenis, dat het niet in de kerkelijke annalen van Lutkegast is vermeld. Mocht de pastor loci het al hebben aangetekend, dan is deze notitie met het eerste kerkboek verloren gegaan. Pas toen in 1952 de regering van Tasmanië een gedenkplaat in de kerkmuur liet aanbrengen, ter ere van de ontdekkingsreiziger, drong het tot de hele dorpsbevolking door, wat voor eervolle bijdrage deze Lutjegaster Abel geleverd heeft voor de kennis van landen en kusten in het Verre Oosten.
Van de predikanten die Lutjegast heeft gehad, vallen er een paar op door gedragingen, die hun naam en ambt in een minder goede reuk hebben gebracht. Ds. Elderkamp, die van geruchtmakende, immorele handelingen beschuldigd werd, ontliep een oneervol ontslag door naar Indië te vertrekken in 1673. Berent Bruins, die in 1775 Leegkerk met Lutjegast verwisselde, heeft de preekstoel doorlopend gebruikt om propaganda te maken voor het patriottisme. Hij maakte het zo bont, dat hij in 1787 bij de Pruisische restauratie gerechtelijk werd afgezet en de vlucht nam. Toen in 1795 de Patriotten met Franse steun het landsbestuur overnamen, werd Bruins door zijn vrienden weer feestelijk binnengehaald. Kerkelijk was deze dubbele ambtsperiode volmaakt steriel.
Een zoveel te gunstiger beeld geeft de ambtsperiode van Ds. Georgius Alstorff. Hij was te Lutjegast van 1684 tot 1737. In 1684 kwam hij van Hoogkerk en in 1737 ging hij met emeritaat. In zijn tijd begon Lutjegast al een beetje op een dorp te gelijken. De vele attestaties die in Alstorff’s dagen binnenkwamen zullen sterk bijgedragen hebben tot de lintbebouwing langs de oude “Lyckeweg”.
In totaal doopte hij in 37 jaar hier 473 kinderen; gemiddeld dus ca. 13 per jaar. Rekening houdend met een hoog cijfer voor de kindersterfte in die dagen, moeten vrijwel al zijn catechisanten hun geloofsbelijdenis hebben afgelegd. Dit aantal was per jaar gemiddeld 8,2. Toch zien we in zijn laatste jaren al het begin van de teruggang, doordat de band aan de kerk verzwakte.
De teruggang zette zich sterk voort onder zijn opvolgers, de predikanten Hagenauw en Brongers. Bij de eerste was het aantal belijdeniscatechisanten gedaald tot gemiddeld 2,3 per jaar en bij Bongers werd het met 0,6 al een min of meer sporadisch kerkelijk gebeuren.
Ds. Alstorff heeft de afnemende offervaardigheid al kunnen bespeuren en zijn mededeling in 1736, een jaar voor zijn afscheid, dat hij namelijk de bijbel altijd mee moest nemen van de pastorie naar de kerk en omgekeerd is er een simpel getuigenis van.
Het dorp telde nog lang een gering aantal huizen en weinig bewoners die niet in de landbouw werkten of gewerkt hadden. In 1730-1731 waren er 2 kremers, 2 wevers, 2 mulders, 1 schoenmaker, 1 stelmaker, 1 smid en 1 bakker.

Landjonkers te Lutjegast

Hoendricks
Ook Lutjegast maakte in de eerste helft van de 17de eeuw de tijd mee, dat personages, die zich “jonker of hoveling” noemden, invloed probeerden te krijgen in en buiten het karspel. De voormalige kloosterheerden op Hilmahuis behoorden met het karspel Visvliet de eerste jaren na de verdrijving van de Spanjaarden bij de provincie Friesland. Deze provincie verkocht al spoedig het geannexeerde kloosterbezit en Hilmahuis en een aantal heerden onder Visvliet werden gekocht door het geslacht Hoendricks. Eén van de Hilmahuister boerderijen zal een nette verbouwing hebben ondergaan om als Huize Hoendricks dienst te kunnen doen.
Hoendricks was niet alleen grootgrondbezitter, maar kocht ook veel rechten op, afgescheiden van het heerdenbezit. In Westerdeel-Langewold was eerst Assuerus en later Johan Hoendricks geregeld grietman. De eerste was Groninger Landdag-comparant van 1607 tot 1613 en de tweede van 1637 tot 1643; later nog weer in de jaren 1651 en 1652.
In 1640 werd een belangrijk deel van het Visvlieter Hoendricksbezit gerechtelijk verkocht, maar grotendeels teruggekocht door Johan Hoendricks. Pas in 1674 deden, na het overlijden van mevr. Hoendricks-Renemans, de erven het laatste restant, de Hyllemaheerd, van de hand. Tevens werden toen verkocht de graven in de kerk van Lutjegast en op het kerkhof, de 15 heemsteden in het dorp, acht omgangen in de Grietenij en het buurrecht te Grootegast, Lutjegast en te Opende. Het graf van Johan Hoendricks in het koor van de kerk bleef echter het eigendom van de erven.

Hannia
In 1645 kwam met attestatie van Weydum naar Grootegast: Titus van Hannia, gehuwd met Anna Ketel, de dochter van Christiaan Ketel, heer van Feringa. Titus voerde de titel “Jonker en hoveling te Lutjegast”. Hij probeerde direct lid van de Landdag te worden, maar werd de eerste jaren om onbekende redenen afgewezen. Pas in 1650 nam men hem aan en hij compareerde tot 1658.
Het is niet zeker, of hij wel in Lutjegast heeft gewoond en indien wel, dan blijft het duister op welk huis. Hij bekleedde enkele malen het grietmanschap, meestal voor Ketel. Hannia is bekend als man, die de aanzwering van rechters te Sebaldeburen in wat ordelijker banen heeft geleid. Financieel schijnt hij het niet al te breed te hebben gehad, want in 1654 moest hij geld lenen van zijn zwagers. Na 1658 bespeuren we niets meer van Titus in het Westerkwartier.

Assuede
Een zekere Borchart van Assuede had door huwelijk vaste voet gekregen in de provincie Groningen. Hij stamde uit een Duits geslacht, door huwelijk verwant aan het uit Drenthe afkomstig geslacht De Mepsche. Mogelijk kreeg hij bezittingen in deze omgeving door overdracht van een familielid van zijn vrouw, Eppo Hero van Renssen, eigenaar van Boekstede te Westerzand.
In elk geval is deze Borchart van Assuede en na zijn dood in 1650 Coenraad van Assuede, die hun bezit in Lutjegast, het huis Rikkerda, aantrekkelijk hebben gemaakt voor borgstichting. Luitenant Coenraad verkocht in 1674 de heer Rikkerda met 271/2 gras land en 36 gras aan los verhuurde percelen aan Dr. Schranck voor 3600 car. gulden. Schranck deed de heerd in 1675 weer over aan de legerofficier Bernard Johan Prott.

Rikkerda
Bernard Johan Prott, werd op 29 september 1632 geboren te Groningen uit een familie die uit Oldenburg (Noord Duitsland) afkomstig was, behoorde tot de geschoolde officieren, die de wapens hanteerden uit professie, zonder kieskeurig te zijn op hun opdrachtgevers. In 1654 was hij vaandrig in dienst van de bisschop van Munster, tegen wie hij in 1672 zo fanatiek heeft gevochten. In 1659 was hij officier in het Zweedse leger. Een paar jaar later weer in Oldenburg en in 1665 bij de troepen van Stad en Lande. Onder Michiel De Ruyter maakte hij in 1667 de tocht mee naar Chatham. Hij oriënteerde zich steeds meer op de Republiek en in 1672, toen de Munstersen in aantocht waren, kon men hem in ‘t noorden uitstekend gebruiken.
Hij was het, die in februari 1672 als afgevaardigde van de Staten van Groningen naar het hof van Hessen-Kassel werd gestuurd, om aan Carel Rabenhaupt het opperbevel over de Groningse troepen aan te bieden. Zelf werd hij commandant van het belangrijke fort Bourtange, dat hij met veel succes tegen de Munstersen verdedigd heeft. Zijn vrouw, Alberdina Lucretia Schnabel, die hij veiligheidshalve binnen de muren van de stad had gebracht, werd daar binnenshuis door een granaat dodelijk getroffen.
Prott heeft verder de Republiek in enkele veldtochten gediend en vertoefde in verband hiermee meest in de Zuidelijke Nederlanden. Tussen de krijgsbedrijven door heeft Prott bij tijden te Lutjegast vertoefd. Op een geschikt terrein in de Rikkerdaheerd liet hij grachten graven, waarbinnen de Rikkerdaborg verrees.
De nieuwe borgheer vond ook tijd, om zijn aandacht te wijden aan de normale besognes van de toenmalige landjonkers. Hij kocht landerijen en rechten en liet rechterlijke functies voor zich waarnemen.
Prott’s tweede vrouw was Frederika Tjarda van Starkenborgh, die in 1687 kinderloos overleed. Een jaar later trouwde Prott met Cecilia Elisabeth Tamminga, de weduwe van Daniël de Hertoghe van Feringa te Grootegast. Toen kapitein Prott in 1703 stierf, liet hij Rikkerda en zijn verder bezit na aan zijn derde vrouw. Deze overleed in 1718 en werd als laatste binnen het kerkkoor van Lutjegast in het graf van Prott bijgezet. Een grote metaalgrijze zerk onder de preekstoel dekt dit familiegraf, het enige, dat we in de kerk nog aantreffen.
In 1719, het jaar na Cecilia’s dood, vertrok haar zoon Unico Michiel de Hertoghe, als erfgenaam, van Feringa naar Rikkerda. Zijn huwelijk met Maria Helena Enens was in 1711 ook reeds te Lutjegast voltrokken. Zijn zoon Daniël Onno was wel op Feringa geboren, maar werd te Lutjegast gedoopt. Het geslacht De Hertoghe heeft Rikkerda bewoond tot 1810. Achtereenvolgens resideerden er Unico Michiel, Daniël Onno en tot 1810 diens zoon Edzard Unico, de jonker die zowel van zijn tweede als van zijn eerste vrouw gescheiden is en geen kinderen naliet.
Rikkerda werd goed onderhouden. In 1763 werd er zelfs een deskundige tuinman aangesteld, de heer Hieronymus Herwich van Hoogezand. In 1810 kwam de borg aan een dochter van Edzard Unico’s zuster, namelijk Cornelia Habina Alberda van Menkema. De glorietijd voor de jonkersgeslachten was voorbij. Cornelia bracht een echtgenoot naar de borg met een gewone burgerlijke functie, de rijksontvanger Hemmo Hylco Nauta, tevens advocaat bij de rechtbank.
Men moest eenvoudiger gaan leven, want het onderhoud van het gebouwencomplex drukte zwaar op het budget. En zo werd de bijl gelegd aan de wortel van de ruim honderd mooie eikenbomen op de singel. De bijgebouwen werden verhuurd en de boeren reden met paard en wagen over de klapbrug. Ook de Rikkerdaheerd en veel wat aan de vroegere heerlijkheid herinnerde, zoals collatiën, rechten, kerkgestoelten enz. werden verkocht. De laatste jaren op dit huis gingen voor de familie in somberheid onder. Ze woonden in het tuinmanshuis, dat bij de laatste verkoop, in 1829, door Nauta zelf gekocht werd. In dat jaar werd het “slot” met alles wat er bij behoorde, o.a. meer dan 28 ha. grond, gekocht door Berend Hayes Harkema van Warfhuizen voor f. 8.225,– (? 3732,34).
De ziekelijke advocaat stierf nog in hetzelfde jaar op 33-jarige leeftijd. Evenals voor zoveel andere niet langer houdbare jonkershuizen, was voor Rikkerda de moker van de sloper gereed.

Geschiedenis van de gemeente Grootegast

De gemeente Grootegast ligt in het Zuidelijk Westerkwartier en is in de huidige omvang en samenstelling in 1990 ontstaan door de samenvoeging van de oude gemeenten Grootegast en Oldekerk. Uiteraard voert de geschiedenis ons veel verder terug. Het Zuidelijk Westerkwartier is heel lang een moeilijk toegankelijk gebied gebleven. De verschillende dorpjes op de zandruggen lagen als het ware als eilandjes in een natte en ruige omgeving. De boeren zwoegden op hun roggeakkers en dreven hun koeien en schapen naar de weilanden en de heide. Nieuws uit de grote wereld drong slechts langzaam door. Vooral het heidevolk buiten de dorpen leefde dicht bij de natuur en leidde een hard bestaan. De bezembinders en keuterboertjes moesten zichzelf zien te redden. Naar school gaan was er meestal niet bij en echte dokters woonden veraf. Daarom vertrouwde men heel lang op mensen met bijzondere gaven. Op strijkers die de ziekten uit het lichaam streken, op kruidenverkopers die de geneesmiddelen uit de vrije natuur haalden en op duivelbanners die de kwade geesten verjoegen. Oude verhalen bleven er lang hangen. Toch waren er heren die de bewoners van deze afgelegen streken uit hun isolement wilden halen. Maar dan zouden er echte kanalen moeten worden gegraven om de nattigheid beter af te kunnen voeren. Het was de Portugees Caspar de Robles die de afgelegen wereld van heksen en plaagbeesten dichter bij de bewoonde wereld bracht. Dat had niet alleen met zijn goede hart te maken. Caspar was van 1572 – 1576 stadhouder van de Spaanse koning in Groningen, Friesland en Drenthe. Daarvoor was hij in het noorden de belangrijkste man van landvoogd Alva geweest. Bij Jemgum had hij meegeholpen om het legertje van Lodewijk van Nassau in de pan te hakken. Een eersteklas geuzenvreter die heel goed in de gaten had dat dit kikkerland er alleen maar onder was te krijgen als de troepen snel verplaatst konden worden. Als dat tussen Leeuwarden en Groningen al niet lukte…Er moest wat aan gedaan worden. Dwars door het Westerkwartier zou een kanaal naar Friesland gegraven moeten worden, dat mooi kon worden aangesloten op het diep dat al tussen het gehucht Poffert en de stad Groningen lag. In plaats van gejuich was er gesputter in het Zuidelijk Westerkwartier. Het mocht dan mooi lijken dat er vanaf het Bergumermeer naar Gerkesklooster en verder langs Lutjegast, Doezum, Grootegast, Oldekerk, Briltil en Enumatil een nieuw diep naar Groningen zou lopen, maar wie zou er eigenlijk van profiteren? Men hoefde niemand in het Westerkwartier te vertellen waar het water heen zou stromen. Dat bruiste straks sneller dan ooit van Friesland op het Westerkwartier aan. Dat betekende sluizen bouwen en …..betalen natuurlijk. En wie konden er voor een habbekrats op de schop? Dat waren de boeren uit het Westerkwartier. Die waren mooi de pineut. Het Caspar de Roblesdiep is er toch gekomen. Een naam waarover men zich de tong brak en die al gauw Kolonelsdiep of Knelsdiep werd. Toen het er eenmaal lag verdween het gemopper. Ook de ergste zwartkijkers moesten toegeven dat hun land na een regenbui minder gauw sompig werd. Op dankbaarheid hoefde Caspar echter niet te rekenen. Toen hij in 1576 zijn troepen niet langer kon betalen, werd hij door zijn eigen soldaten in Groningen gevangen gezet. De heren burgemeesters hebben geen hand naar hem uitgestoken. Caspars rol was uitgespeeld en tenslotte is hij berooid uit Groningen vertrokken.De Stadjers waren trouwens toch niet erg onder de indruk van de plannen van de eerste waterbedwinger in het Westerkwartier. Wat voor voordeel hadden zij nu eigenlijk van dat Kolonelsdiep? Er kon nauwelijks een fatsoenlijk schip door. Driekwart eeuw later is er een nieuwe trekvaart naar Friesland gegraven, het Hoendiep. Het werd tussen 1654 en 1656 gegraven, maar het duurde nog tot 1661 voor het goed bevaarbaar was. Toen lag er eindelijk een kanaal waar de kooplieden in Groningen wat aan hadden. Aan Caspar de Robles, de kanaalgraver van het Zuidelijk Westerkwartier, doch niemand meer. Zijn Kolonelsdiep raakte steeds meer in verval.Toch is in Grootegast een straatnaam naar hem genoemd namelijk de Caspar de Roblesdijk.(Uit: Groningers 2 miljoen Groningers in 120 eeuwen van Harm van der Veen uitgegeven door de Stichting ’t Grunneger Bouk, Scheemda).

Het karakteristieke coulissenlandschap van het Zuidelijk Westerkwartier spreekt niet alleen de eigen bewoners aan. Steeds meer mensen ontdekken de waarde van dat coulissenlandschap in het zuidwesten van de provincie Groningen. Het stijgende aantal bezoekers aan het ZWK brengt bovendien geld in het laatje en dat kan een welkome aanvulling zijn op het inkomen van bijvoorbeeld agrariers, of van organisaties die zich bezig houden met landschap of cultuur. Vandaar, dat het (verder) ontwikkelen van recreatie en toerisme een van de belangrijke thema’s is in het plattelands- beleid in het Zuidelijk Westerkwartier.
Feiten en cijfers Zuidelijk Westerkwartier:

Gemeenten: Grootegast, Leek en Marum
Waterschappen: Noorderzijlvest en Wetterskip Fryslan

Oppervlakte: 217 km2

Bevolking 1980: 36.304
1999: 39.708
2004: 41.116

Inwoners per km2 Nederland : 456
Groningen : 238
ZWK : 183

Aantal landbouwbedrijven
1980: 1057
1997: 812

Oppervlakte natuur
Groningen : 24.900 ha (10,3%)
ZWK : 4.400 ha (20,2%)
Houtsingels ZWK totale lengte 1.065 km.

Jonkerspraktijken 1700 - 1750

De Heer van Faan

In de late avond van 28 januari 1712 werd het ontzielde lichaam van Jebbo Aldringa, borgheer te Faan, bij toortslicht statelijk ter aarde besteld. Een deel van zijn nogal uitgebreid bezit aan heerden en rechten te Faan, Niekerk, Oldekerk en elders bleef eigendom van zijn broer Assuerus Aldringa. De rest, met inbegrip van de borg Bijma, vererfde op Rudolf de Mepsche. Toen in 1722 ook Assuerus stierf, beschikte De Mepsche over al de rechten en heerlijkheden die de Aldringa's bijeen gekocht hadden.

In 1713 verscheen Rudolf de Mepsche als comparant voor Faan in de Ommelander landdag. Van meet af streefde hij er naar om via dit gezagsinstituut zijn invloed te vergroten en zijn portie mee te krijgen van de buit, die in de vorm van lucratieve ambten van tijd tot tijd werd verdeeld. Van meet af was hij er zich ook goed van bewust, dat in deze wedloop de Heer van Hanckema te Zuidhorn een geduchte tegenspeler zou zijn.

Op de mooie borg Hanckema zetelde al van 1675 af een tak van het zo uitgebreide en invloedrijke geslacht Clant. Als Maurits Clant, de oude jonker, uit de ramen van de weelderig versierde sterrenkamer over de lage landen westwaarts keek, zag hij tegen de horizon het geboomte langs de singels bij Bijma. Daar woonde de kleinzoon van de hardvochtige ketterjager Johan de Mepsche en Clant maakte zich geen illusies over hem. Woorden en daden van De Mepsche lieten er geen twijfel over bestaan, dat hij het er op toelegde Hanckema te overvleugelen. De oude jonker hoopte dat zijn zoon Edzard tegen de ondoorgrondelijke heer van Bijma opgewassen zou zijn.

Rudolf de Mepsche was uiteraard volledig op de hoogte van de usanties en praktijken van de landjonkers. Hij kende al de trucs die werden toegepast om de gecreëerde functies te bemachtigen en hij zag kans om er nog enkele geraffineerde foefjes aan toe te voegen.

Er waren in de Ommelanden drie kwartieren, sinds 1659 ieder verdeeld in drie onder-kwartieren. Zoals voor de hand ligt, was het Westerkwartier verdeeld in de onder-kwartieren Vredewold, Langewold en Middag, waar Humsterland bij behoorde. Wie in zo'n onderkwartier voldoende stemmen op zijn hoofd kon verzamelen, kwam in aanmerking voor de functie van gecommitteerde, arbiter of monsterheer. Bovendien waren er de toerbeurten voor het lidmaatschap van de Admiraliteit van Amsterdam of Harlingen, de Staten- generaal, de Raad van State, voor generaal en provinciaal Rekenmeester, enz.

Het doel, voor een van deze goed betaalde baantjes op het fluweel te komen, mocht de gebruikte middelen niet bepaald heiligen, -naar de opvatting van de jonkers- werden ze er wel door gewettigd. De corruptie was algemeen en daardoor schijnbaar volkomen legitiem. Er waren bedragen vastgesteld, die men moest storten om de verworven functie te mogen aanvaarden. En die sommetjes logen er niet om. De Ommelander jonkers hadden in hun notitieboekje staan, wat ze op het plankje moesten leggen. Voor elk van de ambten van Hoofdman, secretaris van de Hoofdmannenkamer, Advocaat van de Provincie, Monster- Commissaris en Ontvanger der Coopschatten - telkens f. 6.800, (? 3.085,71). Voor de posten van Ontvanger-generaal of Ritmeester in het leger moest men zelfs f. 10.800,
(? 4900,83) fourneren. Maar men kreeg daarmee dan ook de troeven in handen om zich driedubbel schadeloos te stellen.

Onderling gooiden de jonkers in het onder-kwartier elkaar de bal toe. Ze hielpen elkaar aan stemmen en verdeelden de ambtenbuit volgens afspraak. De gesloten geheime contracten waarborgden van te voren een evenredige verdeling van de winsten. Wie het ene jaar een minder profijtelijk baantje had, kreeg het andere jaar een winstgevender post. Of men stelde vast, dat alle winsten in één pot zouden vloeien, om die dan naar evenredigheid te verdelen. Op deze manier ging het na 1740 tussen de heer van Hanckema, Bennema van Noordhorn, De Hertoghe van Rikkerda en Clant van Ayckema te Grijpskerk.

De tweede-rangs-jonkers werden door de grotere heren aan wie ze zich door een contract verbonden hadden met zorg in de watten gelegd, maar met evenveel zorg voortdurend geobserveerd. Terwille van een klein voordeel lieten ze zich omkopen door de tegenpartij. Unico Michiel de Hertoghe van Rikkerda (Lutjegast) was er zo een, die de huik naar de wind hing. In 1721 had hij De Mepsche gesteund, zodat deze lid werd van de Staten-generaal. Omgekocht door Clant van Hanckema, liet hij het volgend jaar De Mepsche in de steek.

In 1724 echter, ziet hij er heil in zijn draai te nemen en een nieuw contract met De Mepsche te sluiten. Volgens de aanhef van de opgemaakte akte beloven ze elkaar tot hernieuwing van onze oude vriendschap en wegneming der geschillen tussen voorzegde huizen, rust, vrede en enigheid van ons en onze nakomelingen en goede ingezetenen van het onder-kwartier Oostlangewoldsteradeel, tot voorkoming der cuiperijen in de toekomst de volgende punten te accorderen..... Het eerste punt is dan, dat ze nooit en te nimmer afzonderlijk hun stem zullen geven aan de Heren Maurits en Edsard Clant van Hanckema. Twee jaar later sluit De Hertoghe zonder gemoedsbezwaar een overeenkomst met Clant en Bennema.

Om als eigenerfde landdagcomparant te kunnen worden, moest men een behuisde plaats hebben van minstens 30 gras en belijder zijn van de Gereformeerde religie. Tot ongeveer 1715 was het aantal comparanten hier in elk karspel maar klein. Daarna zien we in de meeste karspelen van Langewold plotseling een sterke stijging van het aantal comparerende eigenerfden.

De Heren Clant en De Mepsche met inbegrip van hun vazallen gingen pachters, keuterboeren en landarbeiders tot eigenerfden bevorderen, door ze aan een boerderij te helpen, die op hun naam werd gezet. Onder garantie van de jonker werd door de eigenerfde-in-spé geld opgenomen, om de heerd te kunnen kopen met vaak een complete boerenvoortvaring. De jonker zelf zorgde meestal voor het geld en de boer tekende de rentebrief. Deze had ongeveer het karakter van een hypotheekakte, want bij wanbetaling verviel het onderpand, de boerderij met inventaris, aan de jonker.

Tientallen pachters en burgers, tot herbergiers toe, gaven dergelijke rentebrieven af en werden in naam eigenaar van een behuisd stuk grond. Ze moesten op tijd rente en aflossing betalen en vanzelfsprekend als landdagcomparant hun stem geven aan de jonker, van wie ze financieel afhankelijk waren. Op deze wijze werd een nieuwe stand van 18de eeuwse horigen in het leven geroepen, met als enig doel, stemmen te winnen. Stemmen, die men nodig had in de nooit aflatende strijd tegen de rivaal, die precies dezelfde kunstgrepen toepaste.

De jonker en zijn adviseurs zaten steeds op plannen te broeden, om hun corrupt systeem te perfectioneren. Stierf er een boer, dan moest men er altijd een op reserve hebben, die zo snel mogelijk zijn plaats innam. Aan weduwen had men niets. Grote boerderijen werden gedeeld, waarbij de vereiste behuizing voor de afgesplitste helft gevonden werd in een in de buurt staande arbeiderswoning.

Het was niet Rudolf de Mepsche, die met deze manipulaties is begonnen. In 1712, het jaar dat hij op Faan arriveerde, droeg Maurits Clant van Hanckema al een heerd van 32 gras over aan Sybrant Jans te Noordhorn, waarvoor een rentebrief werd getekend van f. 6.400, (? 2.904,19). In 1714 droeg Hendrik Bennema, de man waar Clant op kon bouwen, een heerd van ca. 30 gras over aan Warner Jans. Hiermede maakte Bennema een begin met de opdeling van zijn uitgebreid bezit onder schijn-eigen-erfden, terwijl hij de grond grotendeels in eigen gebruik hield.

Vrees voor de dag, dat de Hanckema-clan door De Mepsche en zijn aanhang zou worden overstemd, dreef Clant en Bennema reeds toen tot frauduleuze transacties met land en geld. Pas tegen 1717 begon Rudolf de Mepsche het voorbeeld van zijn tegenstanders te volgen. En zoals alles wat hij ondernam, deed hij het grondig. In 1721 werd Hanckema bij de stemming verslagen en werd De Mepsche lid van de Staten-Generaal.

Clant en de zijnen konden deze knock-out maar slecht verteren. De heren zonnen op een spoedige revanche. Er werd gesjacherd met boeren en land en er ging geen kans verloren om De Mepsche onder zijn duiven te schieten. Het gekuip had succes. We zagen al, dat jonker Unico Michiel de Hertoghe zijn contract met De Mepsche verscheurde en overstapte naar het andere kamp. Toen eind 1722 opnieuw gestemd werd over de te verdelen ambten (in de kerk van Noordhorn), staakten de stemmen en bleven de functies onbezet.

In de daarop volgende jaren wisten Clant en consorten hun koppel stemvee voldoende uit te breiden om zeker te zijn van de meerderheid. Behalve het grietmanschap, heeft De Mepsche nooit weer een openbaar ambt bekleed. De schare echte en onechte eigenerfden die De Mepsche uit de karspelen Faan, Niekerk, Oldekerk en andere jaarlijks liet aanrukken, dwong de winnaars tot voortdurende waaksheid.

In 1726 kwamen de vier leden van het Hanckema-consortium met elkaar overeen, dat ze evenredig aansprakelijk zouden zijn voor eventuele schaden, voortvloeiende uit de geïnterpoleerde borgtochten. Hiermee werden de afgegeven rentebrieven bedoeld. Met ziet: de jonkers bezigden voor hun corruptieve handelingen hun eigen juridisch jargon.

Helse boosheyt

Na 1722 heeft Rudolf de Mepsche het dus moeten aanzien, dat de begerenswaardige ambten bij zijn sterkere tegenspelers terecht kwamen. De Mepsche wist drommels goed, dat dit voor het grootste deel het werk was van Hanckema's actieve contactman: Hendrik Bennema, de hereboer uit Noordhorn, regelmatig bekleed met de functie van provinciaal Rekenmeester. Voortdurend was hij bezig de zadelriem van Edsard Clant steviger vast te snoeren.

Tot het laatst toe heeft De Mepsche de strijd verbeten voortgezet. Het kostte hem hopen geld. In zijn stamgebied (Faan-Niekerk-Oldekerk) wist hij in 1731 nog 46 figuranten op de comparantenlijst te krijgen. Het getij was hem echter ongunstig. Door een rondwarende epidemie stierven nog voor de stemmingsdag 8 stemgerechtigden. Nadien heeft hij zijn kiezerskorps niet meer op het gewenste peil kunnen krijgen. Als grietman van Oosterdeel-Langewold, een functie die hij nogal enkele malen heeft bekleed, werd in 1731 zijn ijver in beslag genomen door een zaak van schijnbaar heel andere aard.

Op verschillende plaatsen in Nederland werden in die tijd door de justitie arrestaties verricht en vonnissen uitgesproken wegens het zogenaamde crimen nefandum of goddeloos vergrijp, nader gepreciseerd als tegennatuurlijke ontucht, gepleegd door de mannelijke sexe.

De predikant van Niekerk, ds. Bijler, een temperamentvol en zeer belezen man, had er tegen gefulmineerd in een door hem uitgegeven boek getiteld: Helsche Boosheyt of grouwelycke sonde van Sodomie. Hij stond op het standpunt, dat dit kwaad moest worden gestraft overeenkomstig de oudtestamentische bepalingen van de Mozaïsche wetten, die daarop betrekking hadden. Erger nog: zoals de Sodomieten door een straf van de hemel de vuurdood stierven, zo moesten ook in 1731 de zondaars bernen.

Dit schijnt trouwens toen een gangbare opvatting te zijn geweest, waarbij men zich kon beroepen op een artikel uit veel oude landrechten waarin ook van bernen of branden werd gesproken. Van Bijler heeft zijn collator, grietman De Mepsche, volledig kunnen overtuigen, dat hij als drager van het rechterlijk gezag, dit artikel onverkort diende te handhaven als deze boosheid in zijn ambtsgebied de kop zou opsteken. Merkwaardig is echter, dat De Mepsche onmiddellijk na het uitlezen van Van Bijlers boek de zevenkoppige draak van het crimen nefandum al heeft kunnen signaleren. Naar hij mededeelde, heeft een blinde jongen hem de eerste aanwijzingen gegeven. Nog dezelfde avond werd de aangeklaagde Jan Berents bij het Noordhorner tolhek gearresteerd door de biezejagers van De Mepsche. Hij bekende en noemde een medeschuldige. Het werd een rollende sneeuwbal. Folterwerktuigen als pijnbank, been- en voetijzers dwongen de slachtoffers tot het noemen van namen.
In heel dit walgelijke proces van martelingen, ranselpartijen en helse verhoren werd De Mepsche krachtig bijgestaan door zijn geconstitueerd medegrietman, de rechtskundige Menso Alting en een andere jurist nl. G. Froon uit Groningen.

Naar het toen geldende recht, mocht de rechter bij half bewijs, bijvoorbeeld alleen maar een beschuldiging door een getuige, gebruik maken van foltermiddelen om van de beklaagde de waarheid uit eigen mond te horen. Van dit recht blijkt De Mepsche een ruim gebruik te hebben gemaakt. Hij heeft het zelfs gebruikt om andere, nog vrij rondlopende personen, die als verdacht werden genoemd te kunnen arresteren. Tot een ketting regen de beschuldigingen zich aaneen. De stallen en kelders van Bijma raakten vol.

De verdachten waren haast zonder uitzondering afkomstig uit Zuid- en Noordhorn. Ze werden onder de ogen van de borgheer van Hanckema weggehaald. Deze stond machteloos. Ook hijzelf was aan het rechtstoezicht van de grietman-in-functie onderworpen. Telkens verschenen de wedman en de biezejagers van De Mepsche in de beide dorpen. Onzekerheid en angst greep de bevolking aan van laag tot hoog. Zij die vreesden te worden aangebracht namen de vlucht. Het baatte hun niet. De grietman vroeg en kreeg toestemming de jacht ook buiten zijn rechtsgebied voort te zetten. Alleen de heer Lewe van Aduard toonde zich bij het tweede verzoek weigerachtig.

Clant van Hanckema en Rekenmeester Bennema werd de grond te heet onder de voeten. Ze vluchtten naar de stad Groningen. Bennema liet zich als stadsburger inschrijven. Beide stelden zich ter purge dat wil zeggen ze verklaarden zich bereid elke aanklacht te weerleggen en zich daarvan te zuiveren. De Mepsche schreef, dat hij tegen de heer van Hanckema niets in de zin had en dat hij, wegens de verwantschap van Clant aan zijn vrouw, het oordeel aan andere rechters zou overlaten, als het mocht blijken dat deze heer tot de verdachten zou behoren.

Bennema kreeg groter moeilijkheden. De Hoge Justitiekamer erkende volledig de bevoegdheden van de grietman van Oostlangewoldsteradeel en was niet van zins hem een strobreed in de weg te leggen bij het uitvoeren van zijn taak. Toen kwam de beschuldiging van Bennema binnen. De Mepsche had zijn naam door een van de gevangenen horen noemen. In het proces dat volgde heeft de heer van Faan echter bakzeil moeten halen. De burgemeester van Groningen had Bennema laten arresteren, maar hij werd niet aan De Mepsche uitgeleverd. Een speciale commissie verhoorde de getuigen. Ze bleken onder pressie van de rechter de Rekenmeester te hebben beschuldigd. Bennema werd vrijgesproken en hoefde niet weer naar de gevangenis boven de Poelepoort terug te keren.

Intussen had het proces, dat met gesloten deuren op Bijma werd gevoerd, zijn dramatisch hoogtepunt bereikt. Ds. Van Bijler was enkele malen bij de verhoren tegenwoordig en had er zijn welgevallen aan. Het getal van schuldigen en verdachten was gestegen tot 35. Dat het er beestachtig toeging blijkt uit de briefjes, die de gevangenen naar buiten smokkelden en uit het feit, dat Sicke Arents onder de pijnigingen bezweek. Een klein aantal gevangenen, dat in Groningen onder arrest werd gehouden en verhoord, had het niet minder hard te verantwoorden. De Zuidhorner eigenerfde Jan Pot, stierf met een op de pijnbank uiteen getrokken lichaam.

De slotzitting zou publiek zijn en worden gehouden in het kerkje van Faan. In de gezinnen, waar een man of zoon was weggehaald heerste de vreselijkste spanning.

Het helse vonnis: de 22 galgen

De 22 galgen, opgericht op het Kaakheem op de Westergast te Zuidhorn, staken hun armen dreigend uit. Ze spraken een ondubbelzinnige taal, al voordat de rechters openlijk uitspraak deden. Hout, hooi en turf lagen opgehoopt. De timmerlui bouwden de tribune voor de kijkers. Dit stuk grond, deze giesellap zoals het volk het noemde, had De Mepsche in 1720 gekocht om er drie ter dood veroordeelde misdadigers te laten terecht stellen.

De 24ste september van het jaar 1731 was door de grietman en zijn mederechters aangewezen als datum voor de publicatie en de uitvoering van het vonnis. Alles was tot in bijzonderheden geregeld. Antony Snijder, de stadsbeul, reed met zijn helpers tijdig naar Zuidhorn. Op zijn aanwijzingen werden de brand-
stapels gereed gemaakt.

Toen de heren van het gericht voor het kleine Faner kerkje uit hun koetsen stapten, spanden zeven boeren hun wagens aan, om de gevonnisten van Bijma naar Zuidhorn te vervoeren.

Om de tafel binnen het koorhek zaten, behalve de grietman, zijn rechterhand, Dr. Menso Alting, het viertal Groninger juristen, Froon, prof. Rotgers, Taalman Reichle en Dr. Alberthoma en niet te vergeten de predikant van Oldekerk, Niekerk en Faan, ds. Van Bijler. De schrijver van de Helsche Boosheyt opende de zitting met een lang gebed. Voor iedereen moest het duidelijk zijn, dat de kerk aan deze uitspraak haar sanctie verleende. Door steunpilaren omringd en door de kerk gedragen, hoefde de grietman van Oosterdeel-Langewold zich geen zorgen te maken.

Dr. Froon hield het rekwisitoor.
Het gericht van Oost-Langewoldsteradeel, Ratione Officii in Confinatie hebbende vernomen, na voorafgaande informatie.....enz. Voor elk van de veroordeelden werd de sententie herhaald, vier en twintig keer. En telkens weer luidde de strafclausule:......aan een paal te worden gezet, door de scherprechter doodgeworgd en voorts desselfs lichaam tot asse verbrand. Voor drie had men een nog strengere strafmaat nodig geacht. Gerrit Frericks, Jan Beerents en Hendrik Beerents zouden vooraf in het gezicht worden geblakerd. De twee kinderen kregen levenslang tuchthuis en moesten de executie aanzien. De nabestaanden werden gestraft met betaling van de kosten van het proces en de terechtstelling, ieder voor zijn aandeel.

De verschrikkingen van de tragedie die volgde, het transport naar Zuidhorn en de openbare moordpartij, zijn niet te peilen. Zeven boerenwagens met de mishandelde gevangenen en het lijk van Sicke Arents, schonkelden door de sporen van de zandweg naar de Zuidhorner Gast. Met de wagens meelopend zag men de familieleden, vrienden en kennissen, eerst op afstand gehouden, maar later opdringend, jammerend en huilend of proberend een troostwoord te vinden.

Ds. Van Bijler zag men met een strak gezicht voortschrijden in de stoet - ernstig en zelfverzekerd beleefde hij de dag van de wrake van zijn toornige god....
Ds. Van Bijler vertegenwoordigde de kerk echter maar in schijn. De oude ds. H.C. Metelerkamp van Zuidhorn, de jonge Metelerkamp van Niehove en ds. Abelaar van Oostwold, allen bij het treurspel aanwezig, hebben zich duidelijk genoeg van hun Niekerker collega gedistantieerd. Blijkens hun brieven aan hoge Colleges in de stad, hun voorspraak voor de rechtelozen en hun openlijk getuigenis in kerkelijke bijeenkomsten, hebben zij deze oordeelsdag beleefd als een ongeluksdag voor de kerk. Zij toonden zich bitter gekrenkt door het feit, dat een predikant zijn eigen gemeenteleden tijdens hun gevangenschap op Bijma niet mocht bezoeken. Ze hebben hun verontwaardiging er over uitgesproken, dat niemand in staat was een dergelijke beestachtige strafoefening te verhinderen.

Tot op het ogenblik, dat hun keel werd dichtgesnoerd, hebben de meeste slachtoffers luid van hun onschuld getuigd. Wie, zoals ds. Metelerkamp, op een uitbarsting van de tot razernij opgekropte woede van het landvolk had gerekend, werd teleurgesteld. Weerloos en geslagen, in het fatale besef van hun onmacht, staarden de mensen het moordtoneel aan of wendden zich in angst en weerzin om. Men kwam niet verder dan tot het in stilte vervloeken van de rechters en het ballen van een vuist. Tweehonderd soldaten met geheven wapens vormden een stalen cordon om de brandstapels. De hitte van brandend teer en hout, dreef bewakers en toeschouwers achteruit............

Het raadsel der motieven

In het Oudheidkundig Museum te Groningen hangt het portret van Johan de Mepsche, een voorvader van Rudolf, de grietman uit het monsterproces van Faan. Het gezicht van deze zwaargebouwde figuur, die zijn rol heeft gespeeld in de begintijd van het Spaanse geweld, verbergt meer dan het openbaart. Men kan er in lezen een grote dosis zelfingenomenheid en egoïsme, gepaard met durf en vasthoudendheid. Het gevaar is echter groot, dat we tot de conclusie komen, gewapend met de kennis van zijn woorden en daden. De onbevangen toeschouwer ziet in hem misschien een zeer acceptabel en vriendelijk mens, rechtvaardig en menslievend.

Als luitenant van de Hoofdmannenkamer en daardoor vertegenwoordiger van de stadhouder des konings, was hij een fanatiek verdediger van de opperheerschappij van Filips II en het exclusieve bestaansrecht van de Roomse kerk. Afvalligen konden niet worden geduld. De stad vond in hem een niets ontziend strijder voor de stadssuperioriteit in het gewest. De strijd voor deze principes heeft hij door alles heen, heel zijn leven lang gevoerd en daarbij vooral zijn persoonlijke belangen niet vergeten. Toen Alva kwam en Groningen in de Knyff een bisschop kreeg, beleefde Johan de Mepsche zijn beste dagen. Maar men vertelt, zaten hij en de bisschop achter het raam van het Huys met de Schoone Gevel te genieten van wat er op de Grote markt te zien was: de pijniging van ketters. Zeker van zijn macht, toen er enkele vendels Duitse huurlingen binnen de muren van de stad waren, joeg De Mepsche de aanhangers van de hervorming, mannen, vrouwen en kinderen de stad uit.

Bij de inval van Lodewijk van Nassau in 1568, werd de borg van De Mepsches vrouw te Loppersum met de grond gelijk gemaakt. Na de overwinning van Alva, nam De Mepsche wraak. De boeren uit de omtrek kregen de schuld. Ze werden van land en goed beroofd en moesten de borg helpen opbouwen. Na een tijdelijke gevangenschap en verbanning van 1576 tot 1580 keerde hij terug om met dezelfde grimmigheid zijn oude tegenstanders te lijf te gaan, zonder zijn maatregelen op hun humaniteit te toetsen.

Hij hield de kerk en de kerk hield hem in ere. Als proost van het decanaat Loppersum bewaakte hij het godsdienstig leven in zijn ambtsgebied en profiteerde tevens van de opbrengsten uit de rijke bezittingen van deze proosdij. Bij de uitoefening van deze taak overviel hem in 1585 de pest.
Rengers van Ten Post rekende hem tot de boosaardigen, die Gods gericht niet ontlopen. Ze liggen in der helle und ewigen tendenknersent.

Wat dreef Rudolf de Mepsche tot het voeren van het monsterproces? Het kluwen van motieven schijnt niet te ontwarren. Hij werd krachtig gesteund, om niet te zeggen voortgestuwd. De invloed van Ds. Van Bijler moet buitengewoon groot zijn geweest. Deze predikant met zijn loftirades op de edelmoedige grietman en nog overdrevener op de beminnelijkheid van Suzanna Alberda, De Mepsches vrouw, wist zijn ideeën aan de formeel-puriteinse geest van De Mepsche op te dringen. En, last but not least, waren er de gerenommeerde juristen uit de stad, wier adviezen allemaal dezelfde geest ademden.

Het meest ontdekkende licht valt echter op De Mepsches optreden tegen de achtergrond van zijn worsteling om de macht met het huis Hanckema. Behalve de beide kinderen en de jongens, waren er bij de gevonnisten elf mannen, waarvan acht eigenerfden, allen kiezers van Clant van Hanckema. Van de negen verdachten die te Groningen gevangen werden gehouden en nooit aan Bijma zijn uitgeleverd, waren er zeven, die de partij van Hanckema steunden. Weliswaar waren velen van hen gekochte kiezers, maar dat doet in dit geval niets ter zake. Vooral bij de latere arrestaties, op grond van afgeperste aanklachten, vielen de slachtoffers onder de eigenerfden, die hun woord aan Clant hadden gegeven.

De arrestaties wegens het crimen nefandum vielen in die jaren vrijwel uitsluitend in de grotere steden. Het is eenvoudig absurd om te geloven dat de plattelandskarspelen van Zuid- en Noordhorn er in die mate mee besmet zouden zijn geweest. Op misschien enkelen na, zouden ze allen voor de rechtbank, waarvoor Bennema terecht stond, zijn vrijgesproken. De eerste impuls van De Mepsche zal ongetwijfeld geweest zijn, het gesignaleerde kwaad te straffen. De verdachten die de rij openden, stonden blijkbaar minder gunstig bekend. In de loop van het proces wijst alles er onmiskenbaar op, dat het De Mepsches voornaamste doelstelling wordt, zijn tegenstander op Hanckema schaakmat te zetten. In zijn verblindheid heeft hij niet begrepen, dat het door hem gebruikte infame wapen, zich als een boemerang tegen hemzelf zou keren.

De vlekken van de luipaard

Over de afloop zal De Mepsche meer spijt dan berouw hebben gehad. Sommigen van zijn kiezers werden hem ontrouw. Bij de verbeurdverklaring en de verkoop van het bezit van de ter dood gebrachte boeren werd hij opgehouden door het Hof in Groningen. Het begon protesten en rekwesten te regenen bij de Landdag en de Hoge Justitiekamer. In de Landdag stonden 6 onder-kwartieren tegenover drie, die voor non-interventie waren. Dat verlamde de protestactie en gaf De Mepsche de hoop, dat hij nog wel volledig aan zijn trekken zou komen.

De Hoge Justitiekamer, gesteund door de stadsregering, schoof alle verzoekschriften op de lange baan. In dit hoge rechtscollege zaten de begunstigers van De Mepsche, zelfs zijn zwager Alberda van Bloemersma. Eindelijk werd een commissie beëdigd om de processtukken te onderzoeken en de klachten van de familieleden van de slachtoffers te wegen (1732). Ze voerde weinig uit en kwam pas in 1739 met een rapport. Toen het op besluiten aankwam, stonden Stad en Ommelanden weer lijnrecht tegenover elkaar.
De Staten-generaal bemoeiden er zich zelfs mee en maanden tot onpartijdigheid. Het advies werd voor kennisgeving aangenomen. Nog steeds zaten de negen verdachten te Groningen gevangen. De beide jongens, die naar Groningen overgebracht waren om Bennema te beschuldigen, maakten een gat in de gevangenismuur en kropen er uit.

Intussen liepen de kosten aldoor op. De rekeningen van de terechtstelling waren nog steeds niet voldaan. De afwikkeling van deze toch zo belangrijke zaak, geeft ons een monsterstaaltje van de verachtelijkste touwtrekkerij. Officieel is er door de Hoge Justitiekamer nooit een oordeel over De Mepsche uitgesproken. Hangende het onderzoek, mocht hij echter niet tot de Landdag worden toegelaten, hoe hardnekkig hij dat elke twee jaar ook heeft geprobeerd.
Zijn schulden stapelden zich op. Boeren, die hem niet meer steunden moesten hun rentebrieven inleveren en de boerderij verlaten. Omstreeks 1737 begonnen de monsterheren met de zuivering van zijn kiezerskorps. In de volgende jaren werden de rijen gedecimeerd, zodat er omstreeks 1745 voor Oldekerk-Niekerk-Faan van de ca 50 comparanten niet meer dan tien over waren.

Van meten met gelijke maten was evenwel geen sprake. Bij de beoordeling van de stemmers voor Hanckema, kneep men een oog dicht. Pas na 1747, toen De Mepsche door zijn faillissement voorgoed was uitgerangeerd, namen Clant en de Hertoghe hun donors geleidelijk uit de Landdag terug. In 1745 begon de gerechtelijke verkoop van De Mepsches bezittingen. Tot 1753 toe werden regelmatig heerden en rechten in het Wijnhuis te Groningen bij de keerse verkocht. Voor een groot deel kwamen de goederen tegen een lage prijs in handen van Edzard Reint Alberda van Bloemersma, die ook eigenaar werd van de borg Bijma.

De verheffing van Willem IV tot erfstadhouder in 1748, gelijk met het dieptepunt in het leven van Rudolf de Mepsche, werd voor hem de reddingsgordel, die hij krampachtig vastgreep. Terwijl veel jonkers afwijzend of weifelend stonden, ontpopte De Mepsche zich als een vurig Oranjeklant. Hij overtroefde daarmee zijn oude vijand, Lewe van Aduard en het heeft hem geen windeieren gelegd. Met de 40.000 gulden ( ? 18.151,21) die hij van de Prins ontving kon hij zijn voornaamste schulden delgen. De benoeming tot drost van Wedde opende voor de veel gehate jonker weer een nieuw verschiet. Hij werd een man van aanzien, maar toen hij in 1754 stierf, liet hij een grote schuldenlast aan zijn erfgenamen na. Volgens de Groninger Courant van 17 december 1754 werd hij in de avond van 8 december met statieus gevolg onder het licht van de flambouwen, in de Martinikerk begraven.

6. Reacties bij het volk in Langewold

We vragen: hoe is de reactie geweest op de gebeurtenissen in 1731, toen de as van de brandstapels op de giesellap was verwaaid? In het bijzonder interesseert ons dit voor de kerspelen, waarin hij tot dat jaar voor honderd procent werd gesteund, Faan, Niekerk en Oldekerk. Deze mensen zaten 's zondags onder het gehoor van Ds. Van Bijler. De lijst van schuldigen, die De Mepsche en Alting hadden opgesteld, wees uit, dat Van Bijler zijn kudde vrij had weten te houden van deze helsche boosheyt. In de gemeente had hij God gedankt voor zulke trouwe en onkreukbare rechters, als die, waarmee Oosterdeel-Langewold in deze verdorven tijd was gezegend. En velen onder zijn gehoor zullen daar min of meer van harte amen op gezegd hebben.

a. Sebaldeburen 1732

Hemelvaartsdag 1732 was het weer druk op de jaarmarkt in Sebaldeburen. De kramen stonden op het kerkhof en langs de weg. Elk huis was voor deze dag in een herberg veranderd. Overal zaten de keukens en de kamers vol met drinkende en klinkende marktgangers. De grietman, jonker de Hertoghe van Rikkerda, opvolger van De Mepsche, had zijn beide biezejagers, Jan Gort en Tjebbe Jans, naar de markt gestuurd om orde en rust te handhaven. Ze gingen van huis tot huis, luisterden even naar de gesprekken en zetten hun rondgang dan weer voort.

In het huis van Hylke Jans troffen ze een gezelschap Niekerkers aan met Harm Jans, de bouwknecht van De Mepsche en Harm Jacobs, zijn wedman. Het was er rustig en de beide ordebewakers stapten er weer uit: Jan Gort naar een ander huis en Tjebbe wandelde in de richting van de herberg bij de Sebaldebuurster Klap.

Toen Tjebbe terugkwam, moest hij uitwijken voor de Faners en Niekerkers, die hem in 't voorbijgaan met hun stokken prikten. Tjebbe trok zijn houwer en werd handgemeen met Harm de bouwknecht. Stukken hout werden van een vonder gescheurd en bij het gevecht moest Tjebbe zich veilig stellen aan de overkant van de sloot.
Intussen hadden een paar vrouwen Jan Gort gewaarschuwd met de woorden: Jan, kom gauw, de Niekerkers moaken dien kammeroad kapot!

Toen Jan zijn vriend te hulp kwam, viel de hele bende op hem aan. De bouwknecht gaf hem met een dampaal een harde klap op zijn hoofd en een jonge Faner boer wondde hem met een soort bijl in de rug. Daarop trok de troep af. De bouwknecht veegde het bloed van zijn handen, waar de sabel van Tjebben doorgegleden was.

Dr. Ludolphi, de secretaris van De Mepsche vatte het geval zwaar op en diende prompt een klacht in bij De Hertoghe, wegens mishandeling van de knecht van De Mepsche. Dr. Rickenga, de waarnemer van jonker de Hertoghe, leverde een uitgebreid rapport in over het gebeurde op de bewuste Hemelvaartsdag. De aanklacht werd ongegrond verklaard en daarmee was de kous af.

b. Zuidhorn 1733

Op een decembermorgen in het jaar 1733, tussen acht en negen, kwam de Faner wagen, gemend door Reinder Jans, de koetsier van De Mepsche, door Zuidhorn. Op de wagen waren gezeten de ambtenaren van de heer van Faan, Menso Alting en Dr. Ludolphi, de schrijver. Ze waren eens weer voor hun heer op
't oorlogspad.

Toen 's middags de school uitging, zei Pieter Pot tegen zijn vriendje Jacob Pieters: Alting de brander komt hier straks weer met de wagen door de straat. We gaan hem stenigen. Jacob vond dit voorstel nogal kras en zei: Durf jij dat wel?. Het antwoord van Pieter was: Hij heeft mijn vader om hals gebracht. Ik heb moeder gevraagd, wat voor kwaad er in zit, als je Alting stenigt. Ze heeft gezegd, dat dit wel niet zo'n grote zonde zou zijn. Andere jongens sloten zich bij hen aan en ze zochten zakken vol stenen bijeen. Toen de wagen verscheen en de jongens de dreigende ogen van de gewezen grietman zagen, lieten de meesten hun stenen vallen. Maar Pieter en Jacob gooiden zo hard en zo veel ze maar konden. Alting was het mikpunt, maar Reinder Jans kreeg de eerste steen tegen zijn achterhoofd. Alting kwam overeind en brulde tegen de jongens: Ik zal jullie wel krijgen, satanskinderen!

Bij Harke Jans, de kastelein, hield de wagen stil. Rood van kwaadheid sprong Alting er af. Hij had nog een steen in zijn hand en zei: Daarmee word je hier gegooid. Reinder heeft al een bult op zijn hoofd. Van wie zijn die rekels?De herbergier antwoordde: Meneer, ik zou het waarachtig niet weten. Razend over de ongehoorde baldadigheid, dronken ze hun glas brandewijn. Toen ze weer opstapten en wegreden, waren de twee hardnekkige vervolgers er weer en vlogen hun de stenen opnieuw om de oren. Ze achtervolgden de wagen tot buiten het dorp. Harke had nog gezegd: Jongens, jongens, wat zal daar nog weer op volgen? Maar de beide knapen lieten zich raden noch bang maken. Het was voor hen de enige manier, om zich te wreken over de wreedheden aan hun beider vaders begaan en over de ellende die over hun moeders was uitgestort. Toen ze de volgende dag door grietman Rickenga, de waarnemer voor grietman De Hertoghe in verhoor werden genomen, vertelden ze alles onverbloemd, zonder zich ook maar een ogenblik te schamen.

c Faan - Niekerk 1734

Op het eind van januari 1734 had Dr. Ludolphi, de secretaris van De Mepsche het druk met het inzamelen van handtekeningen voor een brief vol klachten. Als hoofd-ondertekenaars hadden Reinder Jans, koetsier van de heer van Faan en Rotmer Popkes, een landbouwer, hun naam er onder gezet. Wat er nu was gebeurd, liep volgens Dr. Ludolphi en ook volgens klagers en getuigen de spuigaten uit.

't Was volop winter en het ijs op sloten, vaarten en onder water staande landen was sterk. Op de 28ste januari waren grote drommen mensen op scheuvels over de ijsvlakten komen aanrijden, richting Faan. Velen kwamen uit Zuidhorn en Aduard, maar er waren er ook bij uit Hoogkerk en zelfs uit Garnwerd.
Een koppel legde aan bij het huis van Rotmer Popkes, die men kende als een pleitbezorger voor de Mepsche. Rotmer was, door het tekenen van een rentebrief eigenaar geworden van één van De Mepsches boerderijen op Faan. De vrouw van Rotmer was alleen thuis en toen ze de troep zag aankomen deed ze vlug de deur op het nachtslot. De kerels lichtten een raam uit het kozijn en kwamen één voor één binnen. Rotmers vrouw, die een kind verwachtte, stond doodsangsten uit.

De indringers vroegen om haar man. Ze verklaarde, dat hij weg was; ze wist niet waarheen. Veel kabaal makend, doorzochten ze toen huis en schuur. Ze kwamen in elk vertrek en klommen langs het laddertje naar de zolder. Ze vonden niets en begonnen te razen op De Mepsche en Rotmer, zijn hielenlikker, die ze nog wel zouden krijgen, zoals ze zeiden. De vrouw werd, volgens Ludolphis rapport, nog diezelfde avond door de alternatie praematuur verlost en verkeert in zwakke staat.

Anderen brachten een bezoek aan de woning van koetsier Reinder Jans. Ook hier was de man die ze hebben moesten niet thuis. Agnietje, zijn vrouw, verklaarde niet te weten waar hij zich ophield. Bij de huiszoeking werd ook in dit huis alles door elkaar gesmeten en braaf op De Mepsche en zijn koetsier gescholden. Toen ze opstonden om te vertrekken, gooiden ze de stoelen op het vuur.

In Niekerk verzamelde zich tenslotte de hele troep. Dr. Alting hield juist rechtsdag in de herberg van Sipke Sipkes op de hoek. Hij werd gewaarschuwd, dat er een overval dreigde en sloot haastig de zitting. Reinder Jans legde de zweep over de paarden en bracht de rechter in galop naar Zuidhorn, waar Alting woonde. De mannen op het ijs kregen hem in de gaten en zetten de achtervolging in. Reinder is de hele dag niet weer uit Zuidhorn weggekomen. Hij moest zich schuilhouden in de schuur van Raadsheer Siccama aan de Klinckemalaan.

Bij Niekerk bonden de rustverstoorders hun schaatsen af en trokken het loug in. Schelmen van moordenaars en branders! werd er geschreeuw, zwaaiend en dreigend met blote messen. Ze wisten de handlangers van De Mepsche heel goed te vinden. Daar woont Tamme Jans de kuiper. Dat is ook een moordenaar en brander! Kom er eens uit als je de courage hebt! Eeltje, de vrouw van de kuipers, stond bij Tetje Mennes in de deur. De beide vrouwen hoorden zich toe-
roepen: Bliksemse hoeren, we zullen je snijden!

Onder het voorwendsel, een pijp tabak te willen aansteken bij het haardvuur, kwamen ze verscheiden huizen binnen, om daar alles in de grootste wanorde achter te laten. De hoofdaanval was gericht op het huis van Peter Nannens, de biezejager van De Mepsche. Deze verschanste zich op de zolder van zijn huisje met snaphaan en houwer en wist de aanvallers op een afstand te houden. Harm Fransen uit Zuidhorn, Jacob Hagel, Mecke Dates de wedman en Pieter Pieters de schoolmeester, allen uit Hoogkerk, waren de belhamels van de troep. Jacob Hagel stond midden in de gelagkamer van Sipke Sipkes en schreeuwde, dat De Mepsche moest sterven. Op een vrijdag zal hij gehangen worden!

Het zag er treurig uit in Niekerk, toen de tierende bende was weggetrokken. De volgende dag kwam de dienstdoende grietman, Dr. Rickenga, om de ooggetuigenverslagen aan te horen en de schade op te nemen. Jan Claasen toonde hem zijn gehavende woning. Het gaat hier maar bijster toe, zei de griet-
man. Jan Claasen antwoordde: Gisteren hebben ze mij de deur ingetrapt. Hier kan geen mens meer met vrede wonen. Rickenga maakte een ontwijkende opmerking en zette zijn onderzoekingstocht voort. De hetze was te algemeen en het aantal daders ongrijpbaar groot. Van verdere rechtsvervolging schijnt weinig gekomen te zijn.

Dezelfde Dr. Rickenga, jarenlang geconstitueerd (d.w.z. mede-) grietman van De Hertoghe en dus werkend voor de partij, die door De Hertoghe gekozen werd, had wel een grote moeite, om de stem-hebbende boeren tijdig hun draai te doen nemen. In 1735 kwam er een akte van Correspondentschap tot stand tussen De Mepsche met de heren en freules van Feringa en Rikkerda. De boeren moesten toen tekenen, dat ze weer op een ander paard zouden wedden.

In het begin van 1736 wisten de heren Bennema, als agenten voor Hanckema, te Grootegast 15 boeren over te halen, hun belofte aan Rickenga in te trekken. Ze tekenden een stuk, door Bennema opgesteld, waarin ze verklaarden niet in te gaan op de valsche voorgevens des heren Rickenga, ons afgeperst, als hebbende door onwaarheden ons misleyt. Ze beloofden in 't vervolg weer braaf hun steun te verlenen aan de actie om de heer De Mepsche te doen diskwalificeren en te doen afmonsteren. In 1738 tekende De Hertoghe weer voor Hanckema. Er ontstond een rel, toen Dr. Rickenga op onwettige wijze en zonder genoegzame kennisgeving een rechtsdag had uitgeschreven, die was gehouden in de kerk van Sebaldeburen. Johan de Hertoghe van Boekstede (Westerzand) diende een aanklacht in door tussenkomst van zijn advocaat Dr. F.I. Guichart. Op 14 januari 1738, de dag van St. Pontiaan, was door Rickenga een extra-ordinaire rechtsdag samengeroepen te Sebaldeburen. Hij wilde daar zijn beklag indienen over de vordering die hij had op de Hertoghe van Boekstede, wegens juridische assistentie. Om de agenda te vullen, zouden een paar boeren, aanhangers van De Mepsche, een paar onbeduidende rekwesten indienen. St. Pontiaan werd door de Hoge Justitiekamer als vakantiedag aangemerkt en de zitting werd onwettig verklaard. Rickenga was dus blijkbaar zijn lastgever ontrouw geworden. Hoe spitsvondig Alting en Ludolphi bij hun verdediging van Rickenga ook te werk gingen - ze hadden geen succes.



naar de top van deze pagina





























Na beschouwing
Om 09.00 uur precies starten 291 wandelaars die zeer slechte weer trotseerden. Er stond een zeer harde wind en het regende pijpenstelen.
Er kwamen toch nog 172 wandelaars aan de start voor de 25 km,
74 op de 40 km en
30 keiharde wandelaars starten op de 50 km.
Er waren toch nog 15 wandelaars die de tocht voortijdig beeindigd.
De route, uitgezet door de groep uit Lutjegast, was voor alle afstanden zeer afwisselend. Op de rusten was het een natte maar toch wel gezellig druk.
231 wandelaars liepen voor administratiekosten.
11 voor de beker,
6 voor het schildje,
18 voor het wandbord en
25 wandelaars voor een medaille.
Het was ,ondanks de regen en harde wind, een geslaagde wandeltocht.
naar de top van deze pagina






























naar de top van deze pagina