Terug naar wandellinks Terug naar de alternatieve homepage van de FLAL FLAL wandeltocht vanuit Kollum op 17 november 2007  


datum 17 november 2007 plaats Kollum
provincie Friesland gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland
afstanden 25 en 40 km naam wandeltocht De Satellieten wandeltocht
starttijd 9.00 uur postcode start: 9291 CA
startadres: Zalencentr. De Colle, Kerkstraat 4, 9291 CA Kollum
openbaar vervoer:  
kaart startlocatie
route info over de omgeving nabeschouwing verslag foto-reportage

naar de top van deze pagina naar de top van deze pagina naar de top van deze pagina
















naar de top van deze pagina
wandeltocht op 17 november 2007, route-informatie:

Kollumer Oproer In de Franse tijd stonden Patriotten en Prinsgezinden soms fel tegen over elkaar. Dat was ook al zo voordat de Fransen ons land introkken. In het jaar 1797 bleek, dat de Oranjeliefde nog sterk leefde onder het gewone volk. Het kwam tot een uitbarsting, die bekend staat als het Kollumer Oproer. In de gemeente Kollumerland ontstonden onregelmatigheden. Op woensdag 18 januari 1797 werden de bewoners van Kollumerzwaag opgeroepen om na te gaan wie van hen geschikt waren voor de "burgerwapening". En op zaterdag 28 januari werd de bevolking van Burum opgeroepen. Onder hen was ook ene Abele Reitzes, de zoon van de weduwe van Reitze Abels. Toen Abele uit Kollum terug kwam, riep hij "Oranje Boven". Daarop werd hij in de nacht van 2 op 3 februari gevangen genomen. Eerst werd hij vastgezet in het Rechthuis te Kollum met het doel hem later over te brengen naar het blokhuis te Leeuwarden. De arrestatie van Abele was de druppel die de emmer deed overlopen. Uit het westen van de gemeente kwamen velen naar Kollum om Abele te bevrijden. Onderweg naar Kollum werden al enige huizen in brand gestoken. De mannen waren bewapend met zeisen, snoeimessen, sikkels, en alles wat maar kon dienen om de tegenstanders schrik aan te jagen. De kamer van de secretaris werd bezet. De secretaris werd gedwongen een verklaring te tekenen dat niemand deze daad met enig leed zou moeten betalen. Ook werd Abele Reitzes onder dwang vrij gelaten. Ondertussen werd echter het gezag in Leeuwarden gewaarschuwd. Er werd versterking gestuurd en een aantal oproerkraaiers werd gevangen gezet in de kerk, waaronder Jan Binnes van Oudwoude. De volgende dag kwamen aanhangers van deze Jan Binnes weer in grote getale naar Kollum. Aangevuld met mensen uit de Dongeradelen en Burum werden de troepen van de patriotten uit Kollum verdreven. Een detachement ruiters met friese paarden en twee veldstukken werd naar Kollum en omgeving gestuurd en de rust keerde weer. De volgende dagen werden in geheel noord en noordoost-friesland rebellen gevangen genomen. Er werden zware straffen opgelegd aan 168 gevangen genomen Prinsgezinden. Jan Binnes en (later) Salomon Levy werden ter dood gebracht, terwijl anderen hoge boetes kregen opgelegd.

Achtergrond

Met de komst van de Fransen in 1795 koos Willem V, prins van Oranje, het hazenpad. In Friesland werden Oranjes aristocratische zetbazen afgezet en namen gematigde patriotten het roer over. Meestal waren dat gezeten burgers, protestants en vaak academisch geschoold. Denk maar aan kooplui, predikanten, artsen en juristen. Hun bewind keerde zich tegen een bijltjesdag, kwam op voor behoud van de rechtsstaat en wilde de oude federale structuur van de republiek intact laten. Het steunde op de meerderheid van de bevolking, maar slaagde er niet in de goed georganiseerde radicaal-patriotse oppositie te breken. Die radicalen kregen het voor het zeggen en zetten ook het Leeuwarder en wat andere stadsbesturen naar hun hand. Ze wilden oud-regenten hard aanpakken en waren zogezegd voor een democratische eenheidsstaat. In het eerste jaar van de Bataafse vrijheid was hun belangrijkste wapenfeit de vernieling van de Oranje-graftombes in de Grote Kerk van Leeuwarden. Zelfs de doodskisten haalden ze omhoog en de lijken eruit. En ze dansten vrolijk de carmagnole rond de knekels en schedels.

Het waren deze mensen, die op de punt van de bajonet de macht in Friesland overnamen. Er kwamen grootscheepse zuiveringen van lokale machthebbers en ambtenaren, maar ook verloren duizenden Friezen hun stemrecht, omdat ze zich niet openlijk wilden distantiëren van Oranje, aristocratie en eenhoofdig bestuur. Uitgesloten werden vooral de wat meer orthodoxe protestanten, zodat de katholieke minderheid een onevenredig grote invloed kreeg. Qua draagvlak en in sociaal-economisch opzicht stelde de bovendrijvende groep veel minder voor dan het vorige bewind. Ze bestond uit tamelijk ongeletterde ambachtslui en kleine ondernemers, zoals Douwe Egberts uit Joure, nu nog bekend van de koffie, thee en tabak.

Maar de revolutie was een repeterende breuk, en de Friese radicalen raakten ook weer verdeeld in fracties. Zo'n beetje al hun instituties lagen met elkaar overhoop. Het Kollumer oproer van 1797, een spontane orangistische volksopstand die zo'n dertig mensen het leven kostte, bracht nog tijdelijk eendracht, maar daarna krakeelden de radicalen onverdroten voort. En dus maakten ze ook weinig klaar. Uiteindelijk werden ze uit hun eeuwige gekissebis verlost door hun geestverwanten die in Den Haag de macht overnamen in 1798. In de nieuwe, centralistische staatsorde bleek er geen plaats voor anti-Hollandse provincialisten. Wel weer voor gematigde krachten, die een proces van politieke verzoening op gang brachten. Mannen van aanzien, vrijwel uitsluitend vermogende protestanten, kwamen opnieuw aan de macht. Het was gedaan met de burgerclubs en de lokale milities. De radicalen verdwenen in de anonimiteit, al dankten sommige nog een baan als stadsomroeper of belastinginspecteur aan de revolutie.

De Friese radicalen, het waren Jakobijnen zonder guillotine, maar met tal van nare trekjes. Macht ging ze duidelijk boven ideologie. Hun nationale eenheidsleuzen bleken vooral propaganda en hun 'algemene volkswil' kwam neer op de wil van de eigen aanhang. Ze waren tegen politieke besluitvorming in het verborgene, maar conspireerden er zelf lustig op los. Ze bleken net zo nepotistisch als de afgezette oranje-regenten en nog antisemitisch op de koop toe. Persvrijheid en briefgeheim, daar hadden ze lak aan. In de antipropaganda is er zelfs sprake van het “moedernaakt uitkleden van getrouwde vrouwen”. Waardoor hun regime wel betiteld is als schrikbewind.

De Pomp

In het gebied ten zuiden van de voormalige Lauwerszee, ten oosten en ten westen van het provincie-grensriviertje "de Lauwers" ligt aan de Friese kant de oude Grietenij " Kollumerland en Nieuw Kruisland" met als belangrijkste plaats Kollum. Een grietenij zou je kunnen vergelijken met een gemeente; de burgemeester was de grietman. Even ten noordoosten van Kollum ligt het gehucht Kollumerpomp.

Op de Grietenijkaart van Kollumerland en Nieuw Kruisland van Bernhardus Schotanus gedateerd 1698/1718 staat het gehucht "de Pomp", gelegen op "d'oude Zee Dyk". Op een Militaire kaart uit 1864 staat de naam nog steeds vermeld als "de Pomp". In de volksmond was de Pomp daarvoor al bekend als Kollumerpomp. Als gehucht had de Pomp in officiële stukken geen eigen benaming. In de belastingcohieren van de grietenij Kollumerland uit de 18e eeuw komt de naam "de Pomp" niet voor. Het gebied behoorde tot de "Uytterdykster Cluft", ook wel "Collumeruitterdijken" genoemd. Het begrip Cluft dateert uit de tijd dat de Groningers rond 1470 enige tijd de baas speelden in Kollumerland. Cluft betekent "wijk".

De oost-west verlopende lijn waarop De Pomp ligt is een zeedijk die in de 14e eeuw is gereedgekomen. Op de plaats van De Pomp loopt een zogenaamd Ryd door de dijk. Deze waterdoorlaat heet Pomp. Toen de dijk er nog niet was zorgde dit Ried voor de waterafvoer op de Waddenzee. Langs de gehele Fries-Groningse kust tot in Oost-Friesland toe, vind je de benaming Ryd (tegenwoordig Ried) voor deze afwateringen. Het waren geheel natuurlijke, door de zee in het slik uitgesleten afwateringen. Uit een waterstaatkundig woordenboek uit de 18e eeuw, dat ter inzage lag op het Rijksarchief te Groningen, bleek dat het begrip Pomp of Pump, Pumpe of Pomper ( afhankelijk van het taalgebied), een oude benaming is voor een waterdoorlaat door een dijk of onder een weg. Tegenwoordig heet dit een duiker. In de waterstaat was en is zo'n doorlaat dus van cruciaal belang. De Pomp maakte waterverplaatsing mogelijk van de ene kant van de doorstroombelemmering naar de andere kant. Er is nog een oud gezegde: "Door de pomp gaan", in de betekenis, van mening veranderen. De meest eenvoudige doorlaat had aan de zeekust vaak een eenvoudige vloedklep. Bij eb werd het water vanzelf op eigen stroom afgevoerd. Bij vloed echter drukte het opkomende water de klep dicht. Het Ried kreeg later de benaming Pompsterryd en stroomt nog steeds door het landschap.

Zo'n pomp kon al snel een belangrijker functie krijgen bij goederentransport over water. Goede wegen waren er vroeger immers niet. Zo kon daar goederenoverslag plaatsvinden of er werd een sluis aangelegd, een zogenaamd Zijl of Ziel. (denk aan Munnekezijl, Schouwerzijl, etc.) Deze menselijke, technische voorziening in een nieuw cultuurlandschap kon daarom ook vestigingsplek worden. Te denken valt aan vissers, schuitenvoerders en sluiswachters. Natuurlijk betekende een nieuwe dijk ook nieuwe landbouwgrond. Zo ontstond daar een woonkern. Uit een minute plan van het kadaster uit 1823, opgenomen in het deel "Noordelijk Oostergo Kollumerland en Nieuw Kruisland", een uitgave van een rijkscommissie op het gebied van de monumentenzorg, blijkt dat verreweg de meeste bebouwing in de Pomp zich als lintbebouwing langs de zuidzijde van de oude dijk, links en rechts van het Pompsterryd uitstrekte.

Mr. A.J. Andreae, die notaris was in Kollum, bracht zijn grote belangstelling voor het Kollumerland tot uitdrukking in een geschiedkundige beschrijving van het gebied dat werd uitgegeven in 1883-1885. Ook hij besteedt aandacht aan de Pomp: "Het Pompsterryt loopt vanuit Kollumerland door het Nieuw Kruislant naar zee" en "Bij de bedijking van het Cruyslandt (1529-1542) werd in den ouden dijk in de ryt, die sedert dien tijd Pompsterryt werd geheeten, eene pomp gelegd en kon het water uit het Wester Nieuw Kruisland langs die ryt, De Torpsterryt en de Dwarsryt naar zee worden afgevoerd".

Andreae beschrijft dat de Pomp in 1534 is aangelegd, met verbeteringen in 1567 en 1595. Na een stormvloed in 1570 werd de Pomp ernstig beschadigd. Dit moet de beruchte Allerheiligenvloed zijn geweest, die in het noorden tot veel overstromingen leidde. Kort na 1600 ontstond er onenigheid tussen de onderhoudsplichtigen aan de zuidzijde en aan de noordzijde: "Die van Torpma- en Uiterdijkstercluft" beriepen zich op een uitspraak van den Hove van 1534. "Doch om milder met die van 't Westernieucruyslant te handelen" verklaarden zij, dat zij "voor deze tijt alsnoch te vreden waeren dat die opgraving plaats had overeenkomstig het verdrag van 1567". In 1612 werd in dat meningsverschil ook de wens geuit "om aan de voorz.cluften te versoecken, in plaetse van de Pomp een tille (een kleine hoge brug) te genieten in d'olde dijck". Die brug is ook daadwerkelijk gebouwd.

Ook beschrijft Andreae de ligging van de Uitterdijksterweg, ook wel genoemd de "weg bij de dikke Vlinten" (grote stenen). Hij beschrijft dat die weg, in noordelijke richting lopende, uitkomt op "den kunstweg die van Munnekezijl langs Warfstermolen, de Pomp en den Soensterdijk langs Kollumeroudzijl naar Kollum loopt". Dit was dus grotendeels de Oude zeedijk. In de tijd van Andreae bekend als Pompster-Uiterdijk, een grintweg. Blijkbaar was De Pomp als woonplaats een langzame groeier, want pas in 1847 werd er een school met onderwijzerswoning gebouwd. Kerkelijk gezien viel de Pomp "onder de Klokslag van Kollum". Er vonden dus voor 1812 registraties plaats in de kerkboeken van Kollum.

Uit de inpolderingswerkzaamheden in de loop van de eeuwen, die in dit gebied in noordelijkerichting gingen kan worden opgemaakt dat de betekenis van de Pomp vanuit een waterstaatkundig oogpunt steeds minder belangrijk werd. Toen de Pomp werd aangelegd was de dijk al slaperdijk. Het dijklichaam werd te enigertijd dan ook afgegraven, vermoedelijk al in 1612 bij de aanleg van de hiervoor genoemde "Tille" om een aansluitende weg aan te leggen. Het scheepvaartverkeer had daar aan het einde van de 18e eeuw nauwelijks meer betekenis. De inwoners moeten dus als arbeider de kost hebben verdiend op de landerijen van de states in de Uyterdijksecluft: Bennemastate, Rosemastate en Brongersmastate.

hoe kom ik aan de start:



naar de top van deze pagina






























naar de top van deze pagina

wandeltocht op 17 november 2007, info over de omgeving:

Kollumer Oproer
In de Franse tijd stonden Patriotten en Prinsgezinden soms fel tegen over elkaar. Dat was ook al zo voordat de Fransen ons land introkken. In het jaar 1797 bleek, dat de Oranjeliefde nog sterk leefde onder het gewone volk. Het kwam tot een uitbarsting, die bekend staat als het Kollumer Oproer. In de gemeente Kollumerland ontstonden onregelmatigheden. Op woensdag 18 januari 1797 werden de bewoners van Kollumerzwaag opgeroepen om na te gaan wie van hen geschikt waren voor de "burgerwapening". En op zaterdag 28 januari werd de bevolking van Burum opgeroepen. Onder hen was ook ene Abele Reitzes, de zoon van de weduwe van Reitze Abels. Toen Abele uit Kollum terug kwam, riep hij "Oranje Boven". Daarop werd hij in de nacht van 2 op 3 februari gevangen genomen. Eerst werd hij vastgezet in het Rechthuis te Kollum met het doel hem later over te brengen naar het blokhuis te Leeuwarden. De arrestatie van Abele was de druppel die de emmer deed overlopen. Uit het westen van de gemeente kwamen velen naar Kollum om Abele te bevrijden. Onderweg naar Kollum werden al enige huizen in brand gestoken. De mannen waren bewapend met zeisen, snoeimessen, sikkels, en alles wat maar kon dienen om de tegenstanders schrik aan te jagen. De kamer van de secretaris werd bezet. De secretaris werd gedwongen een verklaring te tekenen dat niemand deze daad met enig leed zou moeten betalen. Ook werd Abele Reitzes onder dwang vrij gelaten. Ondertussen werd echter het gezag in Leeuwarden gewaarschuwd. Er werd versterking gestuurd en een aantal oproerkraaiers werd gevangen gezet in de kerk, waaronder Jan Binnes van Oudwoude. De volgende dag kwamen aanhangers van deze Jan Binnes weer in grote getale naar Kollum. Aangevuld met mensen uit de Dongeradelen en Burum werden de troepen van de patriotten uit Kollum verdreven. Een detachement ruiters met friese paarden en twee veldstukken werd naar Kollum en omgeving gestuurd en de rust keerde weer. De volgende dagen werden in geheel noord en noordoost-friesland rebellen gevangen genomen. Er werden zware straffen opgelegd aan 168 gevangen genomen Prinsgezinden. Jan Binnes en (later) Salomon Levy werden ter dood gebracht, terwijl anderen hoge boetes kregen opgelegd.

Achtergrond
Met de komst van de Fransen in 1795 koos Willem V, prins van Oranje, het hazenpad. In Friesland werden Oranjes aristocratische zetbazen afgezet en namen gematigde patriotten het roer over. Meestal waren dat gezeten burgers, protestants en vaak academisch geschoold. Denk maar aan kooplui, predikanten, artsen en juristen. Hun bewind keerde zich tegen een bijltjesdag, kwam op voor behoud van de rechtsstaat en wilde de oude federale structuur van de republiek intact laten. Het steunde op de meerderheid van de bevolking, maar slaagde er niet in de goed georganiseerde radicaal-patriotse oppositie te breken. Die radicalen kregen het voor het zeggen en zetten ook het Leeuwarder en wat andere stadsbesturen naar hun hand. Ze wilden oud-regenten hard aanpakken en waren zogezegd voor een democratische eenheidsstaat. In het eerste jaar van de Bataafse vrijheid was hun belangrijkste wapenfeit de vernieling van de Oranje-graftombes in de Grote Kerk van Leeuwarden. Zelfs de doodskisten haalden ze omhoog en de lijken eruit. En ze dansten vrolijk de carmagnole rond de knekels en schedels.
Het waren deze mensen, die op de punt van de bajonet de macht in Friesland overnamen. Er kwamen grootscheepse zuiveringen van lokale machthebbers en ambtenaren, maar ook verloren duizenden Friezen hun stemrecht, omdat ze zich niet openlijk wilden distantiëren van Oranje, aristocratie en eenhoofdig bestuur. Uitgesloten werden vooral de wat meer orthodoxe protestanten, zodat de katholieke minderheid een onevenredig grote invloed kreeg. Qua draagvlak en in sociaal-economisch opzicht stelde de bovendrijvende groep veel minder voor dan het vorige bewind. Ze bestond uit tamelijk ongeletterde ambachtslui en kleine ondernemers, zoals Douwe Egberts uit Joure, nu nog bekend van de koffie, thee en tabak.
Maar de revolutie was een repeterende breuk, en de Friese radicalen raakten ook weer verdeeld in fracties. Zo'n beetje al hun instituties lagen met elkaar overhoop. Het Kollumer oproer van 1797, een spontane orangistische volksopstand die zo'n dertig mensen het leven kostte, bracht nog tijdelijk eendracht, maar daarna krakeelden de radicalen onverdroten voort. En dus maakten ze ook weinig klaar. Uiteindelijk werden ze uit hun eeuwige gekissebis verlost door hun geestverwanten die in Den Haag de macht overnamen in 1798. In de nieuwe, centralistische staatsorde bleek er geen plaats voor anti-Hollandse provincialisten. Wel weer voor gematigde krachten, die een proces van politieke verzoening op gang brachten. Mannen van aanzien, vrijwel uitsluitend vermogende protestanten, kwamen opnieuw aan de macht. Het was gedaan met de burgerclubs en de lokale milities. De radicalen verdwenen in de anonimiteit, al dankten sommige nog een baan als stadsomroeper of belastinginspecteur aan de revolutie.
De Friese radicalen, het waren Jakobijnen zonder guillotine, maar met tal van nare trekjes. Macht ging ze duidelijk boven ideologie. Hun nationale eenheidsleuzen bleken vooral propaganda en hun 'algemene volkswil' kwam neer op de wil van de eigen aanhang. Ze waren tegen politieke besluitvorming in het verborgene, maar conspireerden er zelf lustig op los. Ze bleken net zo nepotistisch als de afgezette oranje-regenten en nog antisemitisch op de koop toe. Persvrijheid en briefgeheim, daar hadden ze lak aan. In de antipropaganda is er zelfs sprake van het “moedernaakt uitkleden van getrouwde vrouwen”. Waardoor hun regime wel betiteld is als schrikbewind.
Uit: 'Een revolutie ontrafeld; politiek in Friesland 1795 - 1798'. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker, 652 pagina's, € 32,50

Kollum is een dorp en de hoofdplaats van de gemeente Kollumerland en Nieuwkruisland, provincie Friesland (Nederland).

Kollum is een vlecke, een dorp met kleinstedelijk karakter. Het is in de vroege Middeleeuwen ontstaan op de rand van een zandplateau als een nederzetting bij de direct met zee in verbinding staande Dwarsried.

Monumentenzorg omschrijft de hoofdplaats van Kollumerland als een wegdorp. De hoofdweg, de Voorstraat, is de doorlopende weg in het centrum van Kollum. De Voorstraat kruist de Zijlsterried. Deze kruisstructuur is in de Middeleeuwen ontstaan en heeft zich in de loop van de geschiedenis bestendigd. Kollum heeft een beschermd dorpsgezicht. In totaal zijn er 31 monumenten te vinden, waaronder de gereformeerde en hervormde kerk, het voormalig postkantoor en voormalig raadhuis.

De geschiedenis van Kollum gaat terug tot ongeveer 750 na Chr. Het dorp bestond slechts uit een kleine nederzetting, Colheim, later ook wel de Kollumerterp, geheten. Door de natuurlijke ligging van Colheim aan een brede natuurlijke stroom (de Dwarsried) die in verbinding stond met de Lauwerszee, was Kollum geschikt als haven voor de uitvoer van boter, kaas en vooral granen. Tussen de 11e en 13e eeuw werden de landerijen ten noorden van Kollum ingedijkt en werden de omliggende (veen)gronden ten zuiden van het dorp in cultuur gebracht. Hierdoor kreeg Kollum steeds meer een centrumfunctie in de omgeving. De bouw van een rechthuis was het gevolg en het dorp werd de hoofdplaats van de gemeente Kollumerland.

In de 16e eeuw was Kollum, naast de steden, een belangrijk handelscentrum geworden. Die functie werd nog versterkt door de stichting van een waaggebouw, waardoor onder meer een aanzienlijk deel van de Dokkumer kaashandel naar Kollum werd overgebracht. De 17e en 18e eeuw waren voor Kollum tijden van groei en bloei dankzij handel en scheepvaart. In het midden van de 17e eeuw kwam op kosten van de stad Dokkum de Stroobosser trekvaart tot stand, waardoor Kollum via de korte Kollumer trekvaart een goede verbinding kreeg met het zuiden. Er liep een Hessenweg langs Kollum, nog steeds herkenbaar in een straatnaam.

Het rechthuis was op 3 en 4 februari 1797 het toneel van het zogenaamde Kollumer oproer. Dit werd veroorzaakt door een toenemend verzet tegen de burgerbewapening, ingesteld door de Franse overheersers, om bestand te zijn tegen de Prinsgezinden. De arrestatie en gevangenneming in het Kollumer rechthuis van de oranjegezinde Abele Reitzes, zorgde voor zoveel opschudding in de regio, dat een grote menigte zich verzamelde om hem te bevrijden. Op de weg naar het rechthuis werden grote vernielingen aangericht. Door met groot machtsvertoon dit oproer in de kiem te smoren en 168 mensen te arresteren, wisten te patriotten te rust weer te laten keren.

Geleidelijk is Kollum vooral langs de Voorstraat en enkele zijstraten uitgebreid, gedurende de 19e eeuw kwam er in het zuiden ten westen van de trekweg bebouwing bij. Gedurende de 20ste eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog is Kollum sterk uitgebreid. Eerst in het zuidwesten en ook aan de oostelijke zijde van de trekvaart, later aan de noordoostelijke zijde en tenslotte in het noorden. De huidige uitbreiding vindt vooral plaats aan de westelijke (woningbouw) en de oostelijke kant (bedrijventerrein) van het dorp.

Bezienswaardigheden van Kollum zijn Hervormde St. Maartenskerk en de Gereformeerde kerk. De Maartenskerk is een Gotische kerk met delen uit de dertiende en vijftiende eeuw en opnieuw ontdekte muurschilderingen. De Gereformeerde kerk uit 1925 is een ontwerp van architect Egbert Reitsma. Reitsma maakte deel uit van de Groninger kunstenaarskring De Ploeg. De modern ogende plafond schilderingen zijn van George Martens, ook lid van De Ploeg.

De St.-Maartenskerk in KollumHet dorp heeft vele voorzieningen. Naast een goed vertegenwoordigde middenstand vervult cultureel centrum De Colle een belangrijke rol. Er zijn drie basisscholen en twee scholen voor voortgezet onderwijs. Er is een poldermolen, verwarmd openlucht zwembad, tennisbanen, je kunt er waterfietsen huren, jachthaven, streekmuseum (Aldheidskaemer Mr. Andreae). In het dorp wordt ook de streekkrant, het Nieuwsblad van Noord-Oost Friesland uitgegeven, ook wel de Kollumer Courant genoemd of spottend het Kollumer oud-wijf.

Kollum heeft ook zijn naam aan een kaas gegeven, de Kollumer kaas. Deze kaas, gemaakt door Frico wordt van rauwe melk gemaakt en is een stukje pittiger. Ieder jaar werden in de week voor Koninginnedag de Kollumer Kaasdagen georganiseerd. Doordat het organisatiecomité hiervan is opgegaan in de stichting Activiteiten Platform Kollum, is de naam gewijzigd in Kollumer Kat-dagen.


De geschiedenis van Kollum gaat terug tot ongeveer 750 na Chr. Het dorp bestond slechts uit een kleine nederzetting, Colheim, later ook wel de Kollumerterp, geheten. Door de natuurlijke ligging van Colheim aan een brede natuurlijke stroom (de Dwarsried) die in verbinding stond met de Lauwerszee, was Kollum geschikt als haven voor de uitvoer van boter, kaas en vooral granen. Tussen de 11e en 13e eeuw werden de landerijen ten noorden van Kollum ingedijkt en werden de omliggende (veen)gronden ten zuiden van het dorp in cultuur gebracht. Hierdoor kreeg Kollum steeds meer een centrumfunctie in de omgeving. De bouw van een rechthuis was het gevolg en het dorp werd de hoofdplaats van de gemeente Kollumerland.

In de 16e eeuw was Kollum, naast de steden, een belangrijk handelscentrum geworden. Die functie werd nog versterkt door de stichting van een waaggebouw, waardoor onder meer een aanzienlijk deel van de Dokkumer kaashandel naar Kollum werd overgebracht. De 17e en 18e eeuw waren voor Kollum tijden van groei en bloei dankzij handel en scheepvaart. In het midden van de 17e eeuw kwam op kosten van de stad Dokkum de Stroobosser trekvaart tot stand, waardoor Kollum via de korte Kollumer trekvaart een goede verbinding kreeg met het zuiden. Er liep een Hessenweg langs Kollum, nog steeds herkenbaar in een straatnaam.

Het rechthuis was op 3 en 4 februari 1797 het toneel van het zogenaamde Kollumer oproer. Dit werd veroorzaakt door een toenemend verzet tegen de burgerbewapening, ingesteld door de Franse overheersers, om bestand te zijn tegen de Prinsgezinden. De arrestatie en gevangenneming in het Kollumer rechthuis van de oranjegezinde Abele Reitzes, zorgde voor zoveel opschudding in de regio, dat een grote menigte zich verzamelde om hem te bevrijden. Op de weg naar het rechthuis werden grote vernielingen aangericht. Door met groot machtsvertoon dit oproer in de kiem te smoren en 168 mensen te arresteren, wisten te patriotten te rust weer te laten keren.

Geleidelijk is Kollum vooral langs de Voorstraat en enkele zijstraten uitgebreid, gedurende de 19e eeuw kwam er in het zuiden ten westen van de trekweg bebouwing bij. Gedurende de 20ste eeuw en vooral na de Tweede Wereldoorlog is Kollum sterk uitgebreid. Eerst in het zuidwesten en ook aan de oostelijke zijde van de trekvaart, later aan de noordoostelijke zijde en tenslotte in het noorden. De huidige uitbreiding vindt vooral plaats aan de westelijke (woningbouw) en de oostelijke kant (bedrijventerrein) van het dorp.

De trekvaart werd de jaren 1654 - 1656 gegraven in opdracht van het stadsbestuur van Dokkum. Dokkum dacht door een betere verbinding over het water met Groningen meer scheepvaartverkeer aan te trekken. Naast de vaart loopt een jaagpad waarop de paarden konden lopen die de trekschuit moesten voortbewegen.

Door de hoge kosten van de aanleg van de vaart ging de stad Dokkum failliet. Het eigendom van de vaart kwam toen in handen van een groep schuldeisers. Deze hebben jarenlang een aantal tolhuizen aan de vaart gevestigd die er voor moesten zorgen dat de vaart zijn geld opbracht.

De tolhuizen stonden op de volgende plaatsen:
noordelijk van Wouterswoude
bij Oostwoude
bij Oudwoude
oostelijk van Buitenpost (de lêste stúver, oftwel de laatste stuiver die betaald moest worden vanaf Dokkum)

De Stroobosser trekvaart loopt van Dokkum in zuidoostelijke richting naar de noordkant van Wouterswoude en Driesum. Daar kruist de trekvaart de Nieuwe Zwemmer/Petsloot. Vervolgens loopt de vaart zuidelijk van Westergeest, Oudwoude en Kollum. Na Kollum buigt de vaart af naar het zuiden, om langs Augsbuurt bij Gerkesklooster en Stroobos in het Prinses Margrietkanaal uit te komen. Provinciale weg 910 loopt de gehele route langs de Stroobosser trekvaart en wordt daarom ook wel trekweg genoemd.


Augsbuurt
Augsbuurt is een klein komdorp van middeleeuwse oorsprong dat in 1654 / 1656 aan de toen gegraven Stroobosser Trekvaart kwam te liggen. Het is het kleinste dorp van de gemeente met nog geen 75 inwoners. In Augsbuurt springt de voormalige N.H. kerk in het oog. Ongeveer op de standplaats van het huidige gebouw stond al in 1347 een kapel. De kerk is gebouwd in 1782 ter vervanging en wellicht op de grondslagen van de oudere. Hij doet nu dienst als Muziekkapel. Het is een eenvoudig bakstenen gebouw met een nieuwe toren (1917). Gedurende het winterseizoen wordt er iedere zondagmiddag gemusiceerd, ook worden er exposities gehouden.
Er zijn verder geen voorzieningen. Hiervoor zijn de inwoners op bijvoorbeeld Kollum aangewezen.


Burum / Boerum
Burum heeft ongeveer 625 inwoners. Het dorp heeft een dorpshuis (Toutenburg), een christelijke basisschool (Op de Hoogte), grondstation voor satellietcommunicatie van Xantic, een hervormde kerk met mooie toren, een beeldentuin en de koren- en pelmolen Windlust. Deze verrijkt het silhouet van Burum. Al in 1694 wordt een molen op deze plaats vermeld. De huidige molen dateert uit 1787 en is vele malen hersteld en gerestaureerd.

In een oorkonde uit 1408 wordt voor het eerst het dorp Burum genoemd, monnikenlatijn voor het woord 'buren'. Burum is een terpdorp, in de vroege Middeleeuwen ontstaan op een kwelderwal.
Ten zuiden van het dorp lag het cisterciënzer vrouwenklooster Galilea. Daar staat aan de Friesestraatweg nu op nummer 1-3 een koprompboerderij uit omstreeks 1905 als één van een reeks monumentale boerderijen. Het dorp had met de Burumervaart, ook Schipsloot genaamd, een waterverbinding met de Lauwers.
In de dorpskom hebben de ontwikkelingen rond de kerk plaats gevonden, aan de Uithof en langs de Herestraat die de doorgaande route van zuid naar noord ging vormen en het dorp buiten de kern een langgerekt karakter gaf. Om de kerk staat aan de Uithof een variatie aan woningen waarvan het pand Uithof 4 met een souterrain en een over een trapbordes bereikbare hoofdverdieping opvalt. Aan de Wendel is in 1878 ter plaatse van de oude afgebroken pastorie in een ruime tuin een nieuwe gebouwd, een grote blokvormige middengangwoning met een verdiepte portiek. Ook aan de Herestraat staat een aantal van dit type woningen, waarvan enkele met decoratieve elementen.

Kollum
Kollum is de hoofdplaats van de gemeente Kollumerland c.a. en telt 5613 inwoners.
De Voorstraat is de doorlopende weg in het centrum van Kollum. Monumentenzorg omschrijft de hoofdplaats van Kollumerland als een wegdorp. De Voorstraat kruist de Zijlsterried. Deze kruisstructuur is in de Middeleeuwen ontstaan en heeft zich in de loop van de geschiedenis bestendigd. Kollum heeft een beschermd dorpsgezicht. In totaal zijn er 31 monumenten te vinden, waaronder de gereformeerde en hervormde kerk, het voormalig postkantoor en voormalig raadhuis.
Het dorp heeft vele voorzieningen. Naast een goed vertegenwoordigde middenstand vervult Cultureel centrum De Colle een belangrijke rol. Er zijn drie basisscholen en twee scholen voor Voortgezet Onderwijs. Er is een poldermolen, verwarmd openlucht zwembad, tennisbanen, je kunt er waterfietsen huren, jachthaven, streekmuseum.
Er worden regelmatig activiteiten georganiseerd, bij voorbeeld de Kollumerkaasdagen.

Kollum is een vlekke, een dorp met kleinstedelijk karakter, dat in de vroege Middeleeuwen is ontstaan op de rand van een zandplateau als een nederzetting bij de direct met zee in verbinding staande Dwarsried. Gedurende de 11de tot 13de eeuw zijn de landerijen bedijkt, de omliggende veengronden in cultuur gebracht en kon Kollum zich ontwikkelen tot een centrum. Het werd de hoofdplaats van Kollumerland en in het centrum kwam dan ook een rechthuis.
De 17de en 18de eeuw waren voor Kollum tijden van groei en bloei dankzij handel en scheepvaart. In het midden van de 17de eeuw kwam op kosten van de stad Dokkum de Stroobosser Trekvaart tot stand, waardoor Kollum via de korte Kollumer Trekvaart een goede verbinding kreeg met het zuiden. Geleidelijk is Kollum vooral langs de Voorstraat en enkele zijstraten uitgebreid, gedurende de 19de eeuw kwam er in het zuiden ten westen van de trekweg nogal wat bebouwing bij, gedurende de 20ste eeuw en vooral na de oorlog is Kollum sterk uitgebreid, eerst in het zuidwesten en ook aan de andere, oostelijke zijde van de trekvaart, later aan de noordoostelijke zijde en tenslotte in het noorden.

Kollumerpomp / de Pomp
Dit, in het noorden van de gemeente gelegen dorp, heeft ongeveer 500 inwoners, Dorpshuis ’t Trefpunt, christelijke basisschool “De Wegwijzer” en de Kerk van de heilige Panteleimon.

Kollumerpomp is een streekdorp aan de omstreeks 1315 aangelegde oude dijk die in 1529 slaperdijk werd toen om het Nieuwkruisland een nieuwe dijk was aangelegd. Daarna is bebouwing gekomen in de buurt van de in de 15de eeuw aangelegde duiker in de dijk (de pomp). Kollumerpomp is lang een buurschap bij Kollum geweest maar heeft nu de status van dorp. De bebouwing kwam aanvankelijk vooral aan de zuidzijde van de dijk, de Foyingaweg; in de oostelijke richting zijn het vooral boerderijen.
Na de oorlog kwam er aan de noordzijde een flinke dorpsuitbreiding. De torenloze gereformeerde kerk kwam in 1906 een de Foyingaweg tot stand. Het jaartal is in de bekroning van de geveltop te lezen. Op de Nieuwe Zee- of Buitendijk staat het “contributiehuisje” dat het waterschap “Zeedijken Contributie Kollumerland en Nieuw Kruisland” in 1828 liet bouwen. Het werd gebruikt als stormwachtershuisje en vergaderruimte. Ook heeft het dorp een watermolen (1845).
Net boven Kollumerpomp ligt recreatiegebied Kollumeroord. Hier kun je je zowel recreatief vermaken als een opleiding of training volgen.

Kollumerzwaag / Kollumersweach
Kollumerzwaag is het tweede dorp van de gemeente en ligt ten zuidwesten, op de zandgronden. Het dorp heeft ongeveer 3100 inwoners, een goed vertegenwoordigde middenstand, zalencentrum / dorpshuis De Trije Doarpen, Christelijke basisschool “de Stapstien”.

In 1443 kwam het dorp Swaech voor het eerst voor in een officiële akte, de naam betekent “weiland”. Het toenmalige dorp was erg uitgestrekt en bestond uit Zwagerbosk, Zwaagwesteinde en het westelijk deel van het huidige Kollumerzwaag. Zwagerbosk is na 1880 zelfstandig geworden. Na 1543 werd veranderde de naam in Collumerswaegh. Door de jaren heen is Kollumerzwaag flink gegroeid qua inwoners maar heeft de laatste jaren ook veel nieuwe uitbreidingsplannen voor woningbouw gerealiseerd en heeft tevens een eigen industrieterrein.

Middelpunt van het dorp is de oude dorpskerk die aan een slinger in de Foarwei op een verhoging staat. Kerk en zadeldaktoren dateren uit de 12de eeuw; het koor is in de 15de eeuw vernieuwd en toen zijn nieuwe vensters aangebracht. noch kosten kan geschieden”.

Munnekezijl / Muntsjesyl
Dit meest oostelijk gelegen dorp van de gemeente heeft 537 inwoners. Het dorp ligt aan het Munnekezijlsterried, tegen de grens met de provincie Groningen. Watersporters kunnen terecht in passantenhaven 't Eiland. Net onder het dorp is de proefboerderij 'Kollumerwaard' te vinden. Daar wordt onderzoek verricht naar akkerbouw- en vollegronds-groentegewassen. Ook heeft het dorp
een dorpshuis (de Schans), een christelijke basisschool “’t Oegh” en de Munnekezijlstermolen die ook wel ‘Rust Roest’ wordt genoemd. Hij is als pelmolen gebouwd maar nu als korenmolen in gebruik.

Munnekezijl is een komdorp dat in de late Middeleeuwen is ontstaan bij de in 1476 door de cisterciënzer monniken van Gerkesklooster geslagen sluis in de Lauwers die het door hen ingedijkte land moest beschermen. De sluis is een paar keer verlegd en vernieuwd. Er is aan het einde van de 16de eeuw een verdedigingsschans aangelegd. De bouw van de huidige sluis in 1741 vormde een onderdeel in de verbetering van het Zijldiep en Munnekezijlsterried. In de jaren 1874/’77 is de dijk van Nitterhoek en Zoutkamp aangelegd en zo werden de dijken bij Munnekezijl slaperdijken en had de sluis geen zeekerende functie meer. In 1882 werd iets oostelijker ter bevordering van de afwatering een stroomkanaal gegraven en een grote spuisluis aangelegd. Deze indrukwekkende sluis bestaat uit elf afsluitbare stroomgaten en aan de buitenzijde een van steunberen voorziene hoge keermuur. Aan de binnenzijde is een brug over de stroomgaten gelegd. De nederzetting die zich ten westen van de sluis ontwikkelde, is, ondanks dat er in 1665 al een kerk werd gesticht, lang een buurschap onder Burum gebleven.

Oudwoude / Aldwâld
Oudwoude ligt op de noordelijke rand van de Wouden, waar dit landschap overgaat in het landschap van de voormalige kwelders. Het dorp heeft 839 inwoners, een christelijke en openbare basisschool (CBS “De Tarissing” en OBS “Van Heemstra”), een 15e eeuws laat-gotisch kerkje, pastorie en een paintballcentrum.
Oudwoude is, gelijk de naam al zegt, oud. In 1443 kwam het al voor als Olte-Wolde. Waarschijnlijk is hier of in de directe omgeving een oud bos of woud geweest. In dit oude bos of woud brachten onze voorouders vele offers aan hun goden, dit zou de naam 'De Wygeast' (de gewijde hoogte) verklaren. De bebouwde kom van het dorp ligt verscholen tussen de elzensingels in het zo specifieke woudenlandschap terwijl het noorden van dorp in principe al gerekend wordt tot de noordelijke Friese kleistreek. De laatste jaren zijn er in het nieuwbouwplan Pastorijehof woningen bijgebouwd, wat ervoor gezorgd heeft dat het aantal inwoners weer iets groeit.

De Triemen
Het gehucht “Triemen” vormt sinds 1940 een zelfstandige eenheid binnen de gemeente, daarvoor viel het onder het noordelijk gelegen Westergeest. Het dorp heeft nu bijna 375 inwoners, een dorpshuis (De Bazuin) en een christelijke basisschool (De Bining).
De Triemen wordt het eerst genoemd in een oorkonde van 1467, de naam Trema, hetgeen zeewering betekent. Het ligt aan het Lykpaed. Het Lykpaed loopt vanaf de Dôlle naar de Strobossertrekweg. Een andere historische route loopt via de Hanecroothsingel. De naam Hanecroothsingel is ontleend aan een familie, die uit Nassau in Duitsland afkomstig was. De legerkapitein Everhard Wilhelm van Hanecrooth, die in 1747 op mysterieuze wijze in de Oudwoudemer Zijlriedt is verdronken, heeft hier een tijdlang gewoond.
Hoewel De Triemen geen kerk bezit, heeft het in 1884 wel een christelijk nationale school, de eerste in de wijde omgeving. Tussen de oude bebouwing in het westen kwam aan de Migchelbrinkwei een tiental nieuwe woningen tot stand.

Veenklooster / Feankleaster
In het fraaie brinkdorp Veenklooster (110 inwoners) zijn volop mogelijkheden voor een prettig tijdverdrijf. Het dorp bezit het landgoed Fogelsanghstate met een speelgoedmuseum, koetshuis, en wandelpark aangelegd door architect Roodbaard, agrarisch museum De Brink, informatiecentrum De Munnik over dorp en omgeving, tennisbanen, een galerie en herenhuis It Lytse Slot, waar exposities, droogbloemententoonstellingen en theeschenkerijen worden gehouden.

Veenklooster is een streekdorp met in het midden een brinkachtige ruimte. De nederzetting heeft nooit een kerk gehad, maar de ontwikkeling hangt wel samen met een kloosterstichting. Het is ontstaan bij een kruising van wegen van en naar Kollum, Oudwoude, Kollumerzwaag en Twijzel. In de 11de of 12 de eeuw is het gebied in cultuur gebracht. In de 13de eeuw stichtten de premonstratenzers er vanuit Dokkum het vrouwenklooster De Olijfberg, waarvan de eerste vermelding in 1287 bekend is en waarvan het grondbezit dankzij legaten groeide tot ongeveer 245 ha. Het klooster is in 1579 verlaten en in 1644 kwamen de restanten van de gebouwen en de landerijen in het bezit van de familie Van Fogelsangh.
Rondom en achter de state ligt één van de meest uitgestrekte parken van Fryslân. In de 18de eeuw had het een barokaanleg. Lucas Roodbaard heeft er in de eerste helft van de 19de eeuw in verschillende fasen een landschapspark van gemaakt met afwisselend parkachtig en bosachtig karakter. Er zijn allerlei verrassingen te vinden: driewegbruggetje, ijskelder, kluizenarij, een zeer hoge heuvel met grote theekoepel bij een ruim hertenkamp. Vooral de vijverpartij is fascinerend.

Warfstermolen / Warfstermûne
Warfstermolen, 195 inwoners) is een streekdorp dat aan de omstreeks 1315 aangelegde oude zeedijk is ontstaan, waarschijnlijk nadat in 1529 de nieuwe dijk om het Nieuwkruisland was aangelegd. Het element ‘warf’ in de naam duidt op een huis op de dijk waar de dijkvergaderingen werden gehouden en de ‘molen’ in de naam komt al in 1574 voor in de bronnen. Warfstermolen is lang een buurschap bij Burum geweest maar wordt nu als zelfstandig aangemerkt.
Het dorp bestaat uit een redelijk gesloten lintbebouwing aan voornamelijk de zuidzijde van de oude dijk en een bescheiden naoorlogse dorpsuitbreiding aan de zuidzijde, De Warf en omgeving, waaromheen de doorgaande weg is gelegd. Ook aan de Gruytsweg is na de oorlog nog volkshuisvesting gekomen waardoor de nederzetting aan de dijk een goede samenhang vertoont. De laatste jaren is de noordelijke berm van deze dijk ’s zomers een bloemenweelde.

Westergeest / Westergeast
Westergeest (625 inwoners) is een streekdorp dat in de vroege Middeleeuwen is ontstaan op een zandopduiking ten noordwesten van de hoge gronden van de Wouden en die daarvan gescheiden is door een laag gebied, de Warren. Het dorp was op enige afstand in noordelijke richting over water ontsloten door de Zwemmer en later door het verbeterde stroomkanaal van de Nieuwe Zwemmer. Aan de zuidzijde is tussen 1654/’56 de Stroobosser Trekvaart gegraven. Het dorp heeft zich ontwikkeld langs twee parallelle wegen, de huidige Eelke Meinertswei en de Bumawei. Aan die wegen en wat zijpaden is de bebouwing, waartussen relatief veel boerderijen en woudboerderijtjes, geleidelijk verdicht.
Na de oorlog is in het westen de dorpsuitbreiding tot stand gekomen. Ten noordwesten hoort de buurschap Keatlingwier die richting Dantumadeel loopt bij Westergeest. Ten zuiden hebben de Triemen bij dit dorp gehoord, maar dat dorp is nu zelfstandig.
Aan de andere zijde van de Eelke Meinertswei staat de imposante dorpskerk op een hoog kerkhof in een dichte boomzoom. Het romaanse gebouw is in verschillende fasen omstreeks 1200 in baksteen opgetrokken ter vervanging van een voorgangster van tufsteen.
In Westergeest is een kano- en bootverhuur en volop mogelijkheden tot vissen. Er is zelfs een vissteiger voor invaliden. Verder is er een galerie en tennisbanen.

Zwagerbosch / Sweagerbosk
Zwagerbos (610 inwoners) is een jong streekdorp in de uiterste zuidwesthoek van Kollumerland dat pas in 1940 de status van dorp heeft gekregen. Daarvoor was het een buurschap bij het toch vrij ver verwijderde Kollumerzwaag. De heidestreek raakte vanaf de 18de eeuw bewoond en in het midden van de 19de eeuw was er een streek gevormd aan de pas kort voor 1930 verharde Boskwei / Bjirkepaed dat toen op kaarten met Het Bosch werd aangeduid. Maar ook verder, verspreid over de heide stonden nog schamele onderkomens.
Zwagerbosch is na de oorlog sterk vernieuwd. Sindsdien zijn vrij veel vrijstaande huizen gebouwd. Het dorp is hierdoor bij de Swadde nog sterker verweven geraakt met Twijzelerheide in Achtkarspelen en Zwaagwesteinde in Dantumadeel.
De oude afwatering “De Swadde” met pingo’s is een fraai fiets- en wandelgebied.


De gemeente Kollumerland c.a. is dé plek voor toeristen die op zoek zijn naar rust, ruimte en natuur. Dé plek om lekker te wandelen, te fietsen, te kanoën of te varen. Het gebied bestaat uit een gevarieerd landschap waar de grens tussen klei- en zandgronden vrijwel dwars doorheen loopt. De plaats Kollum ligt op de grens van het open weidegebied en de Friese Wouden. Hier gaat het landschap over van kleipoldergebied naar een meer gesloten elzensingellandschap in het zuidwestelijke deel. In het noorden van de gemeente ligt het Nationaal Park Lauwersmeer, een prachtig beschermd natuurgebied. Deze variatie in landschap geeft de gemeente een geheel eigen karakter in Noordoost Friesland.

Musea en attracties
Binnen de gemeente Kollumerland c.a. zijn verschillende musea en attracties. In Kollum vindt u de Oudheidkamer Mr. Andrea, een streekmuseum in een voormalig postkantoor uit 1890 met een stijlkamer, kerk- en schoolattributen, een foto-atelier, een ambachtelijke werkplaats, een grutterswinkel, vaandels en een kostuumverzameling. 's Zomers is de theetuin ook open. In Munnekezijl kunt u, op afspraak, de Proefboerderij Kollumerwaard bezoeken. Dit Regionaal Onderzoek- en Informatiecentrum doet onderzoek naar diverse akkerbouwgewassen en is tevens een uiterst modern agrarisch bedrijf van 133 ha. Het monumentale brinkdorp Veenklooster ontwikkelt zich de laatste jaren meer en meer als toeristische trekpleister. Vooral vanwege het schitterende landgoed Fogelsanghstate, dat een prachtig bos en wandelpark (aangelegd door architect Roodbaard ), een hertenkamp en vijvers omvat. In het landgoed is een museum ingericht. Het Lytse Slot, een riant buitenhuis, herbergt naast een droogbloemententoonstelling wisselende exposities. In de gezellige theeschenkerij kunt u uitblazen bij een heerlijk kopje thee. Gevestigd in een grote, oude boerderij aan De Brink vindt u Landbouwmuseum De Brink (www.landbouwmuseum.nl), een gezinsmuseum met activiteiten voor kinderen en een complete verzameling oude landbouwwerktuigen en gereedschappen. Het toont hoe en waarmee de boer en de boerin vroeger werkten, de technische ontwikkelingen en het dagelijks leven op het platteland. Tot slot vindt u in Veenklooster Informatiecentrum De Munnik, een streekinformatiecentrum met een VVV-folderpost die informatie geeft over activiteiten en bijzonderheden rond het landschap en omgeving. Het is tevens startpunt voor diverse wandel- en fietsroutes.


De geschiedenis van Kollum gaat terug tot ongeveer 750 na Christus. Het dorp ontstond in de vroege Middeleeuwen op de rand van een zandplateau bij de brede, natuurlijke stroom de Dwarsried die in verbinding stond met de Lauwerzee. Het was toen niet meer dan een nederzetting, genaamd Colheim (later Kollumerterp), maar door de verbinding met de zee was Kollum geschikt als haven. Boter, kaas en vooral granen werden uitgevoerd via de haven. Toen in de periode tussen de 11de en de 13de eeuw de landerijen bedijkt werden en de omliggende veengronden in cultuur gebracht werden, ontwikkelde Kolllum zich tot een centrum. Zo werd het dorp de hoofdplaats van Kollumerland. De 17e en 18e eeuw waren een tijd van groei en bloei dankzij de handel en scheepvaart. In het midden van de 17e eeuw kreeg Kollum namelijk een goede verbinding met het zuiden via de nieuwe Stroobosser Trekvaart die aansloot op de korte Kollumer Trekvaart. Kollum is sindsdien geleidelijk uitgebreid, vooral langs de centrale Voorstraat en enkele zijstraten. Met name na de oorlog in de 20ste eeuw is er in bijna alle richtingen bebouwing bijgekomen.

Landschapskarakteristiek
Kollum ligt op de grens van het open weidegebied en de Friese Wouden. Het kleipoldergebied, dat in de loop der eeuwen is onttrokken uit de zee, loopt over in een elzensingellandschap. De Wâlddyk - de naam van de oude zeedijk zegt het al - beschermde de Friese wouden tegen het zeewater.

De oude zeedijk in Kollum is meerdere keren bij een stormvloed doorgebroken. Bij de Sint Pitersvloed in 1651 is de hele Aldwaldmersyl weggeslagen, waardoor het Mâlegraafsgat is ontstaan (ook wel het Sint Pitersgat genoemd).

Monumentenzorg omschrijft Kollum als een wegdorp. De centrale doorlopende weg, de Voorstraat, kruist de Zijlsterried. Deze kruisstructuur is al in de Middeleeuwen ontstaan. Kollum heeft een beschermd dorpsgezicht. In totaal zijn er 31 monumenten te vinden, waaronder de Gereformeerde kerk, de Hervormde kerk, het voormalig postkantoor en het vroegere raadhuis.

In het centrum van Kollum vindt u een rechthuis. Dit rechthuis vormde op 3 en 4 februari 1797 het decor van het zogenoemde 'Kollumer oproer'. Oorzaak daarvan was het toenemende verzet tegen de burgerbewapening, dat was ingesteld door de Franse overheersers om bestand te zijn tegen de Prinsgezinden. De arrestatie van de Oranjegezinde Abele Reitzes en zijn gevangenneming in het Kollumer rechthuis zorgde voor zoveel opschudding in de regio, dat een grote menigte zich verzamelde om hem te bevrijden. Op de weg naar het rechthuis werden grote vernielingen aangericht. De Patriotten wisten het oproer in de kiem te smoren met groot machtsvertoon, waarbij 168 mensen werden gearresteerd.



naar de top van deze pagina






























naar de top van deze pagina
wandeltocht op 17 november 2007, nabeschouwing:
naar de top van deze pagina






























naar de top van deze pagina
wandeltocht op 17 november 2007, verslag:
naar de top van deze pagina