
Hege Bult wandeltocht op 24 maart 2007, route-informatie:
Inderdaad heeft een tocht met deze naam enige jaren geleden een paar maal eerder op het programma
van de Flal gestaan. Start en finish waren toen in het buurdorp Drogeham.
In 1959 heeft het dorp de Kooten de naam Kootstertille gekregen.
Kooten komt van het oude woord koot. Een koot is een huis of boerderijtje.
De Kooten was vanouds een boerendorp.
Maar door het Kolonelsdiep, een vroeger gebruikte naam voor het Prinses Margrietkanaal is er veel veranderd.
De mensen gingen dichter bij de brug over het kanaal wonen.
Een hoge brug heet in het Fries een tille.
De naam Kootstertille is hiermede verklaard.
Na de tweede wereldoorlog is de loop van het kanaal veranderd.
Er is een bocht uit het kanaal gehaald.
De vrijgekomen grond werd in de nabijheid van het kanaal op een grote hoge hoop (bult) gelegd.
In de volksmond werd de bult grond al gauw de Hege Bult genoemd.
Op de bult mocht de natuur ongestoord haar gang gaan,
waardoor de huidige begroeiing ontstond, een zuiver oerbos.
Aan de naam van deze oase van rust, direct naast het drukke kanaal ontleent de wandeltocht haar naam.
Het gebied waarin de tocht is uitgezet behoort voor een groot deel tot het
toekomstig nationaal landschap de Noordelijke Friese Wouden.
Ten oosten van het Bergumer Meer ligt een gebied dat in het Friese Landschap niet thuis lijkt te horen.
Het meest opvallend zijn de vele bomen en struiken langs de wegen en rondom de weilanden.
Vaak staan de bomen op een aarden wal van anderhalve meter hoog.
Vroeger was er geen prikkeldraad.
Boeren legden daarom houtwallen als veekering aan.
Het is een rustig gebied met stille lanen,
kronkelende zandweggetjes en klinkerweggetjes.
Onder het wandelen verandert het landschap steeds.
Het oude landschap is hier het beste bewaard gebleven.
Ten opzichte van heel vroeger is er natuurlijk wel veel veranderd.
In de laatste ijstijd, zo’n 80000 jaar geleden heerste in deze streken een toendraklimaat.
De bodem was permanent bevroren, alleen in de zomer ontdooide het bovenste laagje.
Wanneer het grondwater naar boven wilde komen bevroor het,
zodat overal dikke ijsklompen de bodem omhoog drukten als heuveltjes.
Dit zijn de pingo’s die na de ijstijd ontdooiden,
Een rond meertje met wal eromheen bleef achter.
Rond 7000 jaar geleden leefden hier mensen in een landschap van moeras, heide en bos.
Zij visten en jaagden om aan de kost te komen.
Ongeveer 1000 jaar geleden gingen mensen zich vestigen op hoge zandruggen in het moeras.
Zo ontstonden ondermeer Jistrum en Eastermar (Eestrum en Oostermeer).
Het landschap werd veranderd.
Heide (hoogveen) werd afgegraven en het veen werd uit het moeras gehaald.
Er ontstond meer een cultuurlandschap.
Route 40 km.
Vanuit de start wandelen we naar de brug over het Prinses Margrietkanaal
en van daar over een onverharde weg, langs een natuurreservaat naar de Hege Bult.
Het wandelen over de bult is op zich al een belevenis.
Vanaf de bult hebben we een prachtig uitzicht over de omgeving,
onder meer op de scheepswerf.
Daarna gaan we langs hetzelfde natuurreservaat en langs een hertenkamp naar Drogeham.
De Hervormde Kerk van Drogeham heeft een stompe Friese toren en is gebouwd tussen 1200 en 1225.
De eerste bewoning van Drogeham was in Hamsherne, een hoger gelegen zandgebied.
We zullen dit later wel zien.
In het boekje over de geschiedenis van Achtkarspelen schrijft S.J. van der Molen
een aardig verhaaltje over hoe al dat zand in Drogeham kwam.
Een reuzin uit Drachten had voor het schrobben van haar straatje zand nodig.
Zij stuurde haar dochter daarom naar Schiermonnikoog om het te halen.
Het meisje had nogal wat tijd verloren met spelen.
In haar haast om de verloren tijd in te halen
is het meisje bij het oversteken van het Kolonelsdiep gestruikeld
en verloor zij hoopjes zand uit haar schort.
Het moet wel een grote schort zijn geweest.
We verlaten de Ham, zoals de bewoners hun dorp noemen, via It Leech.
Een mooi gebied, waarin een prachtige rij oude eiken een bijzondere plaats inneemt.
Via de Harkema komen we in Hamsherne,
waarna we via rustige onverharde paden ten westen van de Harkema in de richting van Heechsân lopen.
Hier zien we de hoge houtwallen.
Harkema is het jongste dorp van de gemeente Achtkarspelen.
Vroeger was hier een groot heidegebied en hoorde het onder Drogeham.
Vervolgens komen we langs de Skieppedrifte weer in de buurt van Drogeham.
Boeren uit dat dorp gebruikten deze weg om hun schapen van en naar de heide te brengen.
Via het prachtige onverharde fietspad (het Boppepaed) gaan we weer richting het Heechsân.
De wagenrust is onder Heechsân op de Boskwei 1.
Na de wagenrust gaan we via rustige wegen en paden naar Oostermeer.
Namen van deze paden, als Spoekeleantsje en Lange Geestlaan herinneren ons er aan dat het hier
vroeger nogal eens spookte.
In Eastermar is in café Lands Welvaren de grote rust.
Het huidige Eastermar is een oud veendorp.
Er is nu veel toerisme. In het dorp staan nog veel historische panden.
Oude buurten zijn it Wâltsje en Snakkerbuorren.
We verlaten Eastermar via de Achterwei en gaan naar it Heechsân.
De plaats ligt op een hoge zandrug en is de voorloper van het tegenwoordige dorp Eastermar.
Door de vervening is het dorp meer naar het westen verplaatst, tegen het Bergumer Meer aan.
In Heechsân kan je nu nog zien dat dit vroeger belangrijker was dan nu Eastermar.
De Kerk staat op Heechsân en niet in Eastermar.
Het hek van het kerkhof heeft vele doodssymbolen.
We gaan weer terug naar de Achterweg en lopen langs de historische akkers
(waarop oude gewassen worden geteeld) en de oeverlanden van het Bergumer Meer
weer richting Heechsân.
Uiteindelijk komen we via de Mounekamp bij het gehucht Schuilenburg,
waar we het Prinses Margrietkanaal weer oversteken.
We lopen langs dit kanaal en via een nieuw fietspad langs het Bergumer Meer naar Jistrum.
Links van het fietspad is een uitzichtpunt.
Jistrum heeft een kerk uit 1230.
Frappant is dat de kerk is gesticht door inwoners van de Kooten.
In het dorp zien we rondom de oude hoge es nog zandpaden,
waarover het vee naar de heide werd gedreven.
Rond Jistrum vond vroeger veel akkerbouw plaats.
We verlaten Jistrum en wandelen via zandpaden en klinkerweggetjes
naar de Oude Harsteweg, een prachtig wandelpad.
Vervolgens moeten we genoegen nemen met een klein stukje parallelweg langs de drukke rijksweg.
Gelukkig komen we daarna op de onverharde Harsteweg.
De Gemeente Tytsjerksteradiel zal er binnenkort voor zorgen
dat de beide Harstewegen weer verbinding met elkaar krijgen via een onverhard pad.
De Harsteweg was vroeger een belangrijke verbinding tussen Leeuwarden en Groningen.
In de berm van de Harsteweg is een “Poepekrús” gegraven.
Het is een aandenken aan een zeer onveilige tijd.
(Er staat nu ook een stenen gedenkteken)
Het verhaal gaat dat op die plek een Duitse hannekemaaier is vermoord.
Hannekemaaiers waren arbeiders uit Westfalen,
die in Friesland in drukke seizoenen bij de boeren werkten.
Duitsers werden van oudsher poepen genoemd.
Door een parkachtig stukje Kootstertille komen we weer bij de finish.
Route 25 km.
De wandelaars op de 25 km gaan eerst niet met de andere lopers mee.
Zij lopen via de Jister Boerewei, d
e onverharde Miedwei en het Tillepaed langs het Prinses Margrietkanaal naar de brug in Kootstertille,
vanaf welk punt zij weer een stukje met de 40 km meegaan.
In Drogeham verlaten we de 40 km route bij de Tsjerkebuorren.
Via mooie paadjes komen we bij de rondweg,
steken deze weg over en gaan daarna weer samen met de andere wandelaars verder.
Kort na de wagenrust splitsen de routes zich weer.
De 25 km- wandelaars gaan via het Binnenvlietpad naar de Joerelaan.
Rechts van het Binnenvliet ligt een pingoruěne.
Vanaf de Mounekamp lopen alle wandelaars dezelfde route.
Route 60 km.
De lopers op de 60 km lopen vanuit de rust in Eastermar nog een lus rond het meer de Leijen.
Dit meer is geen natuurlijk meer zoals het Bergumer Meer.
In de 17e eeuw was het hoogveen op en moest men om aan turf te komen beginnen met het laagveen.
Monniken van diverse kloosters uit de omgeving gingen hiermede aan de slag.
Het gebied ten oosten van de Leijen telt vele houtwallen en elzensingels.
Vanuit Eastermar lopen we via de aloude Malewei en de Bildtweg naar Rottevalle,
een dorp dat is ontstaan door de verveningen in de gemeente Smallingerland.
Rottevalle ontleent zijn naam aan het `Rattaller vallaat` in het riviertje de Lits.
Het dorp heeft een mooie oude kern.
Via de Bosk, het Zwartveen en de Leidijk komen we in Opeinde.
Bij de opvallende brug van Ids Willemsma gaan we rechtsaf
eerst over een verharde weg en daarna over een schelpenfietspad
naar het prachtige natuurgebied de Leijen.
Via een smal paadje maken we nog een uitstapje naar het dorpje De Tike.
Het dorp en omgeving zijn ook rijk voorzien van bomen.
Via de Dokterheide gaan we terug naar de Leijen.
Nu dringen we echt het Leijengebied binnen.
Er zijn daar een paar uitzichtpunten van waaraf je een prachtig uitzicht over de omgeving hebt.
We keren weer terug in Eastermar om daar weer even uit te kunnen rusten in Lands Welvaren.
Daarna gaan we verder met de 40 km route.
Kom eens vaker wandelen (of fietsen) in dit gebied.
In de lente en de zomer, wanneer alles groeit en bloeit is het hier nog mooier.
Tijdens de herfst kan je er de prachtige herfsttinten bewonderen.
En wat denk je van het effect van de sneeuw in de winter.
Bronnen:
Achtkarspelen van S.J.van der Molen
Tietjersteradeel van Spahr en Ypma
Het Landschap tussen Twizel en Eastermar, een uitgave van de Noardelike Fryske Walden.
www.flal.nl
Hege Bult wandeltocht op 24 maart 2007, info over de omgeving:
Kootstertille
Van oorsprong was Kooten een boerendorp (Kooten is afgeleid van Cottum dat weer komt van keuterboeren, ofwel "de koters"). Doordat in 1571 de Spaanse officier en stadhouder Caspar di Robles de opdracht gaf tot het graven van het Kolonelsdiep, sinds 1945 Prinses Margrietkanaal genaamd, kwamen zich meer mensen vestigen in de omgeving van de brug over dit kanaal. Deze nederzetting kreeg de naam Kootstertille, in het spraakgebruik "De Tille" genoemd (Tille is de Friese benaming voor hoge brug). Vooral rond de eeuwwisseling verrezen hier o.a. enkele oliemolens, een jeneverstokerij en een scheepstimmerwerf; een pril begin van industrialisatie dus. Eind jaren dertig werd het kanaal om het dorp heengeleid, waardoor in de vorm van een doodlopende arm een haven ontstond, waard diverse bedrijven gebruik van maakten. Dit had tot gevolg dat "De Tille" het dorp Kooten ging overvleugelen en daarom is in 1959 de dorpsnaam Kooten opgegaan in Kootstertille. Als gevolg van een wijziging van het industrialisatiebeleid van het Rijk werd Kootstertille aangewezen tot ontwikkelingskern.
De ligging aan het grootscheepsvaarwater bleek een belangrijke vestigingsfactor te zijn. Er vestigden zich sindsdien verschillende middelgrote bedrijven. Deze industrialisatie heeft voor de ontwikkeling van Kootstertille belangrijke gevolgen gehad. Toen de groei op gang kwam, maakte het dorp al spoedig een "overstapje naar de overkant" van de Alde Dyk. Inmiddels is hier een vrij grote wijk verrezen.
Gegevens per 1 januari 2005:
Aantal inwoners: 2517
Aantal woningen: 970
Een til is de gewestelijke (Groningse) naam voor een (van oorsprong vaste) brug. Het woord betekent: plank (vergelijk duiventil).
Een til was van hout en werd vroeger bij het begin van de winter afgebroken, om de onderdelen droog te kunnen bewaren. In het voorjaar werden de planken weer teruggelegd.
In het register van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest van 1755 en 1757 staat:
Dat de tillen (...) sijnde batten, soodra bij nat winterweer de wegen onbruikbaar zijn, worden opgenomen (...)
Een bat is een plank, vandaar dat smalle bruggen ook wel bat (of batting) werden genoemd.
Een brug werd beschouw als een vaste oeververbinding, die het hele jaar kon worden gebruikt. In de loop van de tijd zijn de tillen "bruggen" geworden, waarbij de naam til is blijven bestaan.
Er zijn zelfs enkele plaatsnamen die weer naar de lokale brug zijn genoemd:
Briltil
Doodstil
Enumatil
Kootstertille
Paapstil
Slaperstil
Steentil

Hege Bult wandeltocht op 24 maart 2007, nabeschouwing:

Hege Bult wandeltocht op 24 maart 2007, verslag: